AFSTUDEERSCRIPTIE VAN
LITA BERKHOUT
LIDY HARTMENIK
WIL STEENBERGEN
TON SWAGERMAN
GUUS VAN WEELDEN
11 APRIL 1997
KATHOLIEKE UNIVERSITEIT BRABANT
TILBURGS INSTITUUT VOOR ACADEMISCHE STUDIES (TIAS)
STRATEGIE EN MANAGEMENT VAN ORGANISATIES IN DE GEZONDHEIDSZORG
1995-1997 (SMOG-4)
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij electronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de
auteurs.
Het is steeds belangrijker om in staat te zijn
tegelijkertijd met elkaar te wedijveren en samen te werken,
maar dit vergt een behoorlijk rijpingsproces.
Bill Gates
Samenwerking is een proces van verschillende mensen
en het benutten van de verschillende kwaliteiten,
ook deze scriptie getuigt daarvan.
Inhoudsopgave
1. Inleiding en verantwoording 1
1.1 Korte historie thuiszorg 1
1.2 Marktwerking en verdere schaalvergroting 2
2. Vraagstelling, werkwijze en opzet 5
3.2.3 Politieke ontwikkelingen 8
3.2.4 Economische ontwikkelingen 10
3.2.5 Sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen 11
3.2.6 Technologische ontwikkelingen 12
3.2.7 Consequenties voor de thuiszorgmarkt 12
3.3.3 Kenmerken van de bedrijfstakstructuur 15
3.3.4 Bedrijfstakanalyse van de sector thuiszorg 16
3.3.5 Product/marktcombinaties thuiszorg 19
3.4.3 Strategische motieven 22
3.4.4 Generieke strategieën 22
3.4.5 Ontwikkelingsrichting van de strategie 26
3.5.3 Wijze van realisatie van strategisch stakeholders-management 29
3.6.2 Coördinatiemechanismen 32
3.6.3 Ontwerp van de samenwerkingsstructuur 33
3.6.5 Horizontale en verticale samenwerkingsverbanden/allianties 34
3.6.6 Horizontale en verticale integratie/expansie 36
4 Resultaten praktijkonderzoek 39
4.2 Inventarisatie Nederland 40
4.2.2 Reikwijdte van de inventarisatie 40
4.2.3 Samenwerkingsvormen in de praktijk 41
4.2.4 Strategische overwegingen en motieven 44
4.2.5 Totstandkoming van samenwerking en/of integratie 45
4.2.6 Resultaten van de samenwerking en/of integratie 45
4.2.7 Reacties stakeholders 46
4.3 Diepte-interviews: zes praktijkvoorbeelden 48
4.3.2 Beknopte beschrijving per casus 49
4.3.3 Beschouwing: indrukken uit de zes praktijkvoorbeelden 64
4.3.4 Strategisch stakeholdersmanagement bij de integratieprocessen 71
4.4.3 Twee praktijkvoorbeelden 77
4.4.4 Motieven, stakeholders en de mening van de cliënt 78
4.4.5 Discussie en afronding 79
5 Discussie en aanbevelingen 81
5.2.1 Continuïteit, marktpositie en klantensatisfactie 82
5.2.2 Product/Marktcombinaties 84
5.2.3 Factoren en omstandigheden 86
5.2.4 Een vierde vraag dringt zich op 89
5.3.1 Aanbevelingen inzake continuïteit, marktpositie en klantensatisfactie 90
5.3.2 Aanbevelingen inzake product/marktcombinaties 90
5.3.3 Aanbevelingen inzake factoren en omstandigheden en voor- en nadelen 91
5.3.4 Aanbevelingen inzake toekomstige positionering van de thuiszorg 92
Bijlagen
Bijlage 1 Vragenlijst inventarisatie Nederland B1
Bijlage 2 Vragenlijst diepte-interviews B5
Bijlage 3 Structurele bedrijfstakanalyse van de sector thuiszorg B9
Bijlage 4 Concurrentiekrachten thuiszorg B17
Bijlage 5 Product/marktcombinaties thuiszorg B19
Bijlage 6 Stakeholdersweb B21
Bijlage 7 Onderzoek machtsbalans en diagnose B23
Bijlage 8 Ruil en evenwicht B25
Bijlage 9 Analyse stakeholdersrelaties en het integreren van
bestaande management-activiteiten B27
Bijlage 10 Samenwerkingsvormen naar toenemende bindingsintensiteit B29
Bijlage 11 Overzicht van interviews Casus 1 tot en met 6 B31
Bijlage 12 Criteria voor langdurende thuishulp vanuit gebruikers/
patiëntenperspectief B33
Bijlage 13 Uitnodiging Ronde Tafel Gesprek B35
Deze scriptie is geschreven in het kader van de post-academische mastersopleiding "Strategie en Management van Organisaties in de Gezondheidszorg" aan het
Tilburgs Instituut voor Academische Studies (TIAS).
Het is een scriptie van vijf TIAS-studenten. We zijn regelmatig meewarig aangekeken of kregen bedenkelijke vragen: "Wat haal je je wel niet op de hals om met z'n
vijven een scriptie te schrijven?" en "Zijn jullie niet meer tijd kwijt aan coördinatie
en afstemming dan aan de inhoud van het werkstuk?" In een somber moment
herkenden sommigen van ons deze vragen, maar uiteindelijk hebben de
voordelen opgewogen tegen de nadelen. Die voordelen zijn dat je een groot
onderwerp kan onderzoeken en bespreken. We konden bijvoorbeeld ook een
inventarisatie maken van alle initiatieven op het gebied van de door ons onderzochte integratie in Nederland.
Prof. dr. Aad A. de Roo was niet alleen de inspirerende 'director of study', maar
ook onze scriptiebegeleider. Wij willen hem graag bedanken voor zijn welkome
reacties, adviezen en suggesties.
Eén van de nadelen van het met z'n vijven schrijven is de hoge eis die wordt
gesteld aan de eindredactie. Hierin zijn we veel dank verschuldigd aan Inkie Theus
van het adviesbureau Compliance Consult in Gouda. Zij heeft veel tijd en energie
besteed aan de eindredactie met een naar onze mening uitstekend resultaat.
Charles Laurey, directeur en senior-adviseur van Compliance Consult, heeft niet
alleen de supervisie gehad over het werk van Inkie, maar heeft ook de laatste zes
bijeenkomsten van de scriptiegroep bijgewoond en een stimulerende en aanvullende bijdrage geleverd aan de inhoud van de scriptie. Ook Charles willen we
hiervoor graag bedanken!
De scriptie zou niet tot stand hebben kunnen komen zonder de grote medewerking die we hebben gekregen van alle geïnterviewden en de deelnemers aan het
"Ronde Tafel Gesprek" dat we op 26 maart 1996 hebben georganiseerd. We
werden getroffen door de grote bereidwilligheid en het enthousiasme van
iedereen om zijn of haar medewerking te verlenen. Wij willen alle betrokkenen
hiervoor hartelijk bedanken.
Wij hebben met genoegen aan deze scriptie gewerkt en wij wensen u veel
leesplezier toe.
Tilburg, 11 april 1997
Lita Berkhout
Lidy Hartemink
Wil Steenbergen
Ton Swagerman
Guus van Weelden
1. Inleiding en verantwoording
De vijf schrijvers van deze scriptie zijn allen werkzaam als directeur/bestuurder in
de thuiszorgbranche. Hoewel het dan op het eerste gezicht interessant lijkt om
juist een andere branche binnen de gezondheidszorg onder de loep te nemen, is
toch gekozen voor juist deze uiterst boeiende branche als scriptie-onderwerp.
In de afgelopen twee jaar is de thuiszorg niet voor niets regelmatig bij wijze van
voorbeeld onderwerp van gesprek geweest tijdens de TIAS-studiebijeenkomsten.
De thuiszorg is op dit moment namelijk van alle branches in de gezondheidszorg
het meest in beweging en leent zich daarom bij uitstek voor strategische beschouwingen en analyses.
De thuiszorg is overigens niet alleen boeiend vanuit strategisch, maar ook vanuit
menselijk en maatschappelijk perspectief. Het is de vorm van gezondheidszorg die
het dichtst bij het dagelijks leven staat. De zorgverleners treden in ieders privéleven: ze komen thuis, waar iedereen het meest 'eigen' maar ook het meest kwetsbaar is.
Elke situatie thuis is anders, niets is er standaard. Dit vraagt bij elk bezoek van
thuiszorgverleners opnieuw inlevingsvermogen, creativiteit en flexibiliteit.
De zorg in de thuissituatie lijkt zo vanzelfsprekend en eenvoudig. Het spectaculaire
van de thuiszorg zit echter in de gewone dingen van het dagelijks leven.
1.1 Korte historie thuiszorg
De thuiszorg is een sector met een historie van ruim honderd jaar. De laatste tien
jaar hiervan zijn het meest turbulent geweest. Deze worden namelijk gekenmerkt
door verschillende, elkaar in snel tempo opvolgende processen van ontzuiling,
schaalvergroting en de introductie van professioneel management. De thuiszorg
is, in tegenstelling tot de intramurale gezondheidszorg, een sector met een zeer
beperkte managementtraditie.
De financiering van de thuiszorg is pas in 1980 (AWBZ-verstrekking Kruiswerk)
respectievelijk 1990 (AWBZ-subsidieregeling Gezinsverzorging) onderdeel
geworden van de financieringsstructuur van de gezondheidszorg. Met ingang van
1997 is het onderscheid in financiering tussen kruiswerk en gezinsverzorging
vervallen en is er één verstrekking thuiszorg ontstaan.
Het aantal instellingen is in de afgelopen tien jaar sterk gereduceerd, hetgeen blijkt
uit de onderstaande cijfers:
| Aantal instellingen voor kruiswerk |
± 485 1) |
12 |
| Aantal instellingen voor gezinsverzorging |
234 2) |
43 |
| Aantal thuiszorginstellingen |
- |
53 |
| Totaal |
± 720 |
108 |
Bron: 1) Landelijke Vereniging voor Thuiszorg, Wegwijzer Thuiszorg, deel B, hoofdstuk 1.3
2) Stichting Centrale Raad voor Gezinsverzorging, informatiebulletin 26
3) Overzicht erkende en in 1996 bestaande instellingen voor gezinsverzorging en kruiswerk, COTG, november 1996
Tabel 1: Reductie van het aantal thuiszorginstellingen
Het verhaal achter de cijfers maakt ook duidelijk hoeveel er in de laatste tien jaar in de thuiszorg is veranderd. In 1986 werd een instelling voor kruiswerk met ± 40 medewerkers vaak geleid door een hoofdwijkverpleegkundige, die verantwoording aflegde aan een bestuur van notabele vrijwilligers. De instellingen voor gezinsverzorging hadden weliswaar gemiddeld een grotere omvang, maar ook hier was weinig sprake van professioneel management: de directie had vaak een administratieve achtergrond en de leidinggevenden hadden meestal een opleiding tot maatschappelijk werkende gevolgd.
Slechts tien jaar later bestaat in meer dan tweederde deel van Nederland geen
onderscheid meer tussen kruiswerk en gezinsverzorging en zijn er regionale
thuiszorginstellingen ontstaan met een werkgebied van gemiddeld 250.000
inwoners, met elk meer dan duizend personeelsleden en een gemiddelde omzet
van 50 miljoen per jaar. De directies van deze instellingen leggen verantwoording af aan Raden van Toezicht.
Naast de van oudsher bestaande vormen van zorgverlening zoals wijkverpleging, verzorging, huishoudelijke zorg, uitleen van verpleegartikelen en hulpmiddelen, ouder- en kindzorg en kraamzorg, zijn er veel initiatieven genomen tot het aanbieden van nieuwe diensten, zoals:
De snelle ontwikkelingen in de thuiszorgbranche worden versterkt door de in
hoog tempo toenemende vraag naar thuiszorg. Deze toename wordt onder andere
veroorzaakt door de (dubbele) vergrijzing van de bevolking, vermindering van de
informele zorgverlening (mantelzorg en vrijwilligerswerk), verkorting van de
ligduur in de ziekenhuizen, beperking van het aantal plaatsen in verzorgingshuizen
en uitbreiding van de technologische mogelijkheden voor zorgverlening in de
thuissituatie.
Een branche die zich in tien jaar zo turbulent heeft ontwikkeld, vertoont uiteraard
nog kinderziektes. De onderlinge verschillen in ontwikkelingsstadium, kwaliteit en
doelmatigheid van de thuiszorginstellingen zijn nog groot. De meningen van de
directies over de gewenste strategische koers van de thuiszorgbranche lopen
onderling uiteen.
1.2 Marktwerking en verdere schaalvergroting
Juist deze branche is door de Nederlandse overheid de laatste vijf jaar uitverkoren
geweest om de nieuwe sturingsmechanismen van marktwerking en concurrentie
uit te proberen.
Op dit moment kan worden waargenomen dat veel thuiszorginstellingen, mede
als reactie op deze introductie van marktwerking, kiezen voor verdere schaalvergroting door middel van integratie met andere zorgaanbieders of deze keuze in
overweging nemen.
Onder "integratie" wordt verstaan: het door verschillende zorgaanbieders
vaststellen van (het gehele of delen van) gezamenlijk strategisch beleid en het
gezamenlijk uitvoeren van (enkele of alle) essentiële bedrijfsprocessen.
Bij de schaalvergroting kan worden gekozen voor twee strategieën:
1) Horizontale integratie:
Schaalvergroting binnen de sector thuiszorg door middel van integratie
met gelijksoortige zorgaanbieders, dus met andere thuiszorginstellingen.
2) Verticale integratie:
Schaalvergroting door middel van integratie met complementaire zorgaanbieders binnen de bedrijfskolom waarvan de thuiszorg onderdeel uitmaakt.
Dit zijn veelal verpleeg- en verzorgingshuizen en soms ziekenhuizen.
Naast integratie bestaan ook lichtere vormen die in deze scriptie als samenwerking aangeduid worden.
Binnen de thuiszorgbranche is waar te nemen dat er voornemens en keuzen zijn
gemaakt voor zowel horizontale als verticale integratie. De keuzen tot integratie
worden door sommige thuiszorginstellingen gedifferentieerd naar te onderscheiden product/marktcombinaties binnen de thuiszorgbranche.
De schrijvers van deze scriptie zijn nieuwsgierig naar de motieven en overwegingen die ten grondslag liggen aan deze vormen van schaalvergroting in casu
horizontale en verticale integratie. Deze motieven en overwegingen staan daarom
centraal in deze scriptie.
Aangezien de schrijvers allen werkzaam zijn in de thuiszorg, zijn de vraagstelling
en de scriptie nadrukkelijk geschreven vanuit het perspectief van de thuiszorginstellingen.
2. Vraagstelling, werkwijze en opzet
2.1 Vraagstelling
De in de voorgaande paragraaf verwoorde aanleiding tot het schrijven van deze
scriptie leidt tot de volgende vraagstelling:
Wat kan schaalvergroting door middel van horizontale en/of
verticale integratie bijdragen aan de continuïteit en marktpositie van de bestaande thuiszorginstellingen en aan de
cliëntensatisfactie ?
Kan er onderscheid worden aangebracht voor de verschillende product/marktcombinaties, zoals die op dit moment
binnen de thuiszorg kunnen worden onderscheiden?
Met welke factoren/omstandigheden moet rekening worden
gehouden en wat zijn de voor- en nadelen als men kiest voor
horizontale en/of verticale integratie?
De volgende vragen zijn afgeleid van deze vraagstelling:
1. Welke voorbeelden van horizontale en/of verticale integratie kunnen op dit
moment binnen de thuiszorgbranche worden waargenomen?
2. Welke strategische overwegingen en motieven noemen de directies van
huidige thuiszorginstellingen voor de keuze tot schaalvergroting door
middel van horizontale en/of verticale integratie met andere zorgaanbieders?
3. Hoe wordt het strategisch beleid van directies van thuiszorginstellingen in
de huidige praktijk ontwikkeld en vastgesteld als deze kiezen voor horizontale en/of verticale integratie?
4. Wat zijn de meningen en belangen van de integratiepartners en van
overige belangrijke relaties ("stakeholders") met betrekking tot de horizontale respectievelijk verticale integratie?
5. Welke vormen (in de zin van juridische en organisatorische bindingsintensiteit) worden gekozen bij de integratie en wat zijn hierbij de belangrijkste
overwegingen?
6. Welke product/marktcombinaties kunnen op dit moment binnen de thuiszorgbranche worden onderscheiden? Hoe zullen deze zich ontwikkelen in
geval van keuze voor schaalvergroting door middel van horizontale en/of
verticale integratie?
7. Welke keuzen voor en vormen van horizontale en/of verticale integratie zijn
op basis van een strategische analyse en onderzoek volgens de visie van
de schrijvers van deze scriptie wenselijk om de continuïteit van de verschillende product/marktcombinaties, zoals die binnen de huidige thuiszorg
kunnen worden onderscheiden, te waarborgen?
2.2 Werkwijze en opzet
Allereerst zijn op basis van een analyse van de thuiszorgbranche de strategische
opties, de mogelijkheden voor strategisch 'stakeholdersmanagement' en de
mogelijke samenwerkingsvormen beschreven. Deze analyse wordt weergegeven
in het theoretisch kader (hoofdstuk 3).
Vervolgens is door de vijf studenten een inventarisatie gemaakt van de initiatieven
tot horizontale en/of verticale samenwerking en/of integratie in Nederland. Dit is
gedaan door middel van een schriftelijke en telefonische enquête onder thuiszorginstellingen in Nederland (bijlage 1). De resultaten van deze inventarisatie zijn
weergegeven in paragraaf 4.2. Vanuit deze inventarisatie zijn zes praktijksituaties
geselecteerd, waar diepte-interviews zijn gehouden (zie bijlage 2). In paragraaf 4.3
worden hiervan de resultaten beschreven.
Als laatste fase van het onderzoek is op 26 maart 1996 een Ronde Tafel Gesprek
georganiseerd, waarvoor sleutelfiguren uit de Nederlandse gezondheidszorg en
vertegenwoordigers van de zes praktijkvoorbeelden zijn uitgenodigd. Doel van
deze bijeenkomst was om aan deelnemers de theorie, de resultaten uit de inventarisatie en de diepte-interviews voor te leggen en met hen hierover in discussie te
gaan om zodoende tot nadere inzichten te komen. De resultaten van dit gesprek
worden weergegeven in paragraaf 4.4.
Ten slotte zijn vanuit het oogpunt van de vijf TIAS-studenten discussiepunten en
aanbevelingen geformuleerd op basis van de theoretische en praktische bevindingen. Deze worden als afsluiting weergegeven in hoofdstuk 5.
3. Theoretisch kader
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt het referentiekader beschreven dat het onderzoeksthema
"de bijdrage van schaalvergroting door middel van horizontale en/of verticale
integratie aan de continuïteit, de marktpositie en de "cliëntensatisfactie" van de
thuiszorg" theoretisch onderbouwt.
Dit referentiekader is tot stand gekomen op basis van theorieën die tijdens de
TIAS-studie aan bod zijn gekomen en een literatuuronderzoek naar theorieën
omtrent organisatiebeleid en analysemodellen.
Het hoofdstuk start met een analyse van de omgeving en de bedrijfstak van de
thuiszorg aan de hand van het model van Porter. Vervolgens worden op basis van
de uitkomsten van de analyses de strategische opties geformuleerd volgens het
strategie-model van Johnson & Scholes.
Aan de hand van de theorie met betrekking tot strategisch stakeholders-management van Boonekamp wordt ingegaan op de wijze waarop stakeholders gemanaged kunnen worden in de bedrijfstak van de thuiszorg. Stakeholders zijn in dit
kader van belang omdat ze netwerken vormen die resultaten van strategische
keuzen kunnen versterken of afzwakken.
Tot slot worden op basis van het voorafgaande de mogelijke samenwerkingsvormen geschetst.
3.2 Omgevingsanalyse
3.2.1 Inleiding
Ontwikkelingen die betrekking hebben op de omgeving van organisaties kunnen
in kaart worden gebracht met behulp van de zogenaamde PEST-analyse. De
PEST-analyse is een nuttig hulpmiddel voor organisaties om te komen tot een
geïntegreerde strategische analyse (Johnson & Scholes, 1993).
In dit hoofdstuk wordt allereerst een korte theoretische toelichting gegeven op de
PEST-analyse. Vervolgens zal specifiek voor de thuiszorg een aantal belangrijke
ontwikkelingen omschreven worden welke een sturende invloed hebben op deze
sector.
3.2.2 Begripstoelichting
In de PEST-analyse wordt onderscheid gemaakt tussen Politieke, Economische,
Sociaal-Maatschappelijke en Technologische ontwikkelingen in de omgeving van
organisaties. Johnson & Scholes beschrijven drie modellen om tot een strategische analyse van organisaties te komen, te weten:
1. een model om de aard van de omgeving vast te stellen;
2. een model om de historische waarde van omgevingsinvloeden vast te
stellen;
3. een model om de belangrijkste externe invloeden vast te stellen.
De resultaten van de toepassing van deze modellen leiden tot een beeld van de
belangrijke krachten die op een organisatie inwerken. Hierbij gaat het om een zo
goed mogelijk begrip van de strategische waarde van deze krachten, de zogenaamde kansen en bedreigingen.
De PEST-analyse kan gebruikt worden als checklist, voor het opsporen van
hoofdinvloeden, voor het vaststellen van sturende lange termijn invloeden en
voor het vaststellen van de diversiteit van de invloeden.
De thuiszorgmarkt wordt geconfronteerd met toenemende bedrijfsrisico's. De kern
van de verandering is de overgang van een "bevels-huishouding" in een "onderhandelingshuishouding". Dit krijgt vorm in toenemende bedrijfsrisico's. Deze
bedrijfsrisico's zijn gerelateerd aan nieuwe wet- en regelgeving en aan veranderingen in de kostenstructuur. Het resultaat hiervan is vervanging en afwenteling in de
hiërarchische lijn (bureaucratie).
Deze invloeden worden in onderstaande PEST-analyse uitgewerkt. De uiteindelijke
afwenteling c.q. mogelijkheden voor de marktpositie van de thuiszorg wordt
vervolgens beschreven in de bedrijfstakanalyse (paragraaf 3.3).
3.2.3 Politieke ontwikkelingen
Inmiddels is een start gemaakt met het doorvoeren van een driedeling in de
zorgverzekeringen, de compartimentering. De nieuwe wet- en regelgeving richt
zich hiermee op het stapsgewijs vormgeven van steeds grotere bedrijfsrisico's
voor zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Dit geldt met name voor het zogenaamde tweede compartiment. Tevens brengt de overheid doelbewust veranderingen
aan in de bedrijfstakstructuur door het doorbreken van bestaande monopolies van
zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Het achterliggende doel van deze ontwikkeling is het vergroten van de doelmatigheid.
Het eerste compartiment
Het eerste compartiment is de AWBZ met daarin opgenomen vooral de langdurige zorg en de particulier onverzekerbare risico's, die met name betrekking hebben
op het "care" aspect.
Binnen het eerste compartiment streeft de overheid naar aanbodregulering door
middel van het vaststellen van het beschikbare macrovolume. Het jaarlijks vast te
stellen macrobudget wordt verdeeld over de regio's. De Ziekenfondsraad sluit
overeenkomsten met de verbindingskantoren 'nieuwe stijl'; de zogenaamde regionale zorgkantoren. Dit zorgkantoor contracteert de zorgaanbieders en maakt
productie-afspraken. De te hanteren maximumtarieven worden vastgesteld door
het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (COTG).
De toegang tot de AWBZ zal onder toezicht komen te staan van de lokale overheid
via het model van onafhankelijke indicatiestelling.
Positie van de thuiszorg
Binnen het eerste compartiment is de thuiszorg de enige bedrijfstak van de Nederlandse gezondheidszorg waar sprake is van een marktwerking. Deze marktwerking
krijgt gestalte door:
- de afschaffing van het erkenningensysteem;
- de afschaffing van de contracteerplicht;
- afbouw van budgetgarantie van bestaande aanbieders van 100% tot 65%;
- het toelaten van nieuwe aanbieders door een ruimer vergunningenbeleid
(onder voorwaarde van naleving van de CAO Thuiszorg, het leveren van
een integraal pakket en het voldoen aan de Kwaliteitswet).
Het tweede compartiment
Het tweede compartiment bestaat uit de ziekenfondswet, de particuliere verzekeringen en de ambtelijke ziektekostenregelingen. In dit compartiment bevinden zich
de zogenaamde verzekerbare risico's. De inhoud van het pakket van het tweede
compartiment is met name de curatieve zorg.
Binnen het tweede compartiment wordt door de overheid de zogenaamde
gereguleerde marktwerking ingevoerd.
Positie van de thuiszorg
Voor wat betreft de thuiszorg zal alleen de kortdurende ziekenhuisgerelateerde
thuiszorg en kraamzorg ten laste komen van het tweede compartiment. Met het
opnemen van kortdurende ziekenhuisgerelateerde thuiszorg in het tweede
compartiment is per 1 januari 1997 een "knip in de thuiszorg" ontstaan tussen
kortdurende en langdurende thuiszorg. Deze "knip" heeft tot doel de samenwerking en substitutiemogelijkheden van de thuiszorg en de ziekenhuizen te bevorderen en te stimuleren.
De sector thuiszorg zal binnen dit compartiment moeten inspelen op het belang
van de zorgverzekeraars om te komen tot kostenbeheersing.
Het derde compartiment
Het derde compartiment omvat alle zorg die niet in het eerste en tweede compartiment zit. De overheid draagt ten aanzien van dit compartiment geen verantwoordelijkheid voor kosten en toegang, wel voor de kwaliteit. Dat wil zeggen dat
er sprake is van volledige marktwerking. Het derde compartiment is een maatregel
om doelmatigheid, zorg op maat en de flexibiliteit, alsmede de kostenbeheersing
van de gezondheidszorg, te bevorderen.
Positie van de thuiszorg
De thuiszorg zal binnen dit compartiment met cliënten, ziektekostenverzekeraars,
levensverzekeraars en pensioenfondsen dienstenpakketten moeten opstellen.
Deze dienstenpakketten worden aangeboden op basis van marktwerking tussen
de verschillende aanbieders. De combinatie prijs/kwaliteit van het dienstenpakket
en de mate van servicekwaliteit zal bij het verkrijgen van marktaandeel dominant
zijn.
Voor de thuiszorg is het samengevat in het kader van bovengenoemde ontwikkelingen belangrijk zorg te dragen voor:
- een goede prijs/kwaliteitverhouding;
- het verwerven van cliënten en zorgen dat zij tevreden zijn;
- het financieel gezond zijn;
- de spreiding van ondernemingsrisico's;
- het leveren van een optimaal zorgaanbod;
- het verwerven van marktleiderschap.
3.2.4 Economische ontwikkelingen
De meeste verzekeraars fuseren waardoor machtige financiële consortia zijn
ontstaan. De grote en middelgrote landelijk opererende zorgverzekeraars richten
zich vooral op de directe relatie met de verzekerde. Dit betekent dat zij een
landelijke dekking voor zorgverlening willen onder gelijke condities. De landelijk
opererende zorgverzekeraars leggen het meeste accent op prijs en niet zozeer op
de prijs/kwaliteitverhouding of de regionale inbedding van de aanbieder van zorg.
De regionale zorgverzekeraars zijn meestal nog gericht op de aanbieders van zorg.
Vaak worden op deze schaal convenanten afgesloten waarin voor de regionale
aanbieder een positie als zogenaamde bevoorrechte aanbieder is weggelegd.
Vaak kunnen de regionale zorgverzekeraars beter dan landelijk opererende
zorgverzekeraars sturen op het netwerk van aanbieders en dus op de onderlinge
afspraken. De regionale zorgverzekeraar is naast de prijs gericht op de
prijs/kwaliteitverhouding en de regionale inbedding van de aanbieder van zorg.
Verzekeraars lopen in het eerste compartiment vanwege de volledige budgetfinanciering geen bedrijfsrisico's. In het tweede en derde compartiment is dit echter
wel het geval. Ze zullen de bedrijfsrisico's die ze lopen in deze twee compartimenten zoveel mogelijk trachten door te schuiven naar andere partijen, zoals de
aanbieders van zorg en de cliënt.
De bedrijfsrisico's zullen binnen de thuiszorg toenemen omdat minder zekerheid
bestaat over de te behalen omzet. Door de gewijzigde marktomstandigheden
zullen de marges moeten toenemen. Daarvoor dienen de kosten verlaagd te
worden o.a. door middel van flexibilisering van de arbeidscontracten. Instrumenten als informatisering, kostprijsbeheersing, toetsen op doelmatigheid en productiemanagement dienen nog meer gehanteerd te worden.
Aan de andere kant dient zo veel mogelijk omzet te worden gegenereerd. In het
eerste compartiment wordt de aanwezige schaarste verdeeld. Met betrekking tot
het tweede en het derde compartiment zal echter de omzet gegenereerd moeten
worden via de zorgverzekeraars. Hiervoor is investering in PR en marketing
noodzakelijk.
Voor de thuiszorg is het samengevat in het kader van bovengenoemde economische ontwikkelingen belangrijk zorg te dragen voor:
- een goede prijs/kwaliteitverhouding;
- het verwerven van cliënten en zorgen dat zij tevreden zijn;
- het financieel gezond zijn;
- de spreiding van ondernemingsrisico's;
- het leveren van een optimaal zorgaanbod;
- het verwerven van marktleiderschap;
- het doelmatig gebruik maken van innoverende, electronische gegevensverwerking.
3.2.5 Sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen
De cliëntenmarkt
De vergrijzing in Nederland veroorzaakt een stijging in de consumptie van zorg.
Deze stijging zal de vraag naar thuiszorg doen toenemen. De eerste reden hiervoor is dat de maatschappelijke en demografische ontwikkelingen leiden tot de
wens en de noodzaak van meer zorg in de thuissituatie.
Tegelijkertijd zal door het stijgen van het aantal hoogbejaarden steeds intensiever
en meer complexe zorg nodig zijn. De technologische ontwikkelingen maken het
mogelijk de complexe en intensieve zorg aan te bieden in de thuissituatie. Daardoor wordt het tevens mogelijk de intramurale capaciteit in te perken en zorg te
substitueren naar de extramurale sector.
Tenslotte speelt de afname van de mantelzorg een rol in de toenemende druk op
de vraag naar thuiszorg. De samenleving vraagt om het ontlasten van de mantelzorg, omdat het beroep op de mantel als onevenredig zwaar wordt ervaren.
Hierdoor komen meer taken ten aanzien van de coördinatie van zorg bij de
thuiszorg te liggen.
De positie van de cliënt zal aanzienlijk wijzigen. De invloed van patiëntenverenigingen en regionale platforms zal gezien het overheidsbeleid in de komende jaren
toenemen. Hier liggen ontwikkelingen als de toenemende mondigheid van
cliënten en de toenemende emancipatie van ouderen en chronisch zieken aan ten
grondslag. De cliënt krijgt meer keuzemogelijkheden en dus een sterkere positie
ten opzichte van de overheid, aanbieders en zorgverzekeraars. Onder invloed van
meer private financiering, de emancipatie van de cliënt en overheidsmaatregelen
(zoals Persoons Gebonden Budget) wordt de cliënt meer "inkoper van zorg" dan
een "afhankelijke patiënt".
De arbeidsmarkt
Algemeen wordt verwacht dat met name verzorgenden en verplegenden (MBO-niveau) en in mindere mate de verpleegkundigen (HBO-niveau) sterker zullen
groeien dan andere disciplines.
Tot voor kort was het werven van voldoende medewerkers geen probleem voor
thuiszorginstellingen. In sommige regio's is dit inmiddels niet meer het geval. Het
beschikken over voldoende personeel is noodzakelijk om de zorg voor cliënten te
kunnen garanderen. Instellingen die als aantrekkelijke werkgever beter dan
concurrenten in staat zijn om medewerkers te werven en aan zich te binden zullen
in de markt een belangrijke voorsprong hebben en houden.
Instellingen zullen echter rekening moeten houden met het steeds flexibeler en
grilliger worden van de arbeidsmarkt. De tot nu toe gegarandeerde arbeidsvoorwaarden van medewerkers komen onder druk te staan door het loslaten van de
CAO's. Het realiseren van de beste "fit" tussen cliëntbelangen, medewerkersbelangen en organisatiebelangen is een van de belangrijkste uitdagingen voor
thuiszorginstellingen.
Voor de thuiszorg is het samengevat in het kader van bovengenoemde sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen belangrijk zorg te dragen voor:
- het verwerven van cliënten en zorgen dat zij tevreden zijn;
- spreiding van ondernemingsrisico's;
- tevreden medewerkers;
- maatschappelijk ondernemerschap.
3.2.6 Technologische ontwikkelingen
De groeiende technologische mogelijkheden - en met name de telecommunicatie
- doorspinnen de gehele samenleving en zullen ook voor de thuiszorg grote
consequenties hebben. Telecommunicatie, waaronder de mobiele telefonie,
internet, e-mail en daaraan verbonden computerisering wordt steeds doeltreffender en beter betaalbaar.
Dit levert mogelijkheden tot nieuwe vormen van organiseren en plannen waartegen de huidige organisatie- en sturingsmodellen het zullen afleggen. De inzet van
hulpverleners kan hierdoor effectiever, maar ook intensiever en op steeds meer
wisselende tijden plaatsvinden. Op grond van heldere kwaliteits- en productietargets kan cliëntgerichter en efficiënter gewerkt worden.
Door een aantal technologische ontwikkelingen, op het gebied van medisch-technische apparatuur, zal tevens sprake zijn van een toenemende vraag naar
(intensieve) thuiszorg. Binnen ziekenhuizen worden operatieve ingrepen en andere
behandeltechnieken steeds effectiever. De opnameduur kan daardoor soms
aanzienlijk verkort worden. Het gevolg hiervan is dat meer vraag naar thuiszorg
ontstaat en dat deze vraag meer technisch handelen met zich meebrengt.
Daarnaast wordt de apparatuur voor monitoring en ondersteuning van lichaamsfuncties steeds geavanceerder. De mogelijkheden om met (ernstige) chronische
aandoeningen thuis te blijven nemen toe. De technische verbeteringen in woningbouw en -aanpassingen houden hiermee gelijke tred waardoor de vraag naar
intensieve en medisch-technische thuiszorg toeneemt.
Voor de thuiszorg is het samengevat in het kader van bovengenoemde technologische ontwikkelingen belangrijk zorg te dragen voor:
- het doelmatig gebruik van innoverende, electronische gegevensverwerking.
3.2.7 Consequenties voor de thuiszorgmarkt
De compartimentering leidt ertoe dat binnen de thuiszorginstellingen verschillende vormen van bedrijfsvoering nodig zijn. Ieder compartiment noodzaakt de
zorgaanbieder tot een verschil in prioriteitsstelling.
Binnen het eerste compartiment is sprake van een toenemende vraag, waaraan
met een ongeveer gelijkblijvend budget aan voldaan dient te worden. De regionale zorgverzekeraars zullen dan ook nog meer waarde gaan hechten aan doelmatigheid, verdeling van schaarste en wachtlijstbeheer. Zij zijn daarom een voorstander van nauwe horizontale en/of verticale samenwerking om dit te kunnen
bewerkstelligen.
In het tweede compartiment ligt voor de thuiszorg de nadruk op de samenwerking
met ziekenhuizen en huisartsen. De medisch-technologische ontwikkelingen
maken immers steeds meer substitutie mogelijk vanuit het ziekenhuis naar de
thuiszorg. Voor de kraamzorg ligt de nadruk op de samenwerking met verloskundigen, huisartsen en ziekenhuizen. Door de marktwerking in dit compartiment en
de risico's die de zorgverzekeraars lopen zal veel nadruk komen te liggen op een
goede prijs/kwaliteitverhouding.
In het derde compartiment ligt de grootste nadruk op prijs, commercie en particulier initiatief. Afhankelijk van dit initiatief zijn binnen dit compartiment in principe
de meeste mogelijkheden aanwezig voor omzetgroei.
De cliënten van thuiszorg zullen in het tweede en derde compartiment een steeds
belangrijkere rol gaan spelen. Zij kunnen immers steeds meer invloed uitoefenen
op de gewenste productdifferentiatie. Bovendien zijn ze mondiger geworden,
durven dus meer eisen te stellen aan de zorg en krijgen meer medezeggenschap.
Aan de vraagzijde betekent dit samengevat voor thuiszorgaanbieders:
- het realiseren van een goede prijs/kwaliteitverhouding;
- tevreden cliënten hebben en voldoende cliënten verwerven;
- dat zij financieel gezond dienen te zijn;
- zorgen dat medewerkers tevreden zijn;
- doelmatig gebruik maken van innoverende, electronische gegevensverwerking.
De genoemde ontwikkelingen voor de aanbodkant van de thuiszorginstellingen
komen hoofdzakelijk voort uit het ontstaan van concurrentie. Aan de ene kant door
het oprichten van particuliere bureaus en aan de andere kant door de oprichting
van verticale en horizontale allianties.
Aan de aanbodzijde betekent dit samengevat voor thuiszorgaanbieders:
- zorgen dat de ondernemingsrisico's gespreid worden;
- een optimale productie leveren;
- marktleiderschap te verwerven;
- maatschappelijk ondernemerschap voeren.
3.3 Bedrijfstakanalyse
3.3.1 Inleiding
In deze paragraaf zal de analyse van de bedrijfstak thuiszorg kort worden uitgewerkt aan de hand van een analyse-model van Porter. Met behulp van dit model
kan de winstgevendheid en felheid van concurrentie binnen een bedrijfstak
worden bepaald.
Allereerst zal een theoretisch kader worden geschetst waarin concurrentiekrachten
en soorten concurrenten worden toegelicht. Vervolgens zal een vertaalslag
worden gemaakt naar de sector toe.
3.3.2 Begripsverheldering
Het analyse-model van Porter (zie figuur 1) is zeer bruikbaar voor de analyse van
de bedrijfstak thuiszorg. Het model is ontwikkeld om inzicht te krijgen in de omgevingsinvloeden die de verschillen tussen de inkomsten en de uitgaven (marges)
van een bedrijfstak bepalen. Porter onderkent in zijn model vijf concurrentiekrachten. Deze concurrentiekrachten zijn in elke bedrijfstak verenigd en bepalen
de winstgevendheid en mate van concurrentie binnen de bedrijfstak.
De concurrentiekrachten worden vertaald naar drie soorten concurrenten: interne
concurrentie, potentiële concurrentie en externe concurrentie.
Figuur 1 De vijf concurrentiekrachten die de winstgevendheid van de bedrijfstak bepalen (Porter, 1987)
De vijf krachten bepalen de winstgevendheid van de bedrijfstak omdat ze de
prijzen, kosten en benodigde investeringen van bedrijven beïnvloeden. Volgens
het model kan een winstmarge verdwijnen door onderlinge concurrentiestrijd of
afvloeien naar leveranciers, kopers, nieuwe toetreders en substituten. Of dit
daadwerkelijk gebeurt, wordt bepaald door de kenmerken van de bedrijfstakstructuur (zie paragraaf 3.3.3). De kenmerken die de structuur van de bedrijfstak
beïnvloeden zijn daarom de belangrijkste voor het bepalen van de strategie.
Meestal is de bedrijfstakstructuur relatief stabiel maar deze kan in de tijd veranderen zodra de bedrijfstak zich ontwikkelt.
Als de concurrentiekrachten en de structuur bepalend zouden zijn voor de
kenmerken van een bedrijfstak, dan zou een concurrentiestrategie in hoge mate
berusten op het kiezen van de juiste bedrijfstak en het beter dan de concurrenten
begrijpen van de vijf krachten. Maar een bedrijf is gewoonlijk geen gevangene van
zijn bedrijfstakstructuur, omdat door middel van het kiezen van de juiste strategieën het bedrijf de vijf krachten kan beïnvloeden. Strategieën die de bedrijfstakstructuur veranderen, kunnen een tweesnijdend zwaard zijn, omdat een bedrijf de
structuur en de winstgevendheid van de bedrijfstak even gemakkelijk kan vernietigen als verbeteren. Zo kan bijvoorbeeld een nieuw productontwerp dat de
toetredingsbarrières ondergraaft of de wisselvalligheid in de rivaliteit verhoogt, de
winstgevendheid op lange termijn ondermijnen, hoewel de initiatiefnemer tijdelijk
hogere winsten kan genieten.
Vaak maken bedrijven strategische keuzen zonder de gevolgen op lange termijn
voor de bedrijfstakstructuur in aanmerking te nemen. Een maatregel wordt als
succesvol beschouwd als dit een versterking van de concurrentiepositie tot
gevolg heeft. Vaak wordt echter niet geanticipeerd op de reactie van concurrenten
hierop. Het risico is namelijk dat de voornaamste concurrent deze maatregel gaat
nabootsen en dat dit de ondergang van de bedrijfsstructuur tot gevolg heeft.
Het vermogen van bedrijven om de bedrijfstakstructuur te vormen betekent een
speciale belasting voor de (markt)leiders van de bedrijfstak. Acties van de (markt)
leiders kunnen een onevenredige uitwerking op de structuur hebben vanwege
hun grootte en invloed op kopers, leveranciers en andere concurrenten. Tevens
garandeert het grote marktaandeel van de (markt)leiders dat alles wat de totale bedrijfstakstructuur verandert, ook hen zal treffen. Een marktleider moet daarom
constant zijn eigen concurrentiepositie afwegen tegen de gezondheid van de
bedrijfstak als geheel. Vaak zijn (markt)leiders beter af met het ondernemen van
acties om de bedrijfstakstructuur te verbeteren of te beschermen dan met het
zoeken naar een groter concurrentievoordeel voor henzelf.
3.3.3 Kenmerken van de bedrijfstakstructuur
Onderstaand worden de kenmerken van de bedrijfstakstructuur kort toegelicht.
Bedreiging door bedrijfstakconcurrenten: onderlinge rivaliteit / het evenwicht in de markt (interne concurrentie)
De felheid van de interne concurrentie wordt bepaald door de structurele kenmerken van de bedrijfstak en de gedragskenmerken van de onderneming.
De belangrijkste structurele kenmerken zijn: concentratiegraad, mate van productdifferentiatie, groei van de vraag, conjunctuurgevoeligheid en kostenstructuur, omvang van investeringen in capaciteitsaanpassingen, mate van overcapaciteit en toetredingsdrempels. De belangrijkste gedragskenmerken van ondernemingen zijn samenwerkingsbereidheid en mate van onzekerheid.
Bedreiging door nieuwe toetreders (potentiële concurrentie)
De mate waarin nieuwe toetreders bedreigend zijn voor de bedrijfstak wordt voor
een deel bepaald door de aanwezigheid of afwezigheid van toetredingsbelemmeringen. Belemmeringen zijn bijvoorbeeld de aanwezigheid bij huidige aanbieders
van schaalvoordelen en ervaringsvoordelen.
Bedreiging door substituten (potentiële concurrentie)
De winstmogelijkheden in de bedrijfstak worden begrensd door de maximale prijs
die afnemers bereid zijn te betalen. De hoogte van deze maximale prijs hangt
samen met de beschikbaarheid van substituutproducten. Als er geen substituutproducten beschikbaar zijn of als de overstap naar een substituut hoge kosten met
zich meebrengt, zijn afnemers eerder bereid om hogere prijzen te betalen.
Onderhandelingskracht van afnemers, de macht van zorgverzekeraars en
cliënten (kopers, externe concurrentie)
De onderhandelingskracht van afnemers is afhankelijk van:
- de concentratiegraad van de afnemers;
- de dreiging met achterwaartse verticale integratie;
- de mate van productdifferentiatie;
- het belang van het product van de afnemer.
De onderhandelingskracht is groot bij de aanwezigheid van: een hoge
concentratiegraad, een grote dreiging van achterwaartse verticale integratie, een geringe productdifferentiatie en een gering belang van het product.
Onderhandelingskracht van verwijzers cliënten en medewerkers
arbeid (leveranciers)
| Bedrijfstakconcurrentie / onderlinge rivaliteit | |
| Omvang van de groei | |
| Aanwezigheid van marktleiders | |
| Potentiële toetreders | |
| Relatieve schaalvoordelen van thuiszorg | |
| Investeringskapitaal | |
| Toegang tot distributiekanalen | |
| Bezit van "learning" curve | |
| Tegenmaatregelen | |
| Overheidsmaatregelen | |
| Merk-identiteit | |
| Substituutproducten | |
| Aanwezigheid van alternatieve producten | |
| Belang voor de cliënt: afweging van alternatieven t.o.v. de kosten | |
| Mogelijkheden voor zelfzorg | |
| Onderhandelingskracht afnemers / kopers (zorgverzekeraars en cliënten) | |
| Concentratie van kopers (zorgverzekeraars) met hoge koopkracht | |
| Keuzemogelijkheden van kopers (zorgverzekeraars) voor andere aanbieders | |
| Het belang van de thuiszorg voor de koper (zorgverzekeraar) | |
| Overstapkosten | |
| Een concentratie van cliënten | |
| Belang van de koper (zorgverzekeraar) | |
| Onderhandelingskracht leveranciers / verwijzers | |
| Invloed van verwijzers | |
| Onderhandelingspositie van de medewerkers | |
Schema 1: Concurrentievoor- en nadelen (SMOG studenten, 1996)
Concurrentiepositie thuiszorg
Uit bovenstaande resultaten blijkt dat de thuiszorgsector de komende jaren zal
worden gekenmerkt door een toenemende concurrentie.
De markt van de thuiszorgsector is een groeimarkt. De gevestigde aanbieders
kunnen hun huidige marktaandeel, het marketing-instrument van de ledenorganisatie en het bezit van hun "learning" curve ten volle benutten om ook in de
toekomst een goede positie in te nemen.
De resultaten uit de bedrijfstak-analyse duiden op een ontwikkeling van een
netwerkscenario binnen de regio in de vorm van zowel horizontale als verticale
samenwerking.
De thuiszorg ziet zich geplaatst voor de uitdaging van een professionele, cliëntgerichte benadering te paren aan een economische invalshoek. Dit betekent zorgdragen voor een optimale benutting en effectieve toedeling van de beschikbare, gelimiteerde hoeveelheid middelen.
De omvang van het beschikbare budget en het inkoopgedrag van de zorgverzekeraars, en de beheersing van de arbeidsmarkt, zullen in de komende jaren in
sterke mate bepalen of en hoe de potentiële concurrentiekrachten benut worden
om sociaal verantwoord en doelmatig te produceren binnen de sector thuiszorg
(Hartemink, 1993).
In bijlage 4 is de thuiszorgmarkt met zijn concurrentiekrachten nog eens schematisch weergegeven.
3.3.5 Product/marktcombinaties thuiszorg
Na de bedrijfstakanalyse is het in kaart brengen van de product/marktcombinaties
van de thuiszorg een volgende stap naar een samenhangend beleid van een
organisatie (Boonekamp, 1993).
Door middel van de benoeming van de product/marktcombinaties worden de
kernactiviteiten van de organisatie en het onderscheidend vermogen ten opzichte
van andere aanbieders duidelijk.
In het schema in bijlage 5 worden de product/marktcombinaties van de thuiszorg
in kaart gebracht.
Ten behoeve van de marketing/verkoopfunctie is het van belang om binnen de
doelgroep van de thuiszorg onderscheid te maken tussen: vragers, betalers,
beslissers en bestellers.
Vragers
De vragers zijn te verdelen in geïndiceerden en niet-geïndiceerden. Het verschil zit
in het feit dat de niet-geïndiceerden zelf de zorg betalen, zij vertalen zelf de
behoeften in een vraag. De geïndiceerden maken aanspraak op verzekerde zorg
vanuit het eerste en tweede compartiment, waarbij de vertaling van de behoefte in
een vraag tot stand is gekomen met behulp van een indicatie.
Betalers
Dit zijn enerzijds de zorgkantoren en zorgverzekeraars die verantwoordelijk zijn
voor het beheer van AWBZ-premies en ziektekostenpremies. Anderzijds zijn het
de particulieren die de zorg zelf betalen.
Beslissers
De beslissers nemen constituerende beslissingen (beslissingen die kaders
scheppen voor dirigerende beslissingen) en dirigerende beslissingen (beslissingen over feitelijke bestellingen).
Constituerende beslissingen worden genomen door de:
- overheid die de samenstelling van het pakket en de geldige periode
bepaalt voor het eerste en tweede compartiment en tevens de maximumtarieven voor het eerste compartiment;
- zorgverzekeraars die de polisvoorwaarden, samenstelling, omvang en de
indicatiestelling bepalen.
Dirigerende beslissingen worden genomen door de:
- overheid die de toegang van aanbieders tot de markt bepaalt;
- zorgverzekeraars die bepalen bij welke aanbieders wordt ingekocht en tegen welke condities;
- intakers die de samenstelling en hoeveelheid van het aanbod én de hoogte
van het PGB bepalen;
- particulieren.
Bestellers
Dit zijn de intakers, cliënten met een PGB-indicatie en particulieren.
De verschillende product/marktcombinaties die op dit moment in de thuiszorg
kunnen worden onderscheiden zijn per 'combinatie' aan verschillende factoren
onderhevig. Er kan derhalve onderscheid worden aangebracht per combinatie.
Sommige product/marktcombinaties lenen zich uitgesproken voor horizontale
integratie, andere meer uitgesproken voor verticale integratie. Als voorbeeld
wordt een beperkt aantal product/marktcombinaties hiernavolgend behandeld:
- Op grotere schaal ontstaan voordelen door meer hoogwaardige ondersteuning en systeembenutting. Bijvoorbeeld voor de producten
huishoudelijke dienstverlening en kraamzorg. Relatief zelfstandige eenheden kunnen dan gebruik maken van meer verfijnde en meer toegespitste
ondersteuning zoals de zorgcentrale, inhoudelijke ontwikkeling en verdieping, scholing e.d. In de lokale gemeenschappen heeft de huishoudelijke
dienstverlening veel overeenkomsten en raakvlakken met de verzorgingshuizen of woon-zorg-combinaties. Verticale integratie zal gezien de
realisatie van een zorgcontinuüm, flexibilisering, lokale herkenbaarheid en
vanuit het oogpunt van jobrotation, voordelen hebben.
- Met name voor de aanvullende en meer specifieke producten wordt naar
een meer optimale en dus grotere schaal gezocht. Vaak wordt hier voor
horizontale integratie gekozen. Het betreft de producten: ouder- en kindzorg, kraamzorg en 7 x 24-uurs bereikbaarheid. Ook wordt door middel
van horizontale integratie soms een grotere schaal gekozen voor hulpmiddelen, ledenservice, personenalarmering, maaltijdvoorziening, gespecialiseerde gezinsverzorging en bemiddeling alphahulp.
3.4 Strategische opties
3.4.1 Inleiding
De bedrijfstakanalyse leidt tot een aantal strategische motieven op basis waarvan
een keuze uit een aantal strategische opties kan worden gemaakt. De strategische
opties zijn volgens Johnson & Scholes te onderscheiden in drie generieke strategieën om een boven-gemiddelde prestatie in een bedrijfstak te bereiken, te weten:
kostenleiderschap, differentiatie en focus. Middels deze zogenaamde strategische
opties kan een link worden gelegd naar keuzen voor horizontale en verticale
samenwerkingsopties.
Alvorens in deze paragraaf nader wordt ingegaan op het begrip strategische
opties zal allereerst een aantal termen rondom het begrip strategie worden
toegelicht.
3.4.2 Begripsbepaling
"Strategie" is te definiëren als het geheel van gecoördineerde beslissingen die
aangeven welke doelstellingen de onderneming op lange en middellange termijn
wil bereiken, met inachtneming van de middelen waarmee, van de wegen waarlangs en van de tijdstippen waarop (Ansoff, 1973).
Onder "strategisch management" wordt verstaan: het zorgdragen voor de ontwikkeling en de vaststelling van de doelstellingen van de instelling en het in hoofdlijnen aangeven en uitvoeren van de wegen waarlangs en de middelen waarmee de
doelstellingen bereikt dienen te worden (Ansoff, 1973).
"Strategisch beleid" is gericht op het behouden en/of bevorderen van de levensvatbaarheid en de positie van een organisatie in haar omgeving (Myers, 1970).
Met name op het terrein van de markttaken is strategisch beleid belangrijk omdat
organisaties binnen de zorgsector niet terug kunnen vallen op een wettelijke
waarborg en continuïteit niet vanzelfsprekend is.
"Strategische plannen" vormen vaak een antwoord op vraagstukken voor
organisaties om te kunnen functioneren in een dynamischer wordende omgeving
en oplossingen te zoeken voor de externe organisatieproblemen op de langere
termijn vooral ten aanzien van product/marktcombinaties.
Dit betekent bij de formulering van de strategische plannen dat:
- waarneming van de omgeving moet plaatsvinden;
- veranderingen en aanpassingen van de relaties met de omgeving moeten
kunnen plaatsvinden;
- aanpassingen van organisatiestructuur en bedrijfsprocessen moeten
kunnen plaatsvinden.
In de gezondheidszorg is de doelstelling niet primair financieel, maar maatschappelijk van aard: het gaat om maatschappelijke winst in termen van (verbetering
van) de gezondheidsstatus van de bevolking. De strategische plannen richten zich
primair op het vergaren van het vergroten van de marges welke door de organisaties aangewend worden om de continuïteit en het innoverend vermogen van de
dienstverlening veilig te stellen.
3.4.3 Strategische motieven
In het kader van de te voeren strategie moet een goed onderscheid worden
gemaakt naar keuzen die te maken hebben met strategische motieven en met
operationele motieven.
Strategische motieven zijn redenen om te komen tot strategische opties en
strategische keuzen die in het algemeen ingegeven worden door ontwikkelingen
van buitenaf zoals externe marktontwikkelingen. Deze zijn weergegeven in de
analyse van de omgeving, die heeft plaatsgevonden door middel van de PEST-analyse (paragraaf 3.2).
Operationele motieven worden in het algemeen ingegeven op het niveau van het
product en de kwaliteit daarvan. Binnen de gezondheidszorg zijn het bijvoorbeeld
de vraagstukken van zorgcoördinatie en ontwikkeling van producten (Rogier en
Huijsman, 1996).
Thuiszorginstellingen hebben als gevolg van de externe marktontwikkelingen
voor de komende jaren als strategische motieven:
- goede prijs/kwaliteitverhouding;
- tevreden cliënten hebben en verwerven in verband met de bedrijfscontinuïteit en de budgetgarantie afbouwregeling;
- financieel gezond zijn (solvabiliteit) in verband met de bedrijfscontinuïteit
en de budgetgarantie afbouwregeling;
- spreiding van ondernemingsrisico's ter aanwending van het maximale gebruik van zorgsubsidies in samenwerking met samenwerkende partners;
- optimale productie leveren ter maximalisering van het zorgaanbod
(omzetmaximalisatie);
- marktleiderschap verwerven met verschillende uitgangspunten in de
verschillende compartimenten om de bedrijfscontinuïteit te verzekeren;
- tevreden medewerkers hebben om optimale kwaliteit te leveren en de
positie naar de arbeidsmarkt veilig te stellen;
- maatschappelijk ondernemerschap voeren om binnen de context van de
maatschappelijke verantwoordelijkheid te kunnen blijven werken;
- doelmatig gebruik maken van innoverende, electronische gegevensverwerking, waaronder automatisering en telecommunicatie.
|
GENERIEKE STRATEGISCHE
- Prijs- georiënteerd - Differentiaties - Concentreren |
- Terugtrekken - Consolideren - Markt penetratie - Product- ontwikkeling - Markt- ontwikkeling - Diversificatie |
- Interne ontwikkeling - Acquisitie / overname - Gezamenlijke krachten bundelen/ allianties afsluiten |
Schema 2: Strategische opties (Johnson en Scholes)
In het model wordt een drietal generieke strategische opties genoemd, te weten:
- een prijsgeoriënteerde strategie;
- een differentiatiestrategie;
- een concentratiestrategie.
De keuze uit deze generieke strategische opties is bepalend voor de
specifieke strategische opties van een organisatie. In bovenstaand schema
zijn de specifieke strategische opties beschreven onder de richtingen en de
methoden.
Voor instellingen als thuiszorg is de waarde van het bovenstaande model,
dat de basiskeuze voor de generieke strategie met de daaraan verbonden
richtingen en methoden gericht kan worden op het behouden van de
kwaliteit van de producten binnen overeengekomen budgetten.
Concurrentievoordeel
| Verlagen van Kosten | Differentiëren | ||
|
Concurrentie- gebied |
Brede
Doelstelling |
1.
Kostenleiderschap |
2.
Differentiatie |
| Smalle
Doelstelling |
3a.
Kosten- gerichtheid Kostenfocus |
3b.
Differentiatiefocus |
Schema 3: De generieke strategie (Johnson en Scholes, 1993)
Het bovenstaande model is een uitwerking van de generieke strategie en een hulpmiddel om de verschillende strategieën nader te beschouwen.
De fundamentele basis van een prestatie op lange termijn is een houdbaar
concurrentievoordeel. Hoewel een organisatie een veelheid aan sterke en zwakke
punten ten opzichte van zijn concurrenten kan hebben, zijn er twee basistypen
concurrentievoordeel die een organisatie kan hebben: lage kosten of differentiatie
(De Roo, 1996). Vanuit deze twee basistypen kunnen drie generieke strategieën
onderscheiden worden om een concurrentievoordeel binnen een bedrijfstak te
bereiken: kostenleiderschap, differentiatie en focus. De focusstrategie heeft twee
varianten: kostenfocus en differentiatiefocus.
Elk van de generieke strategische opties houdt een fundamenteel andere route
naar concurrentievoordeel in. De keuze van de route dient gecombineerd te
worden met het bereiken van het strategische doel waarbinnen het concurrentievoordeel behaald moet worden.
Strategische opties richten zich op de positie van de onderneming op de markt.
De positie kan bepaald worden door de prijs en de mate van differentiatie, met
name gerelateerd aan de kwaliteitsaspecten en de breedte van het aanbod.
Kostenleiderschap
Kostenleiderschap betekent niet de laagste kosten op korte termijn maar een
duurzaam concurrentievoordeel door op lange termijn voordeliger te produceren
en tevens ervoor te zorgen dat de cliënt het product ervaart als beter dan dat van
de concurrent.
Strategieën die zich richten op kostenreductie kunnen succesvol zijn in marktsegmenten waarbinnen voldoende consumenten zijn die zich geen hogere prijs
kunnen of willen permitteren. Voorwaarde hierbij is dat organisaties lage kosten
hebben en bereid zijn op prijs te blijven concurreren, zodat ze erin slagen om op
lange termijn lage prijzen te handhaven.
Een strategie gericht op kostenreductie kan ertoe leiden dat organisaties die geen
kostenleiderschap hebben en toch op prijs blijven concurreren geen investeringen
meer kunnen doen in ontwikkeling en innovatie (Johnson & Scholes, 1993).
De thuiszorg probeert voor verpleging en verzorging een lagere kostprijs te
hebben op het integrale product verpleging en verzorging dan de huidige kostprijs. Hierbij moet worden aangetekend dat het bereiken van de laagste kostprijs
geen doel op zichzelf is.
Het integrale product verpleging en verzorging biedt een kwaliteitsverhogende
waarde voor de cliënt ten opzichte van de concurrenten. Te denken valt aan o.a.
zorgcoördinatie. Een nieuwe ontwikkeling is dat men kiest voor een strategie
waarin zorgblokken zich onderscheiden van ambulante zorg met de daarbij vast
te stellen tarieven. Bij ambulante zorg wordt bijvoorbeeld ook gekeken naar
voorrijkosten. De regionale zorgverzekeraar zal met name kiezen voor een juiste
prijs/kwaliteitverhouding in het eerste compartiment en continuïteit inclusief
netwerken met huisartsen - op basis van een bepaalde samenhang binnen
regionale gebieden.
Differentiatie
Differentiatie kan leiden tot het vermogen van een organisatie om een hogere prijs
te vragen vanwege een beter product (Porter, 1995). De mogelijkheid om een
gelijke prijs te vragen voor het betere product en zo meer marktaandeel te
verwerven en meer omzet te maken moet hierbij niet uitgesloten worden (Johnson & Scholes, 1993).
Strategieën die zich richten op differentiatie, richten zich op een hoge toegevoegde waarde ten opzichte van de concurrentie tegen een gelijke of iets hogere
prijs. Hierbij wordt voor een belangrijke mate uitgegaan van de kracht van de
naam van het product (het merk) en de uniciteit en verbetering van het product.
Bij de keuze voor een differentiatiestrategie waarbij uitgegaan wordt van wat
cliënten, gebruikers en overige relaties van de organisatie beschouwen als
toegevoegde waarde, kan een blijvend concurrentievoordeel ontstaan zolang het
besef daar is dat de smaak van de cliënt verandert en dat de concurrentie kan
imiteren (Johnson & Scholes, 1993).
Binnen de thuiszorg lijkt het erop dat een differentiatiestrategie kan worden
gecombineerd met een lage prijs. Als bijvoorbeeld uitgegaan wordt van een
kostprijs per cliëntsituatie en niet van een kostprijs per uur, dan is de totaaltijd
die de traditionele thuiszorg per cliënt besteedt kort in vergelijking met de
concurrenten. Deze stelling is onlangs bewezen door een zorgverzekeraar
(Zilveren Kruis). Deze zorgverzekeraar heeft voor aanvullende thuiszorg (een
differentiatieproduct) de "schadelast" per verzekerde geïnventariseerd. De
uurtarieven van de traditionele thuiszorg waren 10% hoger dan van de concurrent. De "schadelast" per verzekerde was echter 10% lager omdat de traditionele
thuiszorg minder tijd nodig had voor hetzelfde resultaat.
Focus
Focus wordt gezien als het vermogen van een organisatie om een substantieel relatief marktvoordeel te behalen en te behouden door het bereiken van kostenleiderschap gebaseerd op een kostenreductiestrategie. Dat wil dus zeggen dat de prijzen lager zijn dan de prijzen van concurrenten.
Binnen een kostenreductiestrategie kan worden gekozen voor hoge investeringen
in research en development of in marketing. Het marktvoordeel kan dan bereikt
worden in termen van efficiency en effectiviteit die door afnemers gezien worden
als voordeliger dan bij de concurrent op basis van prijs/kwaliteitverhouding.
Strategieën die zich richten op focus, richten zich dus op een kostenreductie en
kostenbeheersing. Hierbij wordt in belangrijke mate uitgegaan van de economische benadering en de kracht van de marktwerking ten opzichte van de concurrenten (Johnson en Scholes, 1993).
Op het niveau van de marktwerking binnen de thuiszorg wordt de huidige
periode voor de traditionele thuiszorg gekenmerkt door een teruggangsfase
(Rogier en Huijsman, 1996) (zie ook paragraaf 3.6.4). De instellingen snijden
intern en spreken de financiële reserves aan onder andere bij het wegwerken van
hun wachtlijsten in het eerste compartiment. Bij het ontwikkelen van strategische
opties wordt thans uitgegaan van de hiernaast aangeduide eenheid. Binnen
thuiszorg wordt gezocht naar opties die gericht zijn op èn continuïteit van de
organisatie èn tevreden cliënten èn tevreden medewerkers.
3.4.5 Ontwikkelingsrichting van de strategie
In onderstaand schema staat een aantal strategische richtingen waarvoor een
organisatie kan kiezen gebaseerd op product/marktcombinaties. Het betreffen hier
opties die uitgaan van de veronderstelling dat in de omgeving van een organisatie
kansen liggen op het terrein van groei en waarbij organisaties in de gelegenheid
zijn van deze kansen gebruik te maken.
| Huidig product | Nieuw product | ||
| Huidige markt | Terugtrekken
Consolideren Marktpenetratie |
Productontwikkeling | |
| Nieuwe
markt |
Marktontwikkeling | Diversificatie | |
| Gerelateerde
diversificatie: - verticaal - horizontaal
|
Geen
gerelateerde diversificatie: - financiële middelen - risico - etc. | ||
Schema 4: Strategische opties (Porter, 1987)
Huidige markt / huidig product
De optie terugtrekken is een optie die vaak genegeerd wordt, desalniettemin kan
in veel situaties sprake zijn van een zinvol terugtrekken.
De optie consolideren impliceert dat veranderingen worden aangebracht in de
wijze waarop de organisatie functioneert alhoewel het aantal producten en
markten niet veranderd wordt.
De optie marktpenetratie impliceert dat op basis van kansen in de huidige markt,
welke groeiend is, het marktaandeel vergroot kan worden.
Nieuwe markt / huidig product
De optie marktontwikkeling impliceert dat de organisatie de zekerheid van zijn
huidige producten handhaaft, terwijl op zoek wordt gegaan naar nieuwe markten
of marktsegmenten.
Huidige markt / nieuw product
De optie productontwikkeling impliceert dat de organisatie zoekt naar alternatieven welke gebaseerd worden op de in de organisatie aanwezige kennis en
bekwaamheden in de veiligheid van de bestaande markt. Overigens gaan de optie
marktontwikkeling en productontwikkeling vaak hand in hand, aangezien de
beweging naar een nieuwe markt vaak ontwikkelingen of varianten op het productaanbod vraagt.
Nieuwe markt / nieuw product
De optie diversificatie impliceert dat de ontwikkelingsrichting van de organisatie gelijktijdig afgaat van de bestaande producten en de bestaande markten. Diversificatie kan worden verdeeld in twee typeringen:
- Gerelateerde diversificatie
Ontwikkelingen naar andere producten en markten, op een horizontale of verticale manier, binnen de bedrijfstak waarin wordt geopereerd.
Bij de verticale manier zijn de achterwaartse en de voorwaartse manier te onderscheiden. Bij de achterwaartse manier (nieuw product bij de huidige markt) kiest de organisatie voor een ontwikkelrichting op basis van de input van de organisatie. Bij de voorwaartse manier (nieuw product, nieuwe markt) kiest de organisatie voor een ontwikkelingsrichting op basis van de output van de organisatie.
Bij de horizontale manier kiest een organisatie voor een ontwikkeling naar activiteiten welke concurrerend zijn met of aanvullend zijn op (complementair) de bestaande activiteiten.
- Niet gerelateerde diversificatie
Ontwikkelingen naar andere producten en markten die ook buiten de
bedrijfstak kunnen plaatsvinden.
Voor thuiszorginstellingen zal de ontwikkelrichting voor strategische opties zich
voornamelijk richten op het vraagstuk hoe de gelimiteerde middelen het best
kunnen worden aangewend aangezien de vraag groter is dan het aanbod in het
eerste en tweede compartiment. Het betreft hier duidelijk een schaarste-model.
De ontwikkelrichting binnen deze omstandigheden kan worden gedomineerd
door de middelen capaciteit of door de verwachtingen van krachtige relaties van
een organisatie. Om deze redenen moet worden vastgesteld dat op grond van
het onderstaand schema de ontwikkelrichtingen van de strategische opties van
de thuiszorg in de thuiszorgmarkt niet zo zeer gericht zijn op groei-mogelijkheden
maar op consolidatie en efficiency. Daarnaast richt de thuiszorg zich op marktontwikkeling ten aanzien van psychiatrie, verstandelijk gehandicapten, WBO-markt, aanvullende verzekeringen en pensioenen èn transmurale zorg.
3.5 Stakeholders
3.5.1 Inleiding
In de voorgaande paragrafen is achtereenvolgens een analyse van de omgeving
en van de bedrijfstak thuiszorg kort uitgewerkt. Vervolgens is een uitwerking
gegeven van de strategische opties. In deze paragraaf wordt een theoretisch kader
geschetst met betrekking tot strategisch stakeholders-management binnen het
strategisch netwerk.
De gezondheidszorg en daarbinnen ook de thuiszorg is als sector een complex
netwerk van afhankelijkheidsrelaties. Vanuit het netwerkconcept is de organisatie
een actor binnen een groter geheel van actoren die onderling van elkaar afhankelijk zijn (interdependentie).
De strategieën van de instellingen zijn dus gericht op het creëren van een zo groot
mogelijke beleidsvrijheid ten aanzien van zoveel mogelijk verbindingen met het
netwerk. Dankzij de onderlinge verknoping van de netwerkrelaties werkt beïnvloeding van de ene relatie door op de overige relaties binnen het netwerk.
Dit zijn relaties met cliënten/afnemers, financiers/zorgverzekeraars, leveranciers en
andere zorgaanbieders (waaronder ook verwijzers) (Boonekamp, 1993/1994).
Binnen zo'n netwerk is het van belang wie de situatie definieert omdat de desbetreffende organisatie een stempel kan drukken op de besluitvorming. Zo is
bijvoorbeeld van belang welke partij iets als een probleem of juist als een kans
beoordeelt. Dit houdt in dat de relatie met de andere partijen gemanaged moet
worden.
Strategisch stakeholders-management is noodzakelijk voor het realiseren van het
geformuleerde strategische beleid en de vastgestelde strategische opties. Daarmee wordt voorkomen dat topmanagers op enig moment moeten constateren dat
het oorspronkelijk strategisch beleid is losgelaten.
3.5.2 Begripsverheldering
Onder strategisch stakeholders-management wordt verstaan het systematisch
werken aan relaties, parallel aan de strategie van de organisatie (Boonekamp,
1996).
Stakeholders zijn in- en externe relaties in de vorm van individuen, groepen of
organisaties die van belang zijn voor c.q. belang hebben bij het functioneren van
de organisatie. Het stakeholdersweb is het netwerk van afhankelijkheidsrelaties
(zie bijlage 6).
Deze stakeholders zijn zowel subject, dat wil zeggen medebepalend voor de
organisatiestrategie als object, dat wil zeggen voorwerp van de organisatiestrategie (Boonekamp, 1996).
Bij het uitvoeren van strategisch stakeholders-management is het allereerst
belangrijk om te kunnen balanceren temidden van verwachtingen, belangen en
claims van uiteenlopende stakeholders. Daarnaast is het van belang zorg te
dragen voor relaties tussen meerdere mensen op verschillende niveaus, zodat
meer kanalen voor informatie, meer gedragsalternatieven en vervolgens een
grotere manoeuvreerruimte ontstaan. Tenslotte moet omgegaan kunnen worden
met zowel "win-win" als "win-lose" situaties (Boonekamp, 1996).
3.5.3 Wijze van realisatie van strategisch stakeholders-management
Om te komen tot strategisch stakeholders-management is het nodig de volgende
stappen te ondernemen:
1. Stakeholdersanalyse;
2. Omschrijven "contributions" en "inducements";
3. Ontwikkelen van strategieën ten aanzien van stakeholders.
ad 1. Stakeholdersanalyse
Hierin zijn de volgende fasen te onderscheiden:
- Identificeren van de stakeholders;
- Ontdekken van de "sleutel-stakeholders";
- Machtsbronnen in kaart brengen per stakeholder;
- Machtsbalans onderzoeken;
- Diagnose van 'sleutel-stakeholders'.
Voor de thuiszorginstellingen is een gericht en actueel strategisch stakeholders-management van belang. Niet alleen bedacht en ingezet door de top, maar ook
geïmplementeerd en uitgevoerd door het eigen management en overige medewerkers.
Een voorwaarde hiervoor is een gestructureerde en gerichte communicatie met
staf en lijn om de strategische opties, het strategisch beleid, te bespreken en zo
nodig te herbevestigen of bij te stellen. Zonder deze randvoorwaarde is strategisch stakeholders-management niet mogelijk en ontvangen de stakeholders
onduidelijke of tegenstrijdige signalen.
Juist ook bij een verdergaande horizontale en/of verticale samenwerking is het
managen van de interne stakeholders noodzaak. Tevens moeten de interne
stakeholders een bijdrage leveren aan de continue stakeholdersanalyse.
Wanneer alle organisatie-stakeholders op deze wijze zijn geïdentificeerd en de
machtsbronnen in kaart zijn gebracht kan de machtsbalans in het kader van
eventuele horizontale en verticale samenwerking worden onderzocht en kan de
stakeholdersdiagnose (zie bijlage 7) worden opgemaakt met betrekking tot de
"sleutel-stakeholders", dus dié organisaties die een potentiële bron van dreiging
vormen of een potentiële bron van samenwerking.
Op basis van de twee dimensies - potentiële bedreiging en potentiële samenwerking - zijn stakeholders te rangschikken in vier categorieën.
| Potentieel van de stakeholder voor
bedreiging van de organisatie | |||
| hoog | laag | ||
| Potentieel stakeholder voor
samenwerking met de organisatie |
hoog | mixed-
blessing stakeholder |
ondersteunende
stakeholder |
| laag | niet ondersteunende
stakeholder |
marginale
stakeholder | |
Schema 5: Vier categorieën stakeholders (Boonekamp, 1996)
Deze stakeholders kunnen van de ene categorie naar de andere bewegen als
resultaat van wat de organisatie wel of niet doet, wat de stakeholder wel of niet
doet, over welke nieuwe informatie de organisatie beschikt, met welk issue de
organisatie en haar stakeholders bezig zijn.
De meest lastige categorie is die van de niet-ondersteunende stakeholder. Ze
scoren hoog op het potentieel van bedreiging en laag op het potentieel voor
samenwerking.
Voor thuiszorginstellingen zijn dit bijvoorbeeld wedijverende thuiszorginstellingen, wedijverende ziekenhuizen/verpleeg-verzorgingshuizen, de nieuwsmedia en
de vakbonden.
ad 2. Omschrijven van "contributions" en "inducements":
Hierbij gaat het om het in beeld krijgen van:
- de bijdragen (contributions) die vanuit de stakeholder tegemoet komen aan de behoefte van de organisatie;
- de middelen (inducements) die vanuit de organisatie tegemoet
komen aan de behoefte van de stakeholder (zie bijlage 8).
Een voorbeeld van een "contribution" is het benoemd worden als "preferred
provider" door de zorgverzekeraar. Een voorbeeld van een "inducement" is het
geven van een zorggarantie door de thuiszorgorganisatie aan de zorgverzekeraar.
ad 3. Ontwikkelen van strategieën ten aanzien van stakeholders:
- Ten aanzien van de belangen en verlangens van stakeholders bij specifieke kwesties
- Ten aanzien van:
- samenwerken;
- erbij betrekken;
- verdedigen;
- in de gaten houden.
Dit zijn de vier strategieën om de organisatie-stakeholders, die zich bevinden op
de verschillende niveaus van potentiële bedreiging tot potentiële samenwerking,
te managen.
Samenwerken
Samenwerken met mixed-blessing stakeholders. Door medewerkers hun potentieel voor samenwerking maximaal op deze groep te laten richten zullen deze
potentieel bedreigende stakeholders het moeilijker vinden de organisatie tegen te
werken. Bijvoorbeeld joint-ventures en dergelijke.
Erbij betrekken
De ondersteunende stakeholder erbij betrekken. Daardoor kan de ondersteuning maximaal worden benut.
Verdedigen
Verdedigen tegen niet-ondersteunende stakeholders. De defensieve strategie
probeert de afhankelijkheid te verminderen die de basis vormt van het belang van
die stakeholder voor de organisatie en houdt in dat de stakeholder weerhouden
wordt van het opleggen van kosten of andere "straf"maatregelen aan de organisatie. Defensieve strategieën kunnen dus ook juist anticiperend zijn.
In de gaten houden
Het monitoren van marginale stakeholders. De filosofie hierachter is het pro-actief
handhaven van de status quo.
Vervolgens is het van belang de 'sleutel-stakeholders' te managen door een goede
implementatie van de strategie. Dit kan door specifieke tactieken te ontwikkelen en
te realiseren per 'sleutel-stakeholder' per gekozen generieke strategie. Belangrijk
hierbij is wederom het managen van de interne stakeholders zodat er een consistent en intern coherent beeld blijft bestaan.
Na de interne stakeholdersanalyse per gedefinieerde situatie, bijvoorbeeld:
- schaalvergroting in de kraamzorg door horizontale samenwerking;
- schaalvergroting in de ouder- en kindzorg door horizontale samenwerking;
- schaalvergroting in de ouderen(thuis)zorg door horizontale en/of verticale samenwerking.
wordt het potentieel van de organisatie-stakeholders en de mogelijke generieke strategie per stakeholder vastgesteld.
Dit betekent voor de ouderenzorg bijvoorbeeld dat de top van de thuiszorgorganisatie vaststelt:
- met welke verpleeghuizen en verzorgingshuizen men wil samenwerken;
- welke tactieken men inzet om de zorgverzekeraar als ondersteuner te doen functioneren;
- hoe men zich zal gaan verdedigen tegen niet-ondersteunende stakeholders die wel op enigerlei wijze van belang zijn voor de thuiszorgorganisatie;
- hoe men omgaat met marginale partijen als kleinere, solistische verzorgingshuizen en/of verpleeghuizen.
Na de besluitvorming met betrekking tot de betrokken stakeholdersrelaties is het
van belang om de bestaande management-activiteiten conform het ingezette
strategisch stakeholders-management hun bijdrage te doen leveren (zie bijlage 9).
Heel belangrijk bijvoorbeeld is de PR, de communicatie over het doel en de wijze
van verticale en/of horizontale samenwerking en de gevolgen voor andere
relaties. Dit mede om draagvlak te verkrijgen bij cliënten, financiers en bevolking/overheden.
3.6 Samenwerkingsvormen
3.6.1 Inleiding
Wanneer de thuiszorginstelling op basis van het strategisch beleid en de gemaakte keuze voor bepaalde strategische opties heeft vastgesteld met welke samenwerkingspartners men in zee gaat, komt het ontwerp van de samenwerkingsstructuur aan de orde.
In deze paragraaf wordt naast een uiteenzetting van de verschillende samenwerkingsstructuren op basis van de theorie een relatie gelegd tussen de keuze voor
de samenwerkingsvorm gerelateerd aan de productlevencyclus.
3.6.2 Coördinatiemechanismen
Als verbindingsschakels tussen structuur en het gedrag van de markt zijn drie
coördinatiemechanismen te onderscheiden (Rogier en Huijsman, 1996):
Concurrentie
Concurrentie of rivaliteit staat voor het onderling concurrerende gedrag tussen
marktpartijen.
Collusie
Collusie of samenwerken staat voor een zekere mate van gedragsregulering
zonder dat de zelfstandigheid van organisaties in het geding komt. Dit zijn samenwerkingsvormen als coöperatie, kartel, joint-venture, consortium en franchising.
Concentratie
Concentratie of beheersing staat eveneens voor gedragsregulering, maar die gaat
zover dat de zelfstandigheid van een der partijen verloren gaat. Concentratie
manifesteert zich in verschillende vormen zoals deelneming via een absoluut of
relatief meerderheidsbelang in aandelenbezit van een andere onderneming,
volledige overname of fusie (Jong, 1985).
In de coördinatiemechanismen levert collusie een paradoxaal verschijnsel op: het
resultaat moet worden toegeschreven aan zowel de gezamenlijke activiteiten als
de afzonderlijke deelname van de organisaties binnen dat samenwerkingsverband. De wankele balans tussen autonomie en wederzijdse afhankelijkheid leidt
ertoe dat er voortdurend sprake is van een grote mate van instabiliteit.
Ook de andere coördinatiemechanismen kennen paradoxale tendensen. Concurrentie kan leiden tot een monopoliepositie van één van de partijen (concentratie).
Dit paradoxale karakter van de coördinatiemechanismen leidt tot een beweging
van de markt. Deze bewegingen betreffen zowel de horizontale relaties tussen
bedrijven in een markt als de verticale en diagonale relaties in en tussen bedrijfskolommen. Door deze bewegingen te verbinden aan bijvoorbeeld de productlevencyclus kunnen de bewegingen als horizontale en verticale concentratie mede
verklaard worden.
Verder in deze paragraaf worden de coördinatiemechanismen van collusie en
concentratie nader uitgewerkt en zal vervolgens een aantal voorbeelden gegeven
worden gerelateerd aan de productlevencyclus.
3.6.3 Ontwerp van de samenwerkingsstructuur
Bij het ontwerpen van de structuur is er onderscheid mogelijk tussen:
De bestuurlijk-juridische integratie
Bij bestuurlijk-juridische integratie gaat het om de mate waarin de samenwerkingspartners de verantwoordelijkheid voor bepaalde taken willen delen. Hierin
zijn te onderscheiden: strategische allianties en stelsels.
Een strategische alliantie is een samenwerking waarbij de partners hun verantwoordelijkheid voor de uit te voeren taken behouden; de partners blijven juridisch
zelfstandig.
Bij stelsels geven partners hun verantwoordelijkheid op door deze in te brengen in
een organisatie voor de samenwerking; de partners blijven juridisch niet zelfstandig.
In paragraaf 3.6.5 wordt de strategische alliantie horizontaal en verticaal verder
uitgewerkt.
De organisatorische integratie
Bij organisatorische integratie gaat het om de organisatorische niveaus ten
aanzien waarvan de partners verantwoordelijkheden willen delen.
De ruimtelijke integratie
Bij ruimtelijke integratie gaat het om de mate van concentratie van de huisvesting,
hier wordt niet verder op in gegaan binnen de kaders van deze scriptie.
Binnen de onderscheiden samenwerkingsstructuren is er sprake van toenemende
bindingsintensiteit (Sloot, 1995) (zie bijlage 10).
3.6.4 Productlevencyclus
Wanneer we nu de samenwerkingsvormen relateren aan de productlevencyclus
geeft dit één van de invalshoeken voor de keuze tot concentratie of integratie. De
ontwikkeling van de markt is te onderscheiden met vier marktfasen:
- de introductiefase;
- de expansiefase;
- de verzadigingsfase;
- de teruggangsfase of stagnatiefase.
Introductiefase
Deze fase start met een commerciële technische of organisatorische innovatie. Te
denken valt aan de thuiszorgwinkels, de ziekenhuisverplaatste thuiszorg.
Gezien de vaak optredende aanloopverliezen en de productietechnische, financierings, commerciële of organisatorische problemen zal de ondernemer mogelijk
verticale integratie toepassen. De marktpositie is veilig te stellen door aansluiting
te zoeken bij partners met een beter commercieel penetratievermogen.
Expansiefase
Deze fase breekt aan met een snelle groei van de afzet, bijvoorbeeld thuiszorg
door verzorgingshuizen of kraamzorg door particuliere bureaus.
In de beginnende expansiefase verwachten ondernemers op eigen kracht betere
resultaten dan bij integratie, bijvoorbeeld transmurale zorg door ziekenhuizen.
Er zijn in aanvang dan ook vaak vrij losse vormen van verbindingen, zoals joint
ventures of bestuurlijk zorgoverleg. In de gevorderde expansiefase kan het eigen
marktaandeel tenslotte alleen nog worden vergroot ten koste van anderen.
Verzadigingsfase
In deze fase groeit de markt vrijwel niet meer en naarmate deze fase verder
vordert ontstaan capaciteitsoverschotten. Kostenbeheersing wordt belangrijker.
Verdergaande standaardisatie van het product is relevant en reclame, verpakking,
vormgeving en verkoopfaciliteiten worden aangewend voor differentiatie. Deze
kosten nemen toe.
De verzadigde markt, geringe groei en afnemende winstmarges zorgen ervoor dat
kleinere bedrijven afsterven of juist groter worden door concentratie.
Horizontale concentratie, zoals bijvoorbeeld het Landelijk Transferpunt Thuiszorg,
ontstaat door behoefte aan aanbod- en prijsregulering.
De (de)concentratiebeweging is in deze fase vooral horizontale concentratie. Een
voorbeeld is kraamzorg of ouder- en kindzorg. Samenwerkingsvormen als kartels
zijn denkbaar. Verticale integratie wordt toegepast om de toeleveranciers en de
afzetkanalen te kunnen beheersen gezien de concurrentie. Zo ontstaat een hoog
oligopolistische of monopolistische marktstructuur.
Verticale integratie vindt plaats om de kosten te drukken en marktposities te
verwerven, zoals de huidige verticale samenwerkingsverbanden tussen thuiszorg, zieken-, verpleeg- en verzorgingshuizen.
Stagnatiefase
In deze fase wordt de daadwerkelijke teruggang in de afzet eerst opgevangen
door vervangingsvraag, maar later krimpt de markt doordat de vraag daalt of
ophoudt te bestaan. Dit geldt bijvoorbeeld voor de verzorgingshuizen. Kostenbeheersing wordt primair opgelost door horizontale concentratie.
3.6.5 Horizontale en verticale samenwerkingsverbanden/allianties
Van strategische samenwerking is sprake indien de betrokken partners in principe
de controle houden over hun eigen bedrijfsactiviteiten, maar op enig strategisch
deelgebied een expliciet samenwerkingsverband aangaan (Douma, 1993).
Horizontale samenwerkingsverbanden/allianties.
Onder horizontale samenwerkingsverbanden worden verstaan samenwerkingsvormen tussen gelijksoortige instellingen zoals o.a. fusies tussen thuiszorginstellingen, verzorgingshuizen, verpleeghuizen onderling en alliantievorming. Anders
geformuleerd: samenwerkingsverbanden tussen concurrenten die zich op
dezelfde markt bevinden (dat wil zeggen die zich op dezelfde groep afnemers
richten). De partners in de alliantie bevinden zich in dezelfde schakel van de bedrijfskolom (Rogier en Huijsman, 1996).
Bij de horizontale samenwerkingsverbanden zien we thans voorbeelden in het
kader van het vormen van allianties zoals TAZ, ZUN, VTN, Lothus die alle gericht
zijn op het reguleren van de markt op basis van het formuleren en uitvoeren van
een gezamenlijk anticiperend strategisch beleid. Men tracht hierbij te komen tot
eenheid van bestuur, eenheid van leiding en strategische belangenbehartiging.
De strategie is gericht op het bundelen van krachten ter versterking van de
marktpositie van thuiszorgaanbieders in Nederland. Dit resulteert in contracten
met landelijke zorgverzekeraars, een offensieve zet met een goede uitkomst.
Door onderlinge bedrijfsvergelijking en gebruikmaking van elkaars krachten/
sterke kanten trachten de regionale thuiszorginstellingen tevens hun collectieve
concurrentiekracht te versterken.
Verticale samenwerkingsverbanden/allianties
Onder verticale samenwerkingsverbanden wordt verstaan samenwerking tussen
ongelijksoortige organisaties die in de "verticale bedrijfskolom" op elkaar aansluiten. De verticale samenwerkingsverbanden streven doorgaans naar zorgketens
gericht op een specifieke doelgroep. Anders geformuleerd: verticale allianties
richten zich op de koper-verkoper relatie, dat wil zeggen de participanten in het
samenwerkingsverband opereren in opeenvolgende schakels van de bedrijfskolom (Rogier en Huijsman, 1996).
Bij de verticale samenwerkingsverbanden zien we dat regionale netwerken met
verschillende andere zorgaanbieders ontstaan welke erop gericht zijn om optimaal
gebruik te maken van de complementariteit van de afzonderlijke organisaties. De
netwerken kunnen joint ventures aangaan.
De zorgcontinuümgedachte met betrekking tot de samenwerking rond de directe
zorgverlening is hierbij meestal het doel. Voorbeelden hiervan zijn:
Netwerken/joint ventures tussen thuiszorg en:
- huisartsen in verband met de onderwerpen: contracten medisch technisch handelen, afstemming hometeams, transmurale zorg, verpleeghuiszorg thuis, projecten als praktijkverpleegkundigen;
- welzijns- en ouderenorganisaties in verband met gezamenlijk aanbod
personenalarmering en maaltijden en de Zorgnetten;
- ziekenhuizen in verband met transferpunten, specialistische verpleging
thuis, knip in de thuiszorg;
- verpleeg-/verzorgingshuizen: gezamenlijk aanbod extramurale WBO-zorg,
verpleeghuiszorg thuis;
- de psychiatrische centra in verband met (voorbereiding van) gezamenlijk
aanbod psychiatrische thuiszorg;
- verstandelijk gehandicaptenzorg in verband met de thuiszorg geleverd
door wijkverpleging in (intramuraal gefinancierde) kleine decentrale
wooneenheden;
- woningcorporaties in verband met gezamenlijk service-aanbod aan bewoners (personenalarmering, achterwacht, particuliere zorg);
- kraamcentra en verloskundigen in verband met gezamenlijke huisvesting,
afstemming aanbod zwangerschapszorg, kraamzorg en ouder- en kindzorg.
Deze verticale samenwerkingsverbanden zijn in de optiek van Johnson en
Scholes te definiëren als samenwerking gebaseerd op operationele motieven.
3.6.6 Horizontale en verticale integratie/expansie
Strategische horizontale integratie
Van horizontale integratie is sprake indien een onderneming haar activiteiten
beperkt tot één bedrijfstak en binnen deze bedrijfstak streeft naar uitbreiding van
haar activiteiten. Vaak gaat deze uitbreiding gepaard met uitbreiding van het
geografisch gebied, een stijging van het aantal productvarianten of een toename
van de soorten afnemers die bediend worden.
Als voordelen van deze horizontale integratie/expansie geldt:
- een concern kan al zijn middelen concentreren op het behalen van succes
in één bedrijfstak;
- het behalen van kostenvoordelen (door besparing op ontwikkelingskosten
en besparing in de productie en distributie wat het leidt tot reductie in de
kosten per eenheid product);
- beperking van de concurrentie.
Als nadelen kunnen gelden:
- dat succes van een onderneming in de ene bedrijfstak vaak ook aanwezigheid van deze onderneming in een andere gerelateerde bedrijfstak
vereist;
- de scheve verhouding tussen de in een concern aanwezige middelen en de
aanwendingsmogelijkheden daarvan.
Vaak kiezen ondernemingen allereerst voor een strategie van horizontale integratie. Doch deze strategie kent bovengenoemde nadelen. En om deze nadelen tegen
te gaan zullen ondernemingen vaak overgaan tot verticale integratie en diversificatie (Douma, 1996).
In de thuiszorg is de Pantheon Zorggroep het bekendste voorbeeld van horizontale schaalvergroting.
Strategische verticale integratie
Van verticale integratie is sprake indien een onderneming integreert in de verticale
bedrijfskolom.
Als voordelen van deze verticale integratie voor de thuiszorg gelden:
- besparing op het gebied van transactiekosten;
- bescherming tegen machtige financiers/zorgverzekeraars;
- bescherming van de technologie (voorkomen dat concurrenten de technologie kunnen imiteren);
- beheersing van kwaliteit (niet alleen verhoging van het niveau van kwaliteit, maar ook besparing);
- verzekerde bevoorrading en afzet (bij geheel nieuwe activiteiten ontbreken
vaak de juiste toeleveranciers of afnemers);
- verbetering van de dienstverlening.
Als nadelen kunnen gelden:
- kosten nadelen door niet overeenkomende schaalgroottes;
- hogere beheerskosten door coördinatiekosten en inefficiënter werken
(prikkel tot efficiënt werken in verband met concurrentie kan verdwijnen);
- technologische veroudering.
In de thuiszorg zijn de eerste strategische verticale samenwerkingsvormen
ontstaan. Een bekend voorbeeld, dat nader uitgewerkt wordt in deze scriptie is
De Zorgboog, in de regio Peel.
In deze zin kan er bij de keuze voor mogelijkheden van een horizontale of verticale
integratie ook niet gesproken worden van een algemene strategie. De
concernstrategie moet leiden tot de situatie waarbij gebruikers en medewerkers
het product ervaren als "beter dan de concurrentie". Pas dan gaan de concurrentievoordelen ontstaan van horizontale of verticale integratie (Douma, 1996).
4. Resultaten praktijkonderzoek
4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk worden de bevindingen uit de theorie getoetst in de praktijk. Dat
wil zeggen dat elementen zoals de strategische motieven tot samenwerking, de
reacties van stakeholders op de samenwerking en de vormen van samenwerking
vanuit de praktijk worden weergegeven.
Allereerst is dit gedaan door middel van een inventarisatie van de verticale en/of
horizontale samenwerkingsinitiatieven in Nederland. Deze gegevens zijn aan de
hand van een schriftelijke en telefonische enquête verzameld. De resultaten
hiervan worden weergegeven in paragraaf 4.2.
Vervolgens zijn vanuit de inventarisatie een zestal praktijksituaties van horizontale
en verticale integratie geselecteerd. Bij deze casus zijn aan de hand van de theorie
en de inventarisatie diepte-interviews gehouden. In paragraaf 4.3 worden de
resultaten hiervan beschreven.
Ten slotte worden de bevindingen van het Ronde Tafel Gesprek in dit hoofdstuk
beschreven. Dit gesprek is door de studenten georganiseerd met het doel de
theorie, de resultaten uit de inventarisatie en de diepte-interviews voor te leggen
aan een aantal sleutelfiguren binnen de Nederlandse gezondheidszorg. De
bevindingen uit de discussies tijdens dit Ronde Tafel Gesprek worden in paragraaf
4.4 weergegeven.
4.2 Inventarisatie Nederland
4.2.1 Inleiding
De inventarisatie van de samenwerkingsinitiatieven vanuit de thuiszorg is de
eerste stap van het praktijkonderzoek. Door middel van vragenlijsten en gesprekken met thuiszorgdirecties is een beeld gevormd van de meerderheid aan verticale en horizontale samenwerkingsinitiatieven in Nederland (zie bijlage 1). Deze
paragraaf is een weergave van de resultaten van de inventarisatie.
Hierbij komen achtereenvolgens aan bod:
- de reikwijdte van de inventarisatie;
- de aard en omvang van de samenwerkingsvormen die in de praktijk
gekozen zijn;
- de strategische overwegingen en motieven die de thuiszorginstellingen
noemen;
- de werkwijzen die toegepast zijn bij de totstandkoming van de samenwerking en/of integratie;
- de resultaten van de samenwerking en/of integratie;
- de reacties van de stakeholders.
4.2.2 Reikwijdte van de inventarisatie
De inventarisatievragenlijst is tussen december 1996 en januari 1997 door 53%
van alle thuiszorginstellingen schriftelijk ingevuld of in een telefonisch gesprek
mondeling beantwoord. Dit is een relatief groot bereik aangezien binnen de
betrokken organisaties in het totaal 77% van het macro thuiszorgbudget omgaat
en 87% van de totale inwoners van Nederland bereikt wordt(1).
| Nederland | Inventarisatie(2) | Bereik | |
| Instellingen (aantal)
Gezinsverzorging Kruiswerk Gezinsverzorging / Kruiswerk Totaal
Budget (miljoen)
Inwoners (miljoen) |
43 12 53 108(3)
3.500
15,5 |
8 8 41 57
2.700
13,5 |
19% 67% 77% 53%
77%
87% |
Tabel 2: Reikwijdte inventarisatie
Opvallend bij veel vragenlijsten was het gebruik van de ruimte voor eventuele
opmerkingen. Meerdere directieleden gaven aan dat de vragenlijst hun niet
voldoende ruimte bood om alle samenwerkingsinitiatieven op te schrijven.
Daarom werden vele bijlagen toegevoegd. Tevens was opvallend de veelvuldig
geuite bereidheid om naar aanleiding van de vragenlijst een uitvoerig gesprek te
voeren. De sterke betrokkenheid bij het onderwerp viel op door een grote hunkering tot vertellen.
4.2.3 Samenwerkingsvormen in de praktijk
In de praktijk zijn vijf juridische samenwerkingsvormen met een toenemende mate
van bindingsintensiteit te onderscheiden (Sloot, 1995). In onderstaand schema
worden deze uiteengezet (zie ook bijlage 10).
| Samenwerkingsvorm | Omschrijving |
| Samenwerkingsovereenkomst
Transactienetwerk
Besturingsnetwerk
Holding
Fusie |
mondeling, schriftelijk, projecten
netwerk betrekking hebbende op een specifiek deelgebied van de
partners, bijvoorbeeld joint venture
netwerk betrekking hebbende op integrale besturingsaspecten van
de partners, bijvoorbeeld federatie, coöperatie
algemene taken/bevoegdheden worden overgedragen aan een
centrale, overkoepelende moederorganisatie
samenvoeging van hele organisaties in een nieuwe organisatorische eenheid |
Schema 6: Samenwerkingsvormen naar toenemende bindingsintensiteit
Deze ordening biedt een bruikbaar kader om de verticale en horizontale samenwerkingsinitiatieven van de thuiszorginstellingen te positioneren.
In de navolgende tabel wordt linksonder de lichtste variant en rechtsboven de
zwaarste variant van samenwerking beschreven.
Tabel 3a: Samenwerkingsvormen in de praktijk
De percentages in de blokjes verwijzen naar het percentage thuiszorginstellingen
respectievelijk het budget dat binnen een bepaalde categorie van samenwerkingsvormen valt. Zoals reeds aangegeven in de vorige paragraaf omvat de
inventarisatie in absolute zin 57 thuiszorginstellingen en 2.700 miljoen budget. Te
zien is dat de grootste groep bestaat uit instellingen die zowel verticale als
horizontale samenwerkingsovereenkomsten hebben gesloten. In geval van
verticale samenwerking en/of integratie is naast de overeenkomst de holding de
meest gekozen vorm. In geval van horizontale samenwerking en/of integratie
wordt naast de overeenkomst meestal gekozen voor een besturingsnetwerk.
Samenvattend laat onderstaande tabel zien op welke wijze thuiszorginstellingen in
Nederland zich anno 1997 feitelijk verbonden hebben of voorgenomen hebben
zich te verbinden.
| Samenwerkingsvorm | Instellingen | Budget |
| Verticale en/of horizontale samenwerkingsovereenkomst
Verticaal transactienetwerk (joint venture) Verticale holding
Horizontaal besturingsnetwerk (federatie, coöperatie) Horizontale holding Horizontale fusie (vanuit een geïntegreerde thuiszorginstelling)
Zowel verticaal transactienetwerk als horizontale holding Zowel verticaal transactienetwerk als horizontaal besturingsnetwerk
Overige verbanden, kleiner dan 2% (zie vorige tabel)
Totaal |
30%
7% 14%
14% 9% 7%
7% 4%
8%
100% 57 instellingen |
27%
14% 11%
10% 8% 7%
10% 3%
10%
100% 2.700 miljoen |
Tabel 3b: Samenwerkingsvormen in de praktijk
Tijdens het Ronde Tafel Gesprek op 26 maart 1997 (zie paragraaf 4.4) is een aantal
sleutelfiguren in de Nederlandse gezondheidszorg gevraagd een spontane
schatting te maken van de procentuele verdeling van de samenwerkingsvormen.
De schattingen weken sterk af van bovenstaande realiteit. Met name de percentages verticale verbindingen en gecombineerde (verticaal en horizontaal) verbindingen lagen aanmerkelijk lager dan in de realiteit het geval is. Het percentage
verbindingen bestaande uit samenwerkingsovereenkomsten werd daarentegen
veel hoger ingeschat dan de dagelijkse praktijk laat zien.
Gegeven de vele opvattingen en ideeën voor de komende jaren, zoals geuit
tijdens de inventarisatie en het Ronde Tafel Gesprek, is het aannemelijk dat
bovenstaand overzicht in de loop van de tijd sterk aan verandering onderhevig zal
zijn.
4.2.4 Strategische overwegingen en motieven
Het resultaat van de inventarisatie heeft een veelheid aan strategische overwegingen en motieven (veelal synoniem met doelen) opgeleverd. Nadere beschouwing
leert dat de overwegingen en motieven uiteindelijk tot een vijftal categorieën te
herleiden zijn. In volgorde van belangrijkheid zijn dit: macht, inhoud/kwaliteit,
efficiency, identiteitsbehoud en 'dwang'.
| Strategische overwegingen en motieven |
| Macht
- versterking onderhandelingspositie; vergroting van de schaal van contracteringsmogelijkheden - versterking concurrentiepositie; vermindering toetredingsmogelijkheden nieuwe zorgaanbieders - versterking zeggenschapspositie t.o.v. collega-thuiszorgaanbieders, vergroting
eigen invloed
Inhoud/kwaliteit - zorgcontinuüm (regionale zorgcircuits voor ouderen, transmurale zorg) - zorg op maat (cliëntgericht, vraaggericht, zorgarrangementen) - product-/marktonderzoek en ontwikkeling t.g.v. cliënt (zorg) - gezamenlijke arbeidsmarkt- en personeelsbeleid
Efficiency - verhoging productiviteit; verlaging overhead - optimalisatie schaalgrootte
Identiteitsbehoud - confessie
'Dwang" - 'het moet van de overheid' |
Schema 7: Strategische overwegingen en motieven
Bovenstaand overzicht leert dat macht op dit moment de belangrijkste overweging is achter de samenwerkingsinitiatieven. Belangrijk betekent in dit opzicht dat
deze categorie zowel het meest genoemd wordt op de inventarisatielijst alsook
het hoogste puntenaantal scoorde tijdens de gesprekken.
Op grond van de inventarisatie kan geen direct verband worden aangetoond
tussen de aard van strategische overwegingen en motieven enerzijds en de aard
van de gekozen samenwerkingsvormen anderzijds. Over het algemeen komen bij
de categorie macht relatief veel horizontale samenwerkingsvormen voor en bij de
categorie inhoud relatief veel verticale. Efficiency en identiteitsbehoud zijn motieven bij zowel horizontale als verticale samenwerkingsvormen. De motivatie
'dwang' is veelal gekoppeld aan horizontale en verticale samenwerkingsovereenkomsten.
4.2.5 Totstandkoming van samenwerking en/of integratie
Een van de vragen van de inventarisatie was 'hoe men tot een keuze voor verticale
of horizontale samenwerking en/of integratie is gekomen' en 'hoe men vervolgens
te werk is gegaan bij de samenwerking en/of integratie'. Gezien de grote variatie in
de aard van de antwoorden kan geconcludeerd worden dat er meerdere werkwijzen mogelijk zijn (geen standaard aanpak). Belangrijk bij de werkwijze is dat deze
past bij de betrokken partijen. Onder andere spelen hierbij een rol: persoonlijke
affiniteit, fase van ontwikkeling van de organisatie en regionale mogelijkheden.
Onderstaande tabel is een overzicht van de meest genoemde trefwoorden
aangaande de totstandkoming van de samenwerking en/of integratie. Hierbij zijn
door sommige organisaties meerdere werkwijzen ingevuld.
| Werkwijze | Percentage |
| Pragmatisch (stuurgroep, taskforce)
PEST-analyse
Informele en netwerkcontacten Zeer gedetailleerd, stappenplan/4-5 jaar
Bottom-up Top-down Concrete initiatieven als voorportaal; later grotere strategische issues
(bijvoorbeeld contractering)
Offensief, proactief, kansen ziend Defensief, reactief, concurrentie vermijdend
Snel Organisch; stap voor stap
Veel geduld Overleg, overleg, overleg |
9%
2%
13% 3%
9% 11% 8%
11% 6%
5% 3%
7% 13% |
Tabel 4: De totstandkoming van samenwerking en/of integratie
Over de gemiddelde duur van de totstandkoming van een samenwerkingsverband
bestaat grote eenduidigheid. Voor een verticaal samenwerkingsverband betrof dit
gemiddeld 0,5 tot 2 jaar. Voor een horizontaal samenwerkingsverband langer,
namenlijk gemiddeld 2 tot 5 jaar.
4.2.6 Resultaten van de samenwerking en/of integratie
Veel thuiszorgdirecties gaven op de inventarisatievragenlijsten te kennen nog niet
zoveel te kunnen zeggen over de resultaten van de samenwerking en/of integratie.
Bij de instellingen waar reeds langere tijd een bepaalde samenwerkingsvorm
bestaat, waren de thuiszorgdirecties zeer openhartig over zowel de positieve als
negatieve gevolgen ervan. Uit onderstaand schema blijkt dat de verscheidenheid
wederom groot is.
| Negatief | Positief |
| veel bestuurlijke drukte mannetjesmakerij hinder buitengesloten partners compromissen zonder bezieling cultuur verschillen (overbrugging kost veel tijd) meer van hetzelfde |
netwerkspeler gebleven open informatieuitwisseling gezamenlijke aanpak schaarste arbeids markt
eenduidig strategisch beleid zorgcontinuüm overheadreductie |
Schema 8: Resultaten samenwerking en/of integratie
Resultaten van een enigszins andere orde zijn de vragen en dilemma's die de samenwerkingsinitiatieven met zich meebrengen. Zoals daar zijn:
Wat is een optimale schaalgrootte?
Hoe benut ik mijn schaalgrootte optimaal?
Welk management-/besturingsconcept is het meest passend?
Antwoorden op deze vragen en dilemma's zijn door de thuiszorgdirecties niet
gegeven. Wel kunnen enkele uitspraken worden gedaan over trends die zichtbaar
worden op basis van de inventarisatie. Allereerst de trend dat verticale samenwerkingsverbanden veelal een schaal van 150.000 - 200.000 inwoners kennen.
Daarnaast wordt zichtbaar dat organisaties en "zware" samenwerkingsverbanden
(holding, fusie) met een budget van meer dan 100 miljoen zich veelal beperken tot
lichte samenwerkingsverbanden met nieuwe partners; danwel tot overnames van
zorginstellingen. Tenslotte lijkt het erop dat organisaties met een budget rond de
50 miljoen vaak zowel verticale als horizontale samenwerkingsverbanden aangaan. Hiervoor worden verschillende vormen gekozen.
4.2.7 Reacties stakeholders
Als belangrijkste stakeholders worden door thuiszorgdirecties zorgverzekeraars,
lokale en provinciale overheden, cliënten(groeperingen), medewerkers, ondernemingsraad, andere zorgaanbieders en verwijzers genoemd. Wat betreft verwijzers
moet gedacht worden aan ziekenhuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen en
huisartsen.
Uit de inventarisatie blijkt dat de overgrote meerderheid van de thuiszorgdirecties
aangeeft positieve danwel neutrale reacties van de stakeholders ontmoet te hebben.
Daar waar de samenwerking en/of integratie tot buitensluiting van zorgaanbieders
binnen een bepaald werkgebied dreigt te leiden, wordt met name door de
zorgverzekeraar een beroep gedaan op de partijen om geen concurrentie of
hindermacht in de hand te werken, maar ervoor te zorgen dat alle krachten in het
spel blijven.
De reactie van de zorgverzekeraars is anders in de gebieden waar het nieuwe
samenwerkingsverband een monopoliepositie krijgt danwel wanneer een zeer
groot conglomeraat wordt gevormd. Vaak ontstaat dan met name bij deze zorgverzekeraars, maar ook bij huisartsen en cliëntengroeperingen terughoudendheid
en soms enige bezorgdheid.
In sommige gebieden (bijvoorbeeld Groningen) werkt het schaarstebesef bindend
tussen de samenwerkingspartijen en legitimerend naar stakeholders.
Meerdere thuiszorgdirecties geven aan bewust en actief hun netwerkrelaties te
onderhouden. Het 'openhouden van de deuren' beschouwen zij in belangrijke
mate bepalend voor hun samenwerkings- en/of integratiesucces.
4.2.8 Tot slot
Het beeld dat ontstaat bij de analyse van de inventarisatie van verticale en horizontale samenwerkingsinitiatieven vanuit de thuiszorginstellingen in Nederland is
in één woord te typeren als verscheidenheid. De verscheidenheid heeft zowel
betrekking op de samenwerkingsvormen, de strategische overwegingen en motieven als op de werkwijzes en resultaten.
Verscheidenheid wordt aangetroffen binnen een bestel van thuiszorginstellingen
die druk zoekende zijn naar optimale schaalgroottes en nieuwe besturingsconcepten. Vaak is (hierdoor) de aandacht voor de branche-eenheid (nog) ver te zoeken.
Binnen alle verscheidenheid is het de affiniteit van personen en visies die voor
een belangrijk deel de snelheid van de samenwerkingsprocessen bepaalt.
| Horizontale integratie | Verticale integratie | |
| Casus 1:
De Zorgboog, Helmond |
Holding van kruiswerk, verpleeg- en verzorgingshuizen en opleidingsinstituut | |
| Casus 2:
'SOM', Gorinchem |
Ouder- en kindzorg en kraamzorg
in v.o.f. met andere thuiszorginstelling
Waardse Rading is lid van de Lothus Zorggroep |
Voornemen tot holding van thuiszorg, ziekenhuis, verpleeg- en verzorgingshuizen |
| Casus 3:
De Zorg Alliantie, Apeldoorn |
Coöperatieve vereniging van
woningcorporatie, verpleeg- en verzorgingshuizen. Samenwerking met commerciële thuiszorg. | |
| Casus 4:
Thuiszorg STAD Groningen |
Voornemen tot fusie met kruiswerk en thuiszorginstelling | Voornemen tot holding met verpleeg- en verzorgingshuizen |
| Casus 5:
Pantheon Zorggroep, Zwolle |
Holding van 4 thuiszorginstellingen | |
| Casus 6:
'Carabine', 's-Hertogenbosch |
Voornemen tot holding van twee thuiszorginstellingen (na fusie kruiswerk en gezinszorg in Den Bosch in mei 1997) |
Schema 9: De zes geselecteerde praktijkvoorbeelden
4.3.2 Beknopte beschrijving per casus
Casus 1: De Zorgboog te Helmond
Situatieschets
- Gebied: Peelland/Gewest Helmond (200.000 inwoners).
- Op 1 januari 1996 is de holding Stichting Verpleging en Verzorging
Peelregio 'De Zorgboog' opgericht met vijf werkmaatschappijen:
- Thuiszorg: Kruiswerk Peelland;
- Stichting Willibrord/Ruijschenbergh (321 verzorgingsplaatsen en 67 woningen);
- Stichting Ouderenhuisvesting Ruijschenbergh (83 woningen);
- Stichting Aarle-Beek (141 verzorgingsplaatsen en 196 woningen);
- Stichting Verpleeghuizen Gewest Helmond (485 bedden).
- De instelling voor gezinszorg in de regio is geen onderdeel van De
Zorgboog.
- De Zorgboog was de eerste holding in Nederland met betrokkenheid van verpleeghuizen, verzorgingshuizen en thuiszorg en heeft
daardoor veel landelijke publiciteit gehad.
- Een domper was het gegeven dat al in het eerste jaar onverwachte
problemen bij de werkmaatschappij Kruiswerk aan het licht kwamen.
Genoemde motieven voor besluit tot integratie:
- Meer samenhang aanbrengen in de ouderenzorg: "Het bevorderen
van een op elkaar afgestemd en onderling samenhangend stelsel
van voorzieningen voor gezondheidszorg en ouderenvoorzieningen
binnen de participerende instellingen alsook het samenwerken met
andere instellingen op het gebied van de intra-, semi- en extramurale gezondheidszorg, ouderenzorg en maatschappelijke dienstverlening" (statuten De Zorgboog).
- Efficiencyverbetering van de voorwaardenscheppende en ondersteunende processen. Van de verwachte voordelen kwamen de
bedrijfseconomische echter "op de laatste plaats".
Juridische structuur
- De Zorgboog is een holding met de vijf oorspronkelijke stichtingen
als werkmaatschappijen. De directies van de werkmaatschappijen
vormen gezamenlijk de directieraad. Materieel vindt de sturing van
De Zorgboog plaats door deze directieraad; de formele bestuursbevoegdheden liggen echter bij de Raad van Bestuur van de holding.
Deze bestaat op dit moment uit twee personen: "Bepalend voor
eventuele toetreding tot de Raad van Bestuur is de vertegenwoordigde omvang, brede ervaring en bewezen managementkwaliteiten".
- De leden van de Raad van Bestuur zijn tevens directeur van een
werkmaatschappij. Dit is een persoonlijke keuze van de voorzitter:
"Aanvankelijk wilde de Raad van Toezicht mij bijvoorbeeld in de
enkelvoudige rol als voorzitter van de Raad van Bestuur. Daar was
ik niet voor in, dan moet je maar een ander zoeken. Ik wil bovenop
de zorg zitten, wil ruiken wanneer de soep aangekookt is. Ik kan het
contact met de patiënten niet missen."
- Op holdingniveau is er geen aparte werkmaatschappij en daarom
bijvoorbeeld ook geen Centrale Ondernemingsraad. Elke werkmaatschappij/stichting is zelf werkgever en heeft een eigen ondernemingsraad.
- Er is besloten om drie jaar in deze vorm te werken en de resultaten
na 2½ jaar te beoordelen.
Bepalende factoren
- "De Zorgboog ontstond door mensen die elkaar vonden".
Tijdens een gezamenlijke studiereis begin 1995 leerden de partners
elkaar beter kennen.
- De Zorgboog is marktleider in de regio en manifesteert zich ook als
zodanig.
- Binnen De Zorgboog is de verkeerde-bedproblematiek van het
ziekenhuis opgelost door het creëren van een voorziening in een
verzorgingshuis.
- De participanten kiezen voor een zeer praktische invalshoek en
hebben bijvoorbeeld geen strategisch meerjarenplan. Men verwacht in de toekomst wel meer systematisch aan het werk te gaan
op basis van strategische analyses.
Fase van ontwikkeling
- De extra kosten van de holding worden inmiddels gecompenseerd
door kostenbesparingen ten gevolge van vermindering van managementfuncties, afstoten van gebouwen en samenvoegen van
ondersteunende diensten.
- Het Kruiswerk is nog vrij zelfstandig. Verdere integratie vindt onder
andere plaats door het afstoten van gebouwen en het onderbrengen van kruiswerkfuncties in verzorgingshuizen en woon-zorgcomplexen.
Schaalvergroting van sommige product/marktcombinaties, bijvoorbeeld kraamzorg, wordt op dit moment onderzocht. Dit zou kunnen
plaatsvinden door samenwerking met andere zorgaanbieders
buiten het werkgebied van De Zorgboog.
- De Zorgboog zou graag aansluiting van de instelling voor gezinszorg gerealiseerd zien. De kansen hierop lijken groter dan voorheen.
Casus 2: 'SOM' te Gorinchem
Situatieschets
- Gebied: Alblasserwaard en Vijfherenlanden (180.000 inwoners), een
regio met "diepe culturele en confessionele wortels".
- Drie participanten in toekomstige holding:
- Waardse Rading, eind 1995 door fusie ontstane regionale
thuiszorginstelling;
- Vereniging Samenwerkende Verzorgingshuizen (VSV), samenwerkingsverband van zeventien verzorgingshuizen (negen rechtspersonen). Vijftien van deze verzorgingshuizen
zullen in 1997 samen een managementstichting oprichten,
waaraan zij de bevoegdheid m.b.t. samenwerkingsafspraken
zullen overdragen;
- Stichting Zorgvoorzieningen Gorinchem e.o. (SZG), bestaande uit Beatrix Ziekenhuis en twee verpleeghuizen.
Deze drie noemen zich de SOM-organisaties, waarbij 'SOM' een
afkorting is van "Strategie-Organisatie-Mens".
- Historie: er waren in de afgelopen drie jaar veel initiatieven tot
zorgvernieuwing:
- Ligduurverkorting. Voorbeelden: zwangerschapsmonitoring,
tractiebehandeling thuis, thuisbehandeling van gele baby's
en thuisbehandeling van decompensatio cordis (hartzwakte)
patiënten.
- Transmurale verpleging: reumatologie, neurologie, diabetes
en CARA.
- Bureau Transmurale Patiëntenlogistiek (BUTRAP), verantwoordelijk voor de opname- en ontslagplanning van ziekenhuis en verpleeghuizen (inclusief de verdere relatie met de
thuiszorg) en heeft als doel om dit kwalitatief, efficiënt en
effectief te organiseren.
- Project 'Vernieuwing Ouderenzorg', dat door de VSV en Waardse Rading is ontwikkeld. Het gezamenlijke werkgebied
van deze partners wordt ingedeeld in vier zorgeenheden
waarin wonen, zorg- en dienstverlening geïntegreerd geleverd worden.
- Waardse Rading is tevens lid van de Lothus Zorggroep, een coöperatieve vereniging van tien thuiszorginstellingen in Zuid-Holland.
Doelstelling van de Lothus Zorggroep is een gezamenlijke strategische positionering binnen de thuiszorgbranche en ten opzichte van
zorgverzekeraars.
Binnen de Lothus Zorggroep worden ook product/marktcombinaties geëxploiteerd, waarvoor de schaal van de afzonderlijke regio's
te klein is. Zo is de Stichting Zorglijn (7 x 24-uurs bereikbaarheid)
een dochteronderneming van de Lothus Zorggroep.
- Waardse Rading heeft voor de producten kraamzorg en ouder- en
kindzorg gekozen voor horizontale integratie en deze ondergebracht
in een vennootschap-onder-firma, die ze samen met een andere
thuiszorginstelling exploiteert.
Genoemde motieven voor besluit tot integratie
- Zorgverlening vraaggestuurd aanbieden:
Dit betekent dat de zorg "thuis als het kan" wordt geleverd.
- Met dezelfde middelen voldoen aan de toenemende zorgvraag:
Dit willen de initiatiefnemers niet bereiken door onderlinge concurrentie maar door eenheid binnen de bedrijfskolom.
- Efficiencywinst tussen zorgaanbieders d.m.v. verbetering patiëntenlogistiek ("doorstroommanagement"). De efficiencywinst binnen de
afzonderlijke zorgaanbieders heeft z'n grenzen bereikt. Tegelijkertijd
zijn de initiatiefnemers ervan overtuigd dat er nog veel meer gedaan kan worden met hetzelfde geld als de schotten tussen
zorgaanbieders geminimaliseerd worden en de patiëntenlogistiek
tussen zorgaanbieders verder wordt verbeterd.
Juridische structuur
De drie samenwerkingspartners hebben nog geen duidelijk beeld van de
toekomstige organisatorische en juridische structuur. Het meest waarschijnlijk is een holding, waarin de drie betrokken zorgaanbieders hun
"eigen gezicht" kunnen behouden als werkmaatschappij. Een mogelijkheid
is om op een moment een fusie aan de top te laten plaatsvinden.
De initiatiefnemers zien de vormgeving als een noodzakelijk kwaad. Men
geeft prioriteit aan de inhoudelijke ontwikkelingen en is ervan overtuigd dat
de juridische structuur dan als vanzelfsprekend hieruit volgt.
Bepalende factoren
- "Intuïtie, toeval en een beetje beleid".
- Het idee van een holding ontstond tijdens een studiereis van de
directies van de drie betrokken organisaties.
- Samenwerking is reeds bewezen door resultaten van zorgvernieuwing (gestart in 1993).
- "Transmurale nieuwbouw" (gereed eind 2001): op het terrein van
het Beatrix Ziekenhuis wordt een nieuw verpleeghuis gebouwd en
een nieuw gebouw, waarin het hoofdkantoor van Waardse Rading
en het managementcentrum van de nieuwe holding worden gehuisvest. De drie panden worden onderling met loopbruggen verbonden.
- Twee centrale spelregels:
1. "Domeindiscussies zijn taboe" en
2. "Geld speelt geen rol, want dat is er toch niet." Als je echter
een goed initiatief hebt, komt het geld hiervoor uiteindelijk
toch wel (uit eigen budgetten of van buiten).
Fase van ontwikkeling
- In 1994 is de 'Deilgroep' opgericht, een samenwerkingsverband
waarin de SZG, de VSV, Waardse Rading, de Regionale Huisartsen
Vereniging (RHV) en de medisch specialisten participeren.
- 1996: Informele verkenning van mogelijkheden tot integratie.
- Najaar 1996: officiële aankondiging van formele bespreking over
een "fusie". Dit leidde tot zeer negatieve reacties van de twee
andere partners uit de Deilgroep, namelijk de medisch specialisten
en de huisartsen.
- 1997: Naar aanleiding van deze grote weerstand is besloten om in
1997 verkennende besprekingen te starten over "holdingvorming",
waarbij de medisch specialisten en huisartsen ook aan de gesprekstafel worden gevraagd.
- Reeds veel resultaten op het gebied van inhoudelijke samenwerking
bereikt.
- De faculteit Beleid en Management Gezondheidszorg (BMG) van de
Erasmus Universiteit en het Nederlands Instituut voor Zorg en
Welzijn (NIZW) zijn als begeleiders betrokken bij het integratieproces.
Casus 3: De Zorg Alliantie (dZA) te Apeldoorn
Situatieschets
- Gebied: Stad Apeldoorn (100.000 inwoners).
- Leden van de coöperatieve vereniging dZA zijn:
- Verpleeghuis 'Casa Bonita';
- Verpleeghuis Hullenoord;
- Woningstichting 'De Goede Woning' die o.a. drie verzorgingshuizen exploiteert;
- Verzorgingshuis 'Mandala'.
- Het marktaandeel van dZA bedraagt in Apeldoorn:
- 47% van het aantal verpleeghuisbedden;
- 58% van het aantal verzorgingshuisplaatsen en
- 80% van het aantal aanleunwoningen.
- De traditionele thuiszorginstelling, Thuiszorg Oost-Veluwe, is niet
betrokken bij dZA. In plaats hiervan heeft dZA een driejarige samenwerkingsovereenkomst gesloten met de NTN Groep, een commercieel thuiszorgbureau met een landelijke erkenning.
Genoemde motieven voor besluit tot integratie:
- "Aanbieden van producten en diensten binnen het zorgcontinuüm
tegen een concurrerende prijs/kwaliteitverhouding op het gebied
van zorg en wonen ten behoeve van met name ouderen." Dit moet
resulteren in een integrale beantwoording van de zorgvraag door
een netwerk van instellingen.
- Schaalvoordelen bereiken op het terrein van strategie, doelmatigheid en kwaliteit.
- Gezamenlijk een antwoord kunnen geven op nieuwe ontwikkelingen
in de markt van zorg en wonen voor ouderen (55+).
- De woningcorporatie heeft in het bijzonder, uit het oogpunt van
kostenbesparing, tot doel om het aantal verhuizingen van ouderen
te beperken.
Juridische structuur
- De gezamenlijke directies van de leden vormen zowel het bestuur
als de ledenvergadering van de coöperatieve vereniging (aangezien
het verplicht is om beide organen in te stellen binnen een coöperatieve vereniging).
- Elk lid van de coöperatieve vereniging heeft het recht tot voordracht
van één van de leden van de Raad van Commissarissen.
- Een directeur en een bureau zijn belast met de dagelijkse leiding en
uitvoering van de taken van de activiteiten van de coöperatieve
vereniging.
- Via een nieuwsbrief (oplage 1750 exemplaren) worden alle personeelsleden, vrijwilligers en relaties van dZA geïnformeerd over de
ontwikkelingen binnen dZA (in 1996 twee keer verschenen).
- De leden van dZA hebben zich vier jaar aan elkaar verbonden. Ook
de financiële verplichtingen gelden voor deze periode.
Bepalende factoren:
- Vanaf 1990 is er in de regio nauwer samengewerkt door de vijf
verpleeghuizen en twintig verzorgingshuizen naar aanleiding van de
regeling Substitutie Verpleeghuiszorg. Na een jaar ontstonden er in
Apeldoorn en omgeving, op basis van verschillen in inhoudelijke
visie en persoonlijke relaties, twee clusters. Eén hiervan heeft
geresulteerd in de oprichting van de Zorg Alliantie (dZA).
- In het andere cluster staat verpleeghuis Randerode centraal, dat een
samenwerkingsrelatie heeft met het revalidatiecentrum Kastanjehof
en het ziekenhuis (dat naast Randerode is gelegen en hieraan met
een loopbrug is verbonden). Dit cluster richt zich meer op de transmurale zorg. Thuiszorg Oost-Veluwe is hierbij ook betrokken.
- De Zorg Alliantie heeft in 1995 aan Thuiszorg Oost-Veluwe gevraagd om zich aan te sluiten bij dZA. Nadat Thuiszorg Oost-Veluwe
dit weigerde is er vanaf april 1996 een driejarige samenwerkingsovereenkomst gesloten met de NTN Groep. DZA levert de thuiszorg
in de aanleunwoningen, maar laat het aan de bewoners vrij om een
keuze te maken tussen de verschillende thuiszorgaanbieders.
- In 1996 heeft NTN een deel van haar landelijke AWBZ-budget
beschikbaar gesteld ( 2½ tot 3 ton) voor het aanbieden van thuiszorg door dZA. In 1996 is zo aan ongeveer acht cliënten (langdurige)
thuiszorg geleverd. DZA noemt de ervaringen met NTN positief.
Inmiddels is er ook een gemeenschappelijke invalpool met NTN
ontstaan.
Fase van ontwikkeling
- De Zorg Alliantie is "gestaag" ontwikkeld. In december 1995 zijn in
een werkconferentie de afspraken gemaakt over de op te richten
zorgketen.
- In maart 1996 startte het bestuur van de vereniging in oprichting
haar werkzaamheden en in september 1996 vond de definitieve
oprichting plaats.
- In 1997 wordt een zorgsteunpunt ontwikkeld: een distributiepunt in
de wijk, van waaruit het aanbod van dZA voor (extra- of intramuraal
wonende) ouderen wordt gecoördineerd en geregisseerd.
- De verpleeg- en verzorgingshuizen onderzoeken de mogelijkheden
om een aantal functies (medische dienst, keukenvoorziening, nachtbereikbaarheid, inkoop en automatisering) gezamenlijk uit te voeren
om doelmatigheidswinst te realiseren.
- Binnen Thuiszorg Oost-Veluwe wordt na een directiewisseling
inmiddels een ander beleid gevoerd. De Zorg Alliantie komt gedurende de duur van de samenwerkingsovereenkomst met NTN
echter niet terug op haar keuze.
- De vorming van dZA heeft een versterking van de profilering door
de twee (onder "bepalende factoren" genoemde) clusters tot gevolg
gehad. Nu er ook binnen de verpleeghuizen sprake is van directiewisselingen, kunnen hierdoor mogelijk de onderlinge verhoudingen
tussen de Apeldoornse verpleeghuizen in positieve zin wijzigen.
Casus 4: Thuiszorg STAD Groningen
Situatieschets
- Gebied: De provincie Groningen (560.000 inwoners) en daarbinnen
de stad Groningen (167.000 inwoners).
- Thuiszorg STAD Groningen is in 1992 uit een fusie ontstaan. Als
eerste en enige thuiszorginstelling in Nederland heeft Thuiszorg
STAD in 1996 een NEN/ISO-kwaliteitscertificaat behaald.
- Thuiszorg STAD Groningen kiest voor zowel horizontale als verticale integratie. Deze processen vinden tegelijkertijd plaats.
- Horizontale integratie:
In de provincie Groningen zijn twee thuiszorginstellingen (Thuiszorg
STAD en Thuiszorg Ommelanden). In Oost-Groningen is de thuiszorg nog niet geïntegreerd en zijn er vijf gezinszorginstellingen en
een vereniging voor kruiswerk.
Twee organisaties hebben besloten om in de loop van 1997 te
fuseren:
- Thuiszorg STAD Groningen en
- Kruisvereniging Oost-Groningen.
Waarschijnlijk sluit Thuiszorg Ommelanden zich hierbij aan in 1998.
- Verticale integratie:
Thuiszorg STAD Groningen verkent met enkele verpleeg- en verzorgingshuizen de mogelijkheden van een gezamenlijke toekomstige
holding, bestaande uit:
- Thuiszorg STAD Groningen;
- Prof. Heijmansstichting te Groningen: 2 verpleeghuizen, 4
verzorgingshuizen en woningen;
- Verzorgingshuis Bernlef;
- Verpleeghuis Innersdijk.
Genoemde motieven voor besluit tot integratie:
Horizontale integratie:
- Efficiency en doelmatigheid: verlaging van de kostprijs per eenheid
product in de zorgverlening.
- Vergroten van de invloedssfeer en concurrentiekracht ten opzichte
van regionale en met name landelijke zorgverzekeraars.
Verticale integratie:
- Zorgcontinuüm creëren van intra- en extramurale voorzieningen
voor verpleging en verzorging met één aanspreekpunt voor de
cliënt. Veiligheid en zekerheid in elke fase van zorgverlening moeten hiermee worden gewaarborgd.
- Verbetering van gezamenlijke kwaliteit van zorgverlening door
gezamenlijke scholing.
- Gezamenlijke positionering op de schaarser wordende arbeidsmarkt
(inclusief nieuwe carrièrekansen).
- Vergroten van de invloedssfeer ten opzichte van de regionale
zorgverzekeraar en andere spelers in de 'care'-markt (m.n. geestelijke gezondheidszorg en gehandicaptenzorg).
Juridische structuur:
Horizontale integratie:
- Fusie, waarbij de kernactiviteiten (verpleging/verzorging en huishoudelijke zorg) worden uitgevoerd in geografisch ingedeelde
werkmaatschappijen. In de loop van 1997 zijn dit de regio's Groningen-stad en Oost-Groningen; vanaf 1998 is Ommelanden
waarschijnlijk de derde regio.
- De aanvullende en gespecialiseerde diensten (o.a. kraamzorg,
ouder- en kindzorg, diëtetiek, gespecialiseerde verzorging, alphahulp, personenalarmering en maaltijdvoorziening) worden op
provinciaal niveau gebundeld, vooralsnog in een aparte stichting,
waarin de drie betrokken instellingen deelnemen.
Zodra ook Thuiszorg Ommelanden zich door fusie heeft aangesloten bij de Groninger Thuiszorg, zal de stichting voor aanvullende en
gespecialiseerde diensten vermoedelijk onderdeel worden van de
gezamenlijke holding of het concern.
Verticale integratie:
- De participanten hebben het voornemen een holding te vormen
binnen de stad Groningen. Ook fusie wordt hierbij als mogelijke
vorm niet uitgesloten.
- De voorbereidingen bevinden zich nog in een verkennende fase.
Bepalende factoren:
- Na veel tumult in verband met grote financiële problemen tijdens de
fusie van Thuiszorg STAD Groningen in 1991 is er inmiddels een
evenwichtige thuiszorginstelling ontstaan met een goede kostprijs
in vergelijking met de omliggende thuiszorginstellingen.
Horizontale integratie:
- RZG is de dominante zorgverzekeraar voor de gehele provincie
Groningen met een marktaandeel van 85%. Hiermee is de provincie
wat betreft financiering een overzichtelijk gebied voor de "Groninger Thuiszorg".
- Bij Thuiszorg Ommelanden is men na een fusie tussen kruiswerk en
gezinszorg nog orde op zaken aan het stellen. Een tijd lang heeft
men gekoerst op verticale integratie met verzorgings- en verpleeghuizen, maar deze prioriteit is inmiddels gewijzigd.
Verticale integratie:
- De eindverantwoordelijke directeuren van de twee grootste instellingen hebben beiden vanwege hun leeftijd binnen drie tot zes jaar
de mogelijkheid om terug te treden uit hun functie en hebben geen
persoonlijke ambities voor verdere promotie.
- De directies van de verschillende instellingen zijn alle zeer betrokken bij de inhoud van de zorgverlening en 'vinden' elkaar hierin.
Schaarsteverdeling is hierin een bindende factor.
Fase van ontwikkeling:
- De initiatieven tot zowel horizontale als verticale integratie zijn
enkele jaren geleden genomen. De effectuering hiervan vindt nu
ongeveer tegelijkertijd plaats, hetgeen meer toevallig is dan bewust
zo gepland.
Horizontale integratie:
- De drie thuiszorgregio's binnen de provincie werkten voor het
kruiswerkdeel voorheen samen in de Provinciale Kruisvereniging.
Veel initiatieven, die optimalisering van de schaalgrootte van afzonderlijke diensten tot doel hadden, sneuvelden destijds. Nu ligt
opnieuw een provinciale organisatie in het verschiet, waarbij in dit
geval sprake is van integratie (inclusief gezinsverzorging).
Verticale integratie:
- Sinds 1993 zijn alle verpleeg- en verzorgingshuizen en Thuiszorg
STAD Groningen verenigd in een federatief verband: de Stichting
Zorggroep STAD Groningen.
- De huidige initiatiefnemers komen medio 1996 tot de conclusie dat
de samenwerking binnen de Zorggroep te vrijblijvend is en daardoor te weinig mogelijkheden biedt tot intensieve samenwerking.
- 1997: Opdracht aan externe onderzoeker om de mogelijkheden te
inventariseren voor een nauwere samenwerking tussen enkele
participanten van de Zorggroep.
Casus 5: Pantheon Zorggroep te Zwolle
Situatieschets:
- Gebied: Drenthe, Flevoland, West-Veluwe en Zwolle-Kampen (1,2
miljoen inwoners).
- De Pantheon Zorggroep is opgericht per 1 januari 1996. Het is een
stichting met vijf werkmaatschappijen: Vier thuiszorginstellingen
(Thuiszorg Drenthe, Thuiszorg Flevoland, Thuiszorg IJssel-Zwartewater en Thuiszorg Veluwe) en een houdstermaatschappij voor
aanvullende diensten.
- Taakverdeling:
- De thuiszorginstellingen zijn als autonome werkmaatschappij
verantwoordelijk voor de hulpverlening en de afstemming/samenwerking met andere zorgaanbieders op lokaal
en regionaal niveau.
- De houdstermaatschappij (Thuiszorg Beheer en Ontwikkeling) levert aanvullende diensten als de zorgcentrales, particuliere thuiszorg, personenalarmering, thuiszorgwinkels en
maaltijdvoorziening.
- Het centraal bureau van de Pantheon Zorggroep is verantwoordelijk voor het strategisch beleid, prijs- en contracteerbeleid, sociaal beleid, product- en productiebeleid, informatiebeleid, kwaliteitsbeleid, financieel beleid, financiële controle en voorlichting.
- Gezondheidszorg thuis is het uitgangspunt. "Mensen moeten thuis
kunnen blijven bij ziekte of handicap en horen niet in instituties." De
Pantheon Zorggroep streeft daarom naar een sterke thuiszorgorganisatie.
Genoemde motieven voor besluit tot integratie:
- Het belangrijkste motief van de schaalvergroting is versterking van
de machtspositie van de thuiszorginstellingen geweest:
- Versterking van de onderhandelingspositie ten opzichte van
de regionale zorgverzekeraar Het Groene Land (HGL, onderdeel van Achmea).
- Versterking van de concurrentiepositie in Noord-Oost Nederland.
- Versterking van de landelijke positie binnen de thuiszorgbranche.
- Secundair motief: behalen van doelmatigheidswinst.
Juridische structuur:
De Pantheon Zorggroep is een stichting. De vier thuiszorginstellingen en
de houdstermaatschappij zijn alle BV's. De stichting bezit alle aandelen van
de vijf BV's. Voor deze structuur is gekozen om onderlinge fiscale
verplichtingen te vermijden.
Bepalende factoren:
- Voor de grootste van de vier betrokken thuiszorginstellingen was de
holdingvorming een offensieve strategie. Voor enkele andere instellingen was de strategie eerder defensief van aard, aangezien zij bij
de regionale zorgverzekeraar minder gewicht hadden dan hun grote
en dominante collega Thuiszorg Drenthe.
- De regionale zorgverzekeraar Het Groene Land is in bijna het gehele
werkgebied zeer sterk aanwezig. Alleen Thuiszorg Veluwe heeft een
andere zorgverzekeraar als AWBZ-verbindingskantoor (ANOVA te
Amersfoort).
- De vier thuiszorginstellingen hebben uitdrukkelijk gekozen voor
horizontale en niet voor verticale integratie, hetgeen past bij het
motief om de machtspositie in de thuiszorgbranche en ten opzichte
van de zorgverzekeraar te versterken.
Verticale integratie wordt overigens niet uitgesloten. De Pantheon
Zorggroep stelt hierbij wel als voorwaarde dat zij de meerderheid
van de zeggenschap behoudt.
Fase van ontwikkeling:
- Vanaf 1993 is holdingvorming besproken tussen eerst twee, later
zes en uiteindelijk vier thuiszorginstellingen. Thuiszorg Salland en
Thuiszorg het Oude en het Nieuwe Land wilden hun autonomie
behouden en besloten uiteindelijk om niet te participeren in de
Pantheon Zorggroep.
- De holding is gerealiseerd per 1 januari 1996.
- 1997: Vanuit het gezichtspunt van de vier deelnemende thuiszorginstellingen is de meerwaarde van de Pantheon Zorggroep, in
vergelijking met de situatie voorafgaand aan de holdingvorming,
verschillend. Dit hangt nauw samen met de oorspronkelijke schaalgrootte. Zo is de directie van Thuiszorg Drenthe (de grootste van de
vier thuiszorginstellingen) op dit moment van mening dat de Pantheon Zorggroep geen toegevoegde waarde heeft en slechts meer
overheadkosten genereert.
- De oorspronkelijke concernfilosofie was de werkmaatschappijen zo
zelfstandig mogelijk te laten functioneren. Aangezien de doelmatigheidswinst onvoldoende is gerealiseerd, vindt nu een discussie
plaats over een andere inrichting van het concern. Een mogelijkheid
is dat de huidige regionale indeling in vier thuiszorginstellingen
vervalt en er nieuwe bedrijven worden ingericht voor de afzonderlijke product/marktcombinaties, zoals kraamzorg, ouder- en kindzorg,
thuisverpleging/-verzorging, etc.
- Binnen Thuiszorg Drenthe wordt, om de kostprijs te verbeteren, op
dit moment een bezuinigingsoperatie uitgevoerd door beperking
van de indirecte kosten met 5 tot 6 miljoen per jaar. Dit gebeurt
met name door te snijden in het leidinggevend en ondersteunend
personeel en voor andere besturingsprincipes te kiezen. Andere
werkmaatschappijen hebben deze keuze nog niet gemaakt, maar
Pantheon Zorggroep schat in dat de indirecte kosten met in totaal
15 tot 20 miljoen verminderd kunnen worden.
- Elke werkmaatschappij werkt zelf aan samenwerking met ziekenhuizen, verpleeghuizen en verzorgingshuizen in de verschillende subregio's, waarbij zeggenschap over de core business van de thuiszorg
bij voorbaat niet zal worden afgestaan.
Casus 6: 'Carabine', een thuiszorgholding te 's-Hertogenbosch
Situatieschets:
- Gebied: Stadsgewest Den Bosch en Midden-Brabant (Tilburg e.o.),
in totaal 650.000 inwoners.
- Drie participanten in holding per 1 januari 1998:
- Kruiswerk de Bossche Meierij;
- Stichting Gezinsverzorging Stadsgewest 's-Hertogenbosch;
- Thuiszorg Midden-Brabant, een in 1993 door fusie ontstane
regionale thuiszorginstelling.
- Kruiswerk de Bossche Meierij en Stichting Gezinsverzorging Stadsgewest 's-Hertogenbosch werken reeds vele jaren samen en voeren
enkele bedrijfsfuncties inmiddels gezamenlijk uit (indicatiestelling,
telefonische bereikbaarheid, facilitair bedrijf en particulier bureau).
Zij zullen na een fusie in mei 1997 functioneren als tweede werkmaatschappij binnen de nieuwe holding.
- De nieuwe holding draagt de werknaam 'Carabine' (een term uit de
bergsport, die de borging aan de gemeenschappelijke lijn aanduidt).
Genoemde motieven voor besluit tot integratie:
- Vergroten van de invloedssfeer (o.a. uitgedrukt in marktaandeel) ten
opzichte van:
- cliënten(-organisaties)
- zorgverzekeraars
- overheden
- andere zorgaanbieders: andere thuiszorginstellingen en
verticale samenwerkingspartners.
Een verdere schaalvergroting tot een werkgebied van ongeveer
anderhalf miljoen inwoners (inclusief Eindhoven en De Kempen)
zou hiervoor in de toekomst wenselijk zijn.
- Efficiency en doelmatigheid.
De samenwerkingspartners streven sterk naar verdere efficiency- en
dus kostprijsverbetering, maar zullen niet meegaan in een harde
prijzenslag met nieuwe aanbieders. "Die verliezen we toch, dus wij
moeten het van andere krachten hebben."
- Vergroten van de ontwikkelingskracht.
Door de krachten te bundelen kan de onderzoeks- en ontwikkelingsfunctie van de thuiszorginstelling veel sterker worden. Dit betreft
zowel product- als marktontwikkeling. Belangrijke nieuwe markten
voor de thuiszorg zijn de geestelijke gezondheidszorg en de gehandicaptenzorg.
Het strategisch beleid voor de nieuwe organisatie is nog niet aan het
papier toevertrouwd. Als leidend principe geldt "dat we heel wendbaar
willen zijn om optimaal in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen."
Juridische structuur:
Binnen de nieuwe holding zullen twee werkmaatschappijen ontstaan:
1. De bestaande instelling Thuiszorg Midden-Brabant zal binnen de
nieuwe holding als werkmaatschappij blijven bestaan onder eigen
naam.
2. Kruiswerk De Bossche Meierij en Stichting Gezinsverzorging Stadsgewest 's-Hertogenbosch zullen na een fusie functioneren als
tweede werkmaatschappij binnen de nieuwe holding.
De kraamzorg, de zorgcentrale en de Thuiszorgwinkel/uitleen zullen op de
schaal van het gehele werkgebied worden ingericht, maar worden ondergebracht bij een (regionale) werkmaatschappij. Het holdingbureau zal uiterst
bescheiden in omvang zijn. De centrale binding krijgt meer vorm door centralisatie van de besluitvorming over essentiële onderwerpen (door de Raad van
Bestuur) dan door centralisatie van functies. Daarbij gaat het onder andere
om besluitvorming op het terrein van strategisch beleid, marketing, planning
& control, automatisering en arbeidsvoorwaardenbeleid.
Van de vier huidige directieleden wordt één voorzitter van de Raad van
Bestuur, één wordt directeur van de werkmaatschappij Thuiszorg Midden-Brabant en twee vormen samen de directie van de werkmaatschappij in het
stadsgewest Den Bosch. Na twee tot drie jaar moet de Raad van Bestuur
worden beperkt tot drie personen. "Je moet, om de gewenste efficiency te
bereiken, de trap immers van bovenaf schoonvegen."
Bepalende factoren:
- Ondanks een intensieve samenwerking in de afgelopen jaren in het
stadsgewest Den Bosch, is dit tot nu toe niet uitgemond in een thuiszorgfusie. De reden hiervoor was vooral gelegen in bestuurlijke
problemen. Er was sprake van een machtsstrijd op het niveau van
bestuur/raad van toezicht op basis van (vermeende?) cultuur- en
belangenverschillen. De directies vinden nu dat zij hierin voorheen te
weinig het initiatief naar zich hebben toegetrokken. Door een personele wijziging op bestuurlijk niveau en een sterker initiatief op directieniveau zijn de belemmeringen inmiddels niet meer aanwezig.
- De thuiszorginstellingen geven op dit moment prioriteit aan horizontale
integratie, mede omdat verticale integratie op dit moment niet mogelijk
is. De initiatiefnemers geven echter aan dat hun "hart" bij verticale
integratie ligt. De verticale samenwerking blijft, ondanks het feit dat
intensivering van de samenwerking door de partners met de mond
wordt beleden, een vrijblijvend karakter houden. De thuiszorg ziet op
dit moment geen geschikte/bereidwillige partner voor verticale integratie onder de verpleeg- en verzorgingshuizen. Deze zijn nog erg intern
gericht en willen op kleine geografische schaal blijven werken. De
ziekenhuizen willen op termijn graag intensiever samenwerken met de
thuiszorg, maar willen eerst hun onderlinge fusie vormgeven.
Fase van ontwikkeling:
- Het huidige initiatief is in november 1996 ontstaan in persoonlijke
contacten tussen de directies van Thuiszorg Midden-Brabant en
Kruiswerk de Bossche Meierij. In december sloot de directeur van
Stichting Gezinsverzorging Stadsgewest 's-Hertogenbosch zich hierbij
aan.
- In januari 1997 is het initiatief, na goedkeuring door het bestuurlijke
niveau, wereldkundig gemaakt.
- Het plan voor de nieuwe organisatie moet op 1 juli 1997 klaar zijn,
zodat de fusie op 1 januari 1998 kan plaatsvinden.
4.3.3 Beschouwing: indrukken uit de zes praktijkvoorbeelden
Aan de informatie uit de zes praktijkvoorbeelden kunnen geen algemeen geldende
conclusies worden verbonden. Aangezien de selectie hiervoor te klein is, beperken
we ons tot indrukken naar aanleiding van de interviews met sleutelfiguren uit casus 1
tot en met 6.
Overwegingen en motieven
De motieven om te kiezen voor horizontale en/of verticale integratie, zoals de
geïnterviewde directies die noemen, kunnen ingedeeld worden in dezelfde clusters
als in paragraaf 4.2.4. Voor de zes praktijkvoorbeelden ontbreken echter de (defensieve) motieven "identiteitsbehoud" en "dwang".
| Genoemde motieven in casus 1 tot en met 6: | Horizontaal: | Verticaal: |
| Macht/positie 1) |
3 x |
2 x |
| Versterking onderhandelingspositie ten opzichte van zorgverzekeraars
Versterking concurrentiepositie ten opzichte van andere zorgaanbieders Versterking van de positie binnen de thuiszorgbranche Continuïteit van de eigen organisatie 2) |
| |
| Inhoud/kwaliteit 1) |
1 x |
4 x |
| Zorgcontinuüm, meer samenhang in zorgverlening
Zorgverlening vraaggestuurd aanbieden Gezamenlijk antwoord geven op toenemende zorgvraag Gezamenlijke positionering op arbeidsmarkt Versterking van onderzoek & ontwikkeling 2) |
|
|
| Efficiency 1) |
3 x |
3 x |
| efficiencyverbetering voorwaardenscheppende/ondersteunende processen
efficiencyverbetering tussen zorgaanbieders verlaging van de kostprijs / optimalisering schaalgrootte 2) |
1) Het aantal praktijkvoorbeelden waarbij dit motief is genoemd.
2) Er is een kruisje geplaatst als een aspect één of meerdere keren is genoemd in een praktijkvoorbeeld.
Schema 10: Genoemde motieven om te komen tot horizontale en/of verticale integratie
In de door Douma genoemde voordelen van horizontale respectievelijk verticale integratie (zie paragraaf 3.6.6) ligt bij horizontale integratie de nadruk op kostenreductie en concentratie op de ontwikkeling van één product; bij verticale integratie ligt de nadruk op versterking van de onderhandelingspositie en beheersing van de kwaliteit.
De praktijkvoorbeelden komen hiermee, net als in paragraaf 4.2.4 al werd geconstateerd, slechts gedeeltelijk overeen:
De positionering op de krapper wordende arbeidsmarkt speelt hierin voor de geïnterviewden overigens geen hoofdrol. Wel worden door twee geïnterviewden de voordelen van job-rotation genoemd vanuit het perspectief van werken in een verpleeghuis.
Bij de keuze voor horizontale en/of verticale integratie wordt door sommige geïnterviewden een onderscheid gemaakt naar product/marktcombinaties. De thuiszorgdirecties zoeken met name voor de aanvullende en meer specifieke producten een
meer optimale en dus grotere schaal en kiezen hierin voor horizontale integratie
(casus Gorinchem, STAD Groningen en Den Bosch). Het betreft voor alle drie de
producten ouder- en kindzorg, kraamzorg en 7 x 24-uurs bereikbaarheid. Ook wordt
door middel van horizontale integratie soms een grotere schaal gekozen voor de
hulpmiddelen, ledenservice, personenalarmering, maaltijdvoorziening, gespecialiseerde verzorging en bemiddeling alphahulp.
Noemen de geïnterviewden ook alle werkelijke motieven? Deze boeiende vraag is niet eenvoudig te beantwoorden, maar enkele aspecten zijn wel opvallend:
Uit de ervaring van de TIAS-studenten, maar ook uit literatuur over integratie- en fusieprocessen blijkt dat persoonlijke belangen van de managers/bestuurders vaak een rol spelen. Schenk (1996) wijst er bijvoorbeeld op dat statistisch vaststaat dat het inkomen en de reputatie van bestuurders significant positief correleert met de omvang van organisaties. Voor het bedrijfsleven zou dit zelfs kunnen betekenen dat bestuurders een voorkeur hebben voor groei boven winstgevendheid. Wat kan de reden zijn dat de persoonlijke belangen niet worden genoemd? Er zijn drie mogelijkheden:
1. De persoonlijke belangen spelen geen bepalende rol.
2. De geïnterviewden willen niet uitkomen voor hun persoonlijke belangen.
3. De geïnterviewden zijn zich er niet van bewust dat de persoonlijke belangen een motief zijn.
1. Met nadruk wordt het grote marktaandeel in de regio genoemd, maar tegelijkertijd is macht slechts een "ondergeschikt motief".
2. De geïnterviewde, die macht "geen leidend motief" vindt, haalt de woorden van de zorgverzekeraar aan: "Wie er niet bij zit heeft de boot gemist. De Zorgboog is het model van de toekomst. Het gaat ons hierbij niet om de macht maar om de verantwoordelijkheid".
De geïnterviewde vult aan: "De verantwoordelijkheid valt soms zwaar en geeft verplichtingen. Je kunt daardoor, gezien je positie en verantwoordelijkheid, soms geen nee meer zeggen. De samenwerking en samenhang in de ouderenzorg is een absolute noodzaak".
3. Een verpleeghuisdirecteur: "Het machtsmotief geldt niet zo. Groot
worden, wordt ook snel afgestraft." In hetzelfde interview staat hij stil
bij het dralen van een verzorgingshuis, dat ook kandidaat is voor
deelname aan de holding: "Ze vertragen het proces wel erg, misschien moeten we ze toch maar laten vallen en dat andere huis
opnemen, dat staat te trappelen om mee te doen."
Gekozen juridische en organisatorische bindingsintensiteit
In vijf van de zes praktijkvoorbeelden wordt, wat betreft de juridische bindingsintensiteit (zie paragraaf 3.6.3) gekozen voor de holding als juridische vorm. De Zorg Alliantie vormt hierop een uitzondering. Hier is gekozen voor een besturingsnetwerk in de vorm van een coöperatieve vereniging. Deze vorm is overigens bewust gekozen: "Een fusie zou teveel autonomie inleveren betekenen. Bij een coöperatieve vereniging kunnen leden zonder directe consequenties voor hun eigen instelling onderdeel uitmaken van dit grotere geheel en kunnen meerdere instellingen aansluiten. Een belangrijk voordeel van de coöperatieve vereniging is dat de stoelendans van directies en besturen uitgesteld kan worden."
In de casus SOM lijkt een allergie te bestaan voor de discussie over de juridische
structuur : "Zekerheden worden niet ontleend aan structuren, maar aan persoonlijke
factoren, visie en inhoud." Opvallend is dat men tegelijkertijd de 'transmurale nieuwbouw' op het terrein van het Beatrix Ziekenhuis typeert als een "duwende factor" in
het integratieproces en dat waarborgt zelfs de onomkeerbaarheid hiervan.
Wat betreft de organisatorische bindingsintensiteit, beperkt men zich in de verticale integratieprocessen tot de vierde schil (bestuurlijke en directionele integratie) en vindt op onderdelen integratie van de derde schil plaats (integratie van voorwaardenscheppende diensten). Vrijwel geen van de praktijkvoorbeelden van verticale integratie heeft betrekking op de tweede (integratie van cliëntgebonden ondersteunende diensten) of de eerste schil (integratie van het primair proces). Een voorbeeld van integratie van de tweede schil zijn de transferpunten in ziekenhuizen. In het project 'Vernieuwing Ouderenzorg' in Gorinchem kiest men ook voor integratie van het primaire proces (eerste schil).
De praktijkvoorbeelden van horizontale integratie geven grotendeels hetzelfde beeld.
Een uitzondering hierop vormen de eerder in dit hoofdstuk genoemde aanvullende
en specifieke diensten. Hierin gaat men wel over tot integratie van de tweede en
eerste schil door het samenvoegen van afdelingen en diensten per product.
Totstandkoming van de integratieprocessen
In de "Notitie Verticalisering" (Willems e.a., 1997) wordt geadviseerd om bij de
voorbereiding van een integratieproces de volgorde Personen, Inhoud en Vorm (PIV)
te hanteren. Geconstateerd wordt dat vaak ten onrechte gestart wordt met de vorm
en te weinig waarde wordt gehecht/aandacht wordt besteed aan de 'klik' en de
verhoudingen tussen de centrale personen in het integratieproces.
In verschillende praktijkvoorbeelden wordt door de geïnterviewden inderdaad gewezen op het belang van de persoonlijke verhoudingen. In een aantal gevallen is het de bepalende factor geweest. Enkele voorbeelden en citaten:
Aan de verschillende integratieprocessen ligt meestal geen uitgewerkte strategische analyse ten grondslag. Eén van de geïnterviewden spreekt over "intuïtie, toeval en een beetje beleid". In veel situaties heeft men een pragmatische invalshoek gekozen. Door tijdgebrek stelt men een strategische analyse zelfs uit: "We verwachten in de toekomst wel meer systematisch aan het werk te gaan op basis van strategische analyses".
Een uitzondering hierop is de Pantheon Zorggroep, die een weloverwogen keuze
maakt voor horizontale integratie en verticale integratie zelfs vermijdt. Deze keuze
wordt gemaakt ondanks kritische reacties van omstanders en de meer verticale
'mode'.
Een belangrijk verschil is de fase waarin men tot formalisering van de samenwerking
overgaat. In een aantal situaties start de samenwerking met holdingvorming (voorbeeld: Pantheon Zorggroep), in verschillende andere situaties kiest men voor
concrete samenwerkingsprojecten als "voorportaal" of was langdurige samenwerking
in projecten de "voedingsbodem" voor integratie. In de casus dZA in Apeldoorn, geeft
men aan dat men "genoeg had van het vrijblijvende karakter van veel samenwerkingsprocessen".
In paragraaf 4.2.5 werd geconstateerd dat er meerdere werkwijzen mogelijk zijn en
dat er geen standaard aanpak is. Als we de zes praktijkvoorbeelden op een rij zetten
doemt hetzelfde beeld op. De afzonderlijke situaties in casus 1 tot en met 6 zijn
vooral afhankelijk van 1) bestaande persoonlijke verhoudingen, visies, keuzen en
ambities; en 2) de historisch ontstane situatie in een regio.
Partnerkeuze
Welke partijen nemen deel aan de integratie en hoe komt de selectie hiervan tot stand? In een aantal praktijkvoorbeelden worden bepaalde partners nadrukkelijk uitgesloten:
Waar De Zorgboog het ziekenhuis uitsluit, is in de Gorinchemse casus (SOM)
nadrukkelijk gekozen voor het ziekenhuis als integratiepartner. De interviewers
hebben niet kunnen achterhalen of dit een bewuste strategische overweging is òf dat
de bestaande situatie van de Stichting Zorgvoorzieningen Gorinchem e.o. (SZG,
bestaande uit Beatrix Ziekenhuis en twee verpleeghuizen) de doorslag heeft gegeven.
In de Zorg Alliantie heeft men pogingen gedaan om de traditionele thuiszorginstelling, Thuiszorg Oost-Veluwe, te betrekken bij dZA. Deze instelling heeft echter in oktober 1995 laten weten niet te willen participeren in dZA. Volgens dZA was er sprake van een "ruzie-achtige sfeer, doch door de komst van een nieuwe algemeen directeur bij Thuiszorg Oost-Veluwe zijn de partijen weer op zoek naar constructieve overlegmodellen".
Ook de nieuwe directeur van Thuiszorg Oost-Veluwe betreurt deze keuze en kan achteraf slechts één beweegreden distilleren uit het archief van haar voorgangers: "Angst voor het verlies van autonomie". De achterliggende oorzaak was "de sterk naar binnen gerichte blik en langdurige onenigheid in de top".
Na deze weigering heeft dZA besloten om vanaf april 1996 een driejarige samenwerkingsovereenkomst te sluiten met een commerciële thuiszorgorganisatie, de NTN Groep.
NTN wil geen lid worden van dZA: "NTN gelooft niet in vergaande juridische integraties. Onze insteek is: 'back to the core business' en we willen daarin een eigen kleur houden en onafhankelijk blijven. We participeren niet in juridische structuren die ons gaan dicteren hoe het moet. We zijn toeleverancier."
NTN gelooft dat ze door haar kleinschaligheid aantrekkelijker blijft: "een goed product, een interessante prijsstelling en zo kunnen we een platte organisatie blijven". NTN waarschuwt voor "massa-traagheid" door de bureaucratie die een juridische structuur met zich meebrengt.
NTN ervaart wel (indirect) weerstanden van andere niet-commerciële zorgaanbieders naar aanleiding van het feit dat zij in deze samenwerking zijn gestapt. Om deze negatieve reacties op te vangen heeft zowel NTN als dZA Thuiszorg Oost-Veluwe benaderd.
In De Zorgboog is alleen het kruiswerk en niet de gezinszorg onderdeel van de holding. Ten onrechte volgens de huidige Raad van Bestuur van De Zorgboog: "De gezinsverzorging is destijds geschoffeerd; daar ligt leed. Niet bij de werkers, maar wel bij het bestuur".
Een achterliggende oorzaak is volgens de verschillende geïnterviewden de persoonlijke rancune die is ontstaan door het afblazen van de voorgenomen fusie tussen kruiswerk en gezinszorg in het begin van de jaren '90. "Er was een harde vertrouwensbreuk ontstaan."
De gezinszorginstelling SGGH werd daarom pas op een te laat moment betrokken bij het initiatief van De Zorgboog.
Volgens De Zorgboog kan de relatie met de gezinszorginstelling op termijn leiden tot
"meer samenspel en wellicht tot aansluiting bij De Zorgboog". Dit wordt bevestigd
door de directie van de SGGH: "Eerste prioriteit en optie is samenwerking met De
Zorgboog. Er ligt een gelijk gestemd belang."
Resultaten van de integratie
In drie van de zes praktijkvoorbeelden is sprake van voornemens tot integratie en kunnen dus nog geen resultaten worden benoemd.
In de casus De Zorgboog wordt geconstateerd, dat er inmiddels een sterkere positie in de regionale markt is verworven en dat de extra kosten van de holding inmiddels worden gecompenseerd door kostenbesparingen ten gevolge van vermindering van managementfuncties, afstoten van gebouwen en samenvoegen van ondersteunende diensten.
In de casus Pantheon Zorggroep daarentegen wordt door de directie van de werkmaatschappij Thuiszorg Drenthe geconstateerd dat de Pantheon Zorggroep geen toegevoegde waarde heeft en slechts meer overheadkosten genereert. Men overweegt op dit moment om de oorspronkelijke concernfilosofie - de werkmaatschappijen zo zelfstandig mogelijk laten functioneren - aan te passen.
In de casus de Zorg Alliantie worden als resultaten genoemd: 1) De leden van dZA
kunnen nu thuiszorg leveren in de aanleunwoningen; 2) Er is een gemeenschappelijke arbeidspool ontstaan en 3) Men kan elkaar sowieso "sneller vinden".
Het (vooralsnog) niet behalen van de beoogde doelstellingen door de Pantheon Zorggroep roept de vraag op wat de optimale schaalgrootte is bij een integratieproces. Deze vraag kan op basis van de gegevens van de zes praktijkvoorbeelden niet beantwoord worden.
Het onderstaande overzicht laat wel zien dat de gezamenlijke omzet in vier van de
zes casussituaties varieert van 90 tot 180 miljoen. Als in Gorinchem het ziekenhuis niet zou participeren zou deze casus ook binnen deze grenzen vallen. De drie in
paragraaf 4.2.6 genoemde trends zijn overigens slechts beperkt herkenbaar in de
zes praktijkvoorbeelden.
| Thuiszorg | Verpleeghuis | Verzorgingshuis | Ziekenhuis | |
| Helmond
200.000 inw 92 mln |
Kruisw Peelland
17 mln |
5 Verpleeghuizen
54 mln |
7 Verzorgingshuizen + woningen 21 mln | |
| Gorinchem
180.000 inw 210 mln |
Waardse Rading
40 mln |
2 verpleeghuizen (SZG) 35 mln | Vereniging van 17
verzorgingshuizen
50 mln |
Beatrix Ziekenhuis (SZG) 85 mln |
| Apeldoorn
100.000 inw 140 mln |
Samenwerkingscontract met NTN | 2 verpleeghuizen
45 mln |
1 Verzorgingshuis
en Woningcorporatie met 3 verzorgingshuizen 95 mln |
|
| Groningen
560.000 inw 180 mln |
Thuiszorg STAD
40 mln Kruisvereniging Oost-Groningen 15 mln Thuiszorg Ommelanden 45 mln |
3 verpleeghuizen
55 mln |
5 verzorgingshuizen 25 mln | |
| Zwolle
1,2 mln inw 260 mln |
Pantheon Zorggroep
260 mln |
|||
| Den Bosch
650.000 inw 140 mln |
Carabine
140 mln |
Tabel 5: Gezamenlijke omzet in de casussituaties
Carabine heeft voor de verschillende product/marktcombinaties van een thuiszorginstelling een optimale ideaaltypische schaalgrootte vastgesteld, uitgedrukt in het aantal inwoners van het werkgebied en uitgaande van een monopoliepositie in het eerste compartiment (een nadere onderbouwing van deze cijfers is niet bekend bij de studenten):
A. voor avond-/nacht/weekendbereikbaarheid en aanmeldingen kraamzorg: 3 à 4 miljoen inwoners;
B. voor planning en inzet kraamzorg: 1 à 1,5 miljoen inwoners (thuiszorg
Midden-Brabant en Thuiszorg regio 's-Hertogenbosch, 1997).
4.3.4 Strategisch stakeholdersmanagement bij de integratieprocessen
In paragraaf 4.2.7 is geconstateerd dat actief stakeholdersmanagement in de
thuiszorgbranche van grote waarde blijkt te zijn. Het "openhouden van deuren" wordt
vrij bepalend gevonden door het succes van samenwerking.
In hoeverre werken de initiatiefnemers in de zes praktijkvoorbeelden actief en
systematisch aan het onderhouden van hun relaties, die belang hebben bij het
functioneren van de organisatie en het integratieproces?
Belangrijkste stakeholders zijn: cliënten(-groeperingen), medewerkers, zorgverzekeraars, overheden, andere maar niet concurrerende zorgaanbieders (alle mixed-
blessing stakeholders, zie paragraaf 3.5.3) en concurrerende zorgaanbieders (niet-ondersteunende stakeholders).
In de zes praktijkvoorbeelden is bij de initiatiefnemers van het integratieproces
navraag gedaan naar het strategisch stakeholdersmanagement en zijn verschillende
stakeholders geïnterviewd. De belangrijkste indrukken hieruit zijn hieronder per
'soort' stakeholder weergegeven.
Cliënten(-groeperingen)
De wensen van de gebruikers komen weinig expliciet tot uitdrukking in de motivaties
van de geïnterviewden. De tucht van de financiering door zorgverzekeraars lijkt
bepalender te zijn dan de wensen van de uiteindelijke gebruikers. Ook de toenemende schaarste in het eerste compartiment is vaak meer de bindende factor om
gezamenlijk een "zorgcontinuüm" te vormen dan de concrete wensen van de
zorggebruikers.
Er zijn geen cliëntengroeperingen geïnterviewd, omdat per casus de initiatiefnemers
inschatten dat de invloed van deze groeperingen gering is. In geen van de casussituaties hebben cliëntengroeperingen negatieve geluiden laten horen. Mogelijk staan
deze discussies over horizontale en verticale integratie voor hen te ver af van de
dagelijkse praktijk van de zorgverlening.
Medewerkers
Veel geïnterviewden geven aan dat de geluiden binnen de eigen organisaties
wisselend zijn.
Door de Pantheon Zorggroep wordt expliciet gemeld dat er geen draagvlak is voor
de horizontale integratie, maar overigens wel voor de reductie van overheadkosten
waarvan de opbrengsten moeten leiden tot meer uren zorgverlening.
Daar waar de geluiden negatief zijn lijkt dit ingegeven te worden door:
Wat betreft dit laatste bezwaar is het voordeel van een holding, in tegenstelling tot
een fusie, dat de medewerkers geen nieuwe werkgever krijgen. In twee van de
casussituaties is om deze reden ook geen sociaal plan opgesteld.
Omdat er vrijwel geen integratie van de derde en vierde schil plaatsvindt, is er ook
minder belasting van de medewerkers.
Als positief effect van verticale integratie wordt door twee verpleeghuiswerkgevers de
mogelijkheid van job-rotation genoemd. Een van hen zegt hierover: "Het is ook veel
leuker om meer dan chronische zorg te bieden, dat maakt het ook voor het werken in
de zorg aantrekkelijker. Ik zou het doodzonde vinden als we de thuiszorgdiensten
zouden moeten missen. Dat zijn de poortwachters voor de zorg, die vormen de
entree, daar geef je je visitekaartje, daar ligt een gouden markt."
Zorgverzekeraars
Alle geïnterviewden zijn in het bijzonder gericht op de regionaal dominante
zorgverzekeraar. Deze vervult immers tevens de functie van verbindingskantoor
voor de AWBZ, hoewel de overheid plannen heeft om dit in 1998 ingrijpend te
wijzigen en deze functie onder te brengen bij onafhankelijke instituten.
Kenmerkend voor de situatie van de meeste zorgverzekeraars is:
Van de regionale zorgverzekeraars als stakeholder zijn er twee geïnterviewd: TRIAS
en RZG. Beide profileren zich sterk als regionale zorgverzekeraar.
TRIAS is geen voorstander van marktwerking en concurrentie in de gezondheidszorg, omdat dit een kostenverhogend effect heeft. TRIAS heeft dan ook geen
principieel bezwaar tegen een verticale integratie, ook niet als dit in Gorinchem een
monopoliepositie van de SOM-partners tot gevolg heeft. Vanuit het perspectief van
de inhoud van zorgverlening (cliënt centraal in het zorgcontinuüm) vindt TRIAS de
nieuwe holding van de SOM-partners een goede zaak. TRIAS vindt wel dat de
integratie zich zou moeten beperken tot de 'care' en heeft grote bezwaren tegen de
betrokkenheid van het Beatrix Ziekenhuis. Dit ziekenhuis concurreert namelijk met
het Merwede Ziekenhuis in Dordrecht, waarvan het adherentiegebied zich uitstrekt
tot ver in het werkgebied van de thuiszorginstelling en verzorgingshuizen van de
SOM-partners (West-Alblasserwaard). De holding van de thuiszorginstelling met een
van de twee ziekenhuizen dwingt TRIAS mogelijk om een andere thuiszorgaanbieder
toe te laten in de West-Alblasserwaard.
Het beeld van RZG uit het interview met Thuiszorg STAD was dat RZG een compleet andere visie heeft dan TRIAS. Thuiszorg STAD geeft aan dat RZG onder het
mom van 'een nieuw evangelie' met name vindt dat hun verzekerden keuzemogelijkheden moeten hebben door middel van nieuwe aanbieders op de markt.
Tijdens het interview met RZG bleek echter dat de nadruk inderdaad ligt op de
keuzevrijheid voor de verzekerden, maar dat Thuiszorg STAD de 'preferred provider'
is. De voorgenomen horizontale en verticale verbindingen van Thuiszorg STAD
worden gezien als een goede stap in de richting voor het aanbieden van zorgarrangementen waardoor keuzevrijheid voor cliënten kan worden bewerkstelligd. RZG
is tevreden over de samenwerking met Thuiszorg STAD. Gegeven het feit dat er nog
geen zorgarrangementen bestaan heeft RZG voor 1997 contracten voor zowel
eerste als tweede compartimentszorg afgesloten met NTN en SamenZorg.
De regionale zorgverzekeraar in het gebied van de Pantheon Zorggroep is Het
Groene Land (HGL, onderdeel van de Achmeagroep). HGL is niet geïnterviewd,
maar een van de woordvoerders van de Pantheon Zorggroep zegt het volgende
over de relatie met HGL: "Het Groene Land stelt zich op àchter de Pantheon Zorggroep. Dit houdt in dat zij alleen contracten afsluit met de Pantheon Zorggroep en de
twee overige traditionele thuiszorginstellingen in hun werkgebied. HGL ziet dit als een
win-win-relatie en ontwikkelt samen met Pantheon servicepakketten, die zij in het
aanvullende verzekeringspakket kunnen opnemen. Tevens geeft de Pantheon
Zorggroep een zorggarantie af voor verzekerden van HGL, die daarvoor met de
Pantheon Zorggroep financieringsafspraken heeft gemaakt."
Overheden
Bij het beleid van de landelijke overheid is eerder stilgestaan in hoofdstuk 3. Centraal
hierin staan de toenemende marktwerking (in het bijzonder in de thuiszorg) en de
indeling van de gezondheidszorgmarkt en -financiering in drie compartimenten.
Over het vraagstuk van horizontale en verticale integratie zijn tot nu toe geen
specifieke uitspraken gedaan. De afstemming en samenhang tussen de thuiszorg,
verzorgingshuizen en verpleeghuizen wordt wel benadrukt, onder andere naar
aanleiding van het rapport van de Commissie-Welschen (Ministerie WVC, 1994). Om
deze reden is de financiering van de verzorgingshuizen gewijzigd en met ingang van
1997 ondergebracht in de AWBZ.
De geïnterviewden in de zes praktijkvoorbeelden noemen geen van allen expliciet de
invloed van de landelijke overheid op hun overwegingen tot horizontale respectievelijk verticale integratie.
De rol van de provinciale overheid komt het sterkst tot uitdrukking bij SOM. De
provincie Zuid-Holland is erg enthousiast over de initiatieven in Gorinchem e.o.
aangezien deze passen in het provinciale beleid 'Modernisering van de Ouderenzorg'. De provincie beloont de initiatieven in Gorinchem e.o. met verschillende extra
subsidies.
Over de gemeentelijke overheden noemen enkele geïnterviewden dat deze geen
voorstander zijn van de integratie. Dit komt overigens voor bij initiatieven van zowel
horizontale als verticale integratie. Het belangrijkste bezwaar dat wordt genoemd is
het "grote machtsblok" dat ontstaat, in het bijzonder ten opzichte van kleine gemeenten op het platteland.
Belangrijkste andere zorgaanbieders
In paragraaf 4.3.3 is er onder het kopje 'partnerkeuze' al aandacht besteed aan
enkele voorbeelden van niet-participerende thuiszorginstellingen.
Relevante andere zorgaanbieders zijn voorts:
In de meeste situaties lijken de ziekenhuizen op dit moment geen behoefte te
hebben aan voorwaartse integratie en zijn het 'gewone' samenwerkingspartners voor thuiszorg, verpleeg- en verzorgingshuizen in het kader van de
vele ontwikkelingen op het terrein van "transmurale zorg". De casus SOM is
hierop uiteraard een uitzondering, maar ook in de regio van de Pantheon
Zorggroep zijn andere geluiden te horen.
In Emmen bestaat sinds 1995 een samenwerkingsverband voor transmurale
zorg rondom het Scheeper Ziekenhuis. Dit ziekenhuis kiest voor diagnose en
behandeling als core business en vindt dat de zorgverlening bij andere
aanbieders hoort. Het Scheeper Ziekenhuis heeft zich ook bereid verklaard
om de substitutie van zorg te financieren en is voorstander van een regionale
budgetstructuur met een centrale logistieke aansturing in het veld: "Door een
aparte rechtspersoon gezamenlijk op te richten kunnen de inkomens van de
zorgaanbieders worden verdeeld en de zorg worden verbeterd door met
name de logistieke aansturing van de processen te stroomlijnen."
Een voorwaarde om deze andere vorm van besturing te realiseren in Drenthe
is dat de thuiszorg zich "op moet knippen in drie regio's" (corresponderend
met de adherentiegebieden van de drie Drentse ziekenhuizen).
Het uitgangspunt van de Pantheon Zorggroep, dat men geen zeggenschap
afstaat over de core business, wordt dan ook betwist door de door ons
geïnterviewde directie van het Scheeper Ziekenhuis in Emmen: "Een partij
moet nooit zeggen wat men in eigen beheer wil houden, zo kun je onvoldoende in samenwerking ontwikkelen."
Zorgverzekeraar Het Groene Land is volgens het Scheeper Ziekenhuis een
voorstander van de geschetste regionale beheersstructuur, die moet leiden
tot "meer efficiency en kwalitatieve verbetering".
De positionering van de huisartsen is het meest opvallend in de casus SOM,
waar dan ook een vertegenwoordiger van de Regionale Huisartsen Vereniging (RHV) is geïnterviewd. Nadat de drie SOM-partners in het najaar van
1996 het voornemen van de holdingvorming in Gorinchem e.o. bekendmaakten, kwam de grootste oppositie van de medisch specialisten en de huisartsen. De mededeling over het voornemen tot fusie is door hen als een overval
ervaren, in het bijzonder omdat men gezamenlijk de 'Deilgroep' vormt, een
regionaal samenwerkingsverband van ziekenhuis, verpleeghuizen, verzorgingshuizen, thuiszorg, medisch specialisten en huisartsen. De medici zien
nu een binnen- en buitencirkel binnen de 'Deilgroep' ontstaan.
De huisartsen kunnen zich overigens vinden in de grote lijnen van SOM
(zorgcontinuüm, meer samenhang in de zorgverlening, etc.), maar hebben
als grootste bezwaar dat er "één grote monopolist" gaat ontstaan. Deze
schaal past niet bij de kleinschalige concepten van de huisartsen, die aansluiten bij hun praktijkgrootte.
Bovendien vrezen de huisartsen voor een prioriteitenstelling tussen ziekenhuis en thuiszorg, die in het nadeel van de cliënten in de thuissituatie uitvalt.
Tot slot
De verschillende stakeholders kunnen een belangrijke positieve bijdrage leveren aan
het integratieproces, maar kunnen ook tegenmaatregelen nemen. Voorbeelden
hiervan zijn:
A) Instellingen: concurrentie aangaan;
B) Professionals: hindermacht uitoefenen;
Een voorbeeld van de hindermacht van de professionals wordt ondervonden door de
SOM-partners in Gorinchem. Zij zijn in het najaar van 1996 volledig verrast door de
reactie van deze stakeholders en hebben hun opstelling ten opzichte van de
professionals inmiddels gewijzigd door vertegenwoordigers van deze stakeholders
aan de gesprekstafel uit te nodigen.
Ook in twee van de zes praktijkvoorbeelden lijken de initiatiefnemers van integratieprocessen zich sterk bewust te zijn van het belang van stakeholdersmanagement en
besteden hieraan veel aandacht.
Zo heeft Thuiszorg STAD Groningen in de afgelopen jaren bewust veel energie
besteed aan het ontwikkelen en onderhouden van het netwerk: "We hebben onze
toegangspoorten goed opengehouden. De invalshoek hierbij is: het zo goed mogelijk
verdelen van de schaarste is voor iedere partner een legitiem uitgangspunt van
gesprek en werkt samenwerkingsbevorderend".
Ook in Den Bosch hechten de initiatiefnemers veel belang aan stakeholdersmanagement: "De buitenwereld bepaalt de binnenwereld. Daarom besteden we veel aandacht aan het integreren van krachten."
De Pantheon Zorggroep, in casu Thuiszorg Drenthe, is zich ervan bewust dat zij tot
voor kort een slecht imago had bij stakeholders, maar inmiddels investeert men veel
meer in de relatie met stakeholders.
4.4 Ronde Tafel Gesprek
4.4.1 Inleiding
Met als basis het hiervoor beschreven theoretisch kader, de resultaten van de
inventarisatie (zie 4.2) en de praktijksituaties (zie 4.3) hebben de vijf TIAS-studenten
op 26 maart 1997 een Ronde Tafel Gesprek gehouden. Onder de noemer "Verticaal
of horizontaal, wat maakt het uit?" gingen 15 gasten met verschillende achtergronden (zie deelnemerslijst, bijlage 13) met elkaar in discussie naar aanleiding van de
door de studenten gehouden inleidingen.
4.4.2 Theorie en praktijk
Het programma (zie bijlage 13) startte met een presentatie over aanleiding en theorie
door Ton Swagerman. Hij schetste kort de actualiteit in de gezondheidszorg en met
name de thuiszorg, de theoretische invalshoeken, de mogelijke keuzen rond
schaalvergroting en de vraagstelling. Vervolgens lichtte Lidy Hartemink de inventarisatie van de praktijk in samenwerking toe (zie paragraaf 4.2). Zij gaf een overzicht
van de reikwijdte, de gekozen vormen en de percentuele verdeling daarin en een
overzicht van de genoemde strategische overwegingen.
In de eerste discussieronde kwamen met name de behoeften en de belangen van de
cliënt aan de orde. Door het ontstaan van monopolies in bepaalde regio's verliest de
cliënt de keuzemogelijkheid om tussen verschillende aanbieders te kiezen. Het is
echter de vraag of de cliënt die keuze zo wil maken. De cliënt kiest voor kwaliteit,
voor verschillende zorgvormen (differentiatie), voor bepaalde hulpverleners
(persoonsgebonden budget) en voor bepaalde service.
De aanbieders (verticaal of horizontaal in de samenwerking) zouden zich hier ook
meer op moeten profileren. De cliënt heeft baat bij de verticale samenwerking van
zorgaanbieders, omdat op deze wijze een zorgcontinuüm mogelijk wordt. Daarnaast
heeft de cliënt ook baat bij continuïteit van organisaties eerder dan bij een hevige
concurrentie in de regio. Het bieden van een zorgcontinuüm en keuzemogelijkheden
voor de cliënt lijken goed mogelijk door binnen een concern (één besturing) bij de
verschillende werkmaatschappijen een gezonde competitie te stimuleren.
Vanuit de cliëntenorganisaties werd vooral het belang benadrukt van het ene
zorgloket voor alle vragen met betrekking tot zorgverlening, woningaanpassingen
e.d. Voor vragen, bijvoorbeeld op het gebied van de WVG, het PGB en de thuiszorg
zou één regionaal zorgloket moeten functioneren, waarbij indicatie zo breed mogelijk
moet worden gesteld. Aansluitend hierop ontstond een geanimeerde discussie over
de integrale indicatiestelling en de gemeentelijke verantwoordelijkheid daarin. Door
de cliëntenorganisaties werd benadrukt dat het vanuit de cliënt gezien van belang is
duidelijkheid te hebben over de omvang van de schaarste door de feitelijke zorgbehoefte van mensen in kaart te brengen. Vervolgens moet de schaarsteproblematiek
door de politiek worden aangepakt door hetzij meer geld ter beschikking te stellen,
hetzij door de indicatienormen bij te stellen. Door de afgevaardigden van de LVT
werd dit bestreden. Zij benadrukten het risico van verregaande bureaucratie als
gevolg van de integrale indicatiestelling en werden daarin bijgevallen door de
zorgverzekeraars.
4.4.3 Twee praktijkvoorbeelden
Na de eerste ronde kwamen twee praktijkvoorbeelden aan de orde. Door Guus van
Weelden werd de casus Gorinchem toegelicht (paragraaf 4.3). De drie participanten,
de thuiszorg, de verzorgingshuizen, het ziekenhuis met verpleeghuizen, werden
doorgelicht op doelstelling, de bepalende factoren, de ontwikkelingsfase en de
reacties van de stakeholders. Hierbij was met name de reactie van de zorgverzekeraar interessant. Deze stelde zich op als mixed-blessing stakeholder. Samenwerking
van de thuiszorg met verzorgingshuizen en verpleeghuizen vond de zorgverzekeraar
prima, maar wel zonder ziekenhuis. Ten aanzien van het ziekenhuis werd door de
zorgverzekeraar een ander standpunt ingenomen (zie casus 2).
Wil Steenbergen presenteerde vervolgens de casus van horizontale samenwerking,
de Pantheon Zorggroep (zie hoofdstuk 4.3). Zowel de grote omvang, de beperkte
meerwaarde tot nu toe en de discussie over de toekomst waren hierbij interessant
voor de tweede discussieronde.
In deze discussieronde spitste de discussie zich toe op zowel de compartimentering
en de gevolgen hiervan op keuzen voor verticale of horizontale samenwerking.
Daarnaast waren de criteria die met name langdurige gebruikers van thuiszorg
belangrijk vinden een discussiepunt.
De financiering vanuit de drie compartimenten beïnvloedt de strategische keuzen.
De compartimentering bepaalt nu mede de keuze voor verticale of horizontale
samenwerking. Men kiest soms voor verticale samenwerking binnen het eerste
compartiment (nadruk op regionale markt) en soms voor horizontale samenwerking
in het tweede compartiment (nadruk op landelijke markt) en ook wel voor beide.
De discussiepartners vonden het niet uitmaken of men eerst voor verticaal kiest en
later voor horizontaal, of andersom. Als het uiteindelijk doel maar is het verbeteren
van de positie van de cliënt.
Vanuit de cliëntenorganisatie werd met name het belang van duidelijke leveringsvoorwaarden benoemd, naast de noodzaak om vanuit één loket de cliënt te bedienen. De keuze voor horizontale of verticale samenwerking is hieraan ondergeschikt.
Deze leveringsvoorwaarden vanuit de thuiszorg dienen er als volgt uit te zien:
- beschikbaarheid en bereikbaarheid;
- de behoeften van de cliënt centraal stellen;
- continuïteit van de hulpverlening (in proces en in persoon);
- zelfstandigheid behouden;
- kennis en vaardigheden bij hulpverleners;
- de houding van de hulpverleners (respectvol, servicegericht, betrouwbaar);
- realiseren cliëntenrechten (afschrift zorgplan voor cliënt);
- gerichte en goede informatie naar cliënten.
Het zijn alle zeer bekende en reële leveringsvoorwaarden, maar vooral de langdurige
gebruikers van thuiszorg ervaren te vaak dat hieraan niet wordt voldaan (zie bijlage
12).
4.4.4 Motieven, stakeholders en de mening van de cliënt
Het middagprogramma bestond uit een drietal inleidingen en een afsluitende
discussieronde.
Door Ton Swagerman en Lidy Hartemink werd op ludieke wijze de behartigenswaardige uitspraken van de geïnterviewden over de diverse motieven tot samenwerking gepresenteerd. Hieronder worden enkele van deze uitspraken weergegeven:
- "Vraag me niet waarom ik niet wil integreren met mijn buurinstelling, dat ligt
heel gevoelig. Om eerlijk te zijn, die vent ligt me niet. Ik weet ook wel, als je er
zakelijk naar kijkt is er alles voor te zeggen, maar ik voel er niets voor, als ik
met hem integreer heb ik niets meer te zeggen."
- "Dat was een vervelende tegenvaller. We hadden prima contacten, waren
echt maatjes, we gingen ervoor. Ik had nooit verwacht dat het zo erg was, ja,
er waren wel wat vraagtekens, maar dat er zoveel lijken in de kast zaten
hadden we beslist niet voorzien. We zijn er aardig druk mee en het leidt ons
behoorlijk af van onze core-business."
- "Mijn droom is een vloeiend verloop in het zorgcontinuüm, voordelen voor de
cliënten, er mag geen cliënt tussen de raderen van de systemen vastlopen, ik
vind dat maatschappelijk not-done. Ik heb een heilig geloof in de verticale
verbindingen. Al tientallen jaren erger ik me aan die afgebakende domeinen,
die mannetjesmakerij."
- "Het mooie van dit project is dat elementen als prijs, krenten en pap niet
spelen. Zij wilden iets op de thuiszorgmarkt doen. Wij waren een aantrekkelijke partner ondanks het feit dat wij commercieel zijn."
- "Ik ga beslist niet verticaal, stel je voor. In mijn werkgebied van 400.000
inwoners zijn maar liefst 30 verzorigngshuizen en 7 verpleeghuizen. Als ik
daarmee te intensief in zee ga wordt mijn hele organisatie verknipt en doe ik
alle integratievoorstellen van de afgelopen jaren te niet."
- "Het duurt mijn tijd wel uit, ik ga binnenkort toch met de VUT, maar jij, jij bent
nog jong, je moet nog even..... Ik wens je sterkte met je keuzen jong!"
Vervolgens werden door Lita Berkhout de stakeholders belicht. Hierbij werd duidelijk
gemaakt wat de relevante stakeholders willen met de thuiszorg. Met name interessant in deze inleiding waren de conflicterende belangen die onderkend waren in de
uitgebreide inventarisatie en de praktijksituaties. De tegenmaatregelen door diverse
stakeholders met betrekking tot ontwikkelingen in de thuiszorg maken de dynamiek
in het veld duidelijk. Zo ontstond een duidelijk beeld van de vele kansen voor de
thuiszorg met als doel meer en betere zorg voor de cliënt.
De senior beleidsmedewerker van de Gehandicaptenraad, mevrouw Van Schelven,
lichtte ten slotte het perspectief van de cliënt toe. Allereerst benadrukte zij dat de Gehandicaptenraad bij voorkeur spreekt over thuishulp in plaats van thuiszorg. De cliënt
moet in deze visie uiteindelijk kunnen bepalen welke taken er door de professionele
instelling worden verricht. Een instelling en haar medewerkers verlenen in deze visie
dan ook "hulp" en geen "zorg". Dat laatste woord roept te veel associaties op met
betutteling en ondermijning van de zelfstandigheid (in keuzen maken) van de cliënt.
Verder kwam uit deze inleiding naar voren dat er nog zeer veel verbeterpunten zijn
voor de thuiszorginstellingen. De grootste problemen die cliënten hebben met de
thuiszorginstellingen zijn:
- steeds minder hulp;
- geen objectieve indicatiestelling;
- slechte continuïteit bij vakantie/ziekte;
- veel wisselende hulpverleners.
De cliëntenorganisaties hebben dan ook criteria ontwikkeld voor langdurende
thuishulp vanuit gebruikersperspectief (zie bijlage 12).
4.4.5 Discussie en afronding
Vanuit de afrondende discussie volgen onderstaand ten slotte een aantal uitspraken
die van belang worden geacht in het kader van deze scriptie.
Ten aanzien van horizontale samenwerking:
- Een bepaalde schaalgrootte is noodzakelijk om zorg goed te organiseren.
(het CDA).
- Door horizontale samenwerking blijf je bij je core-business en mede hierdoor
kan de gewenste prijs/kwaliteitverhouding gerealiseerd worden. (SOM,
Gorinchem).
- De doelgroepen in de thuiszorg zijn in toenemende mate ook de verstandelijk
gehandicapten en de cliënten in de geestelijke gezondheidszorg. Bij verticale
samenwerking wordt dit onvoldoende opgepakt (LVT).
Ten aanzien van verticale samenwerking
- Verticale samenwerking is een must voor kwalitatief goede zorg voor de cliënt
(Gorinchem).
- Verticale samenwerking is voor de zorgverzekeraar belangrijk om naast
doelmatigheid ook kwaliteit te realiseren (Zorgverzekeraar).
- Het leidt tot het kunnen samenstellen van een productencatalogus, wat voor
de zorgverzekeraar aantrekkelijk is (Zorgverzekeraar).
Ten aanzien van zowel horizontaal als verticaal
- Marktwerking en substitutie van zorg zijn aanleiding tot schaalvergroting en
dus ook voor samenwerking. De vraag is of door de substitutie (van intra-
naar extramuraal) de zorg ook goedkoper wordt.
- Naar de toekomst toe is er nog onvoldoende zicht op de omvang van "nieuwe" doelgroepen in de thuiszorg, zoals verstandelijk gehandicapten en
cliënten in de geestelijke gezondheidszorg (LVT). Het is niet voldoende om je
te beperken tot de doelgroep ouderen door integratie met verzorgingshuizen
en verpleeghuizen. Nieuwe doelgroepen dreigen dan buiten schot te blijven.
De keuze voor horizontale samenwerking (versterking core-business thuiszorg) en/of verticale samenwerking (zorgcontinuüm) wordt hierdoor nog complexer.
- De spanning tussen beide richtingen bevindt zich met name tussen de
continuïteit van de thuiszorgorganisatie en de wensen van de zorgverzekeraars en de gebruikers van zorg. Thuiszorg zal op horizontaal niveau voldoende massa dienen te creëren om te voorzien in een voor de cliënt en
zorgverzekeraar aantrekkelijke productencatalogus. Om deze productencatalogus te kunnen bieden is verticale samenwerking noodzakelijk. Het zorgcontinuüm hangt samen met de doelgroep waar de gebruiker deel van
uitmaakt (oudere of verstandelijk gehandicapte bijvoorbeeld) èn met de verschillende compartimenten waaruit de zorg in dat zorgcontinuüm wordt
gefinancierd (Zorgverzekeraar).
- De resultaten van de verticale en horizontale samenwerking zijn tot nu toe
vaak in de voorwaardenscheppende sfeer bereikt. De integratie heeft nog tot
weinig verbeteringen in het primair proces geleid. Veel organisatorische
samenwerkingsverbanden hebben een beperkte organisatorische bindingsintensiteit en vaak blijft het primair proces buiten schot (Compliance Consult).
- Marktwerking leidt tot risicomijdend gedrag en dus tot schaalvergrotingen. Er
is geen toezicht vanuit de overheid op de naleving van de kartelwetgeving.
Hierdoor ontstaan zowel bij zorgverzekeraars als bij aanbieders nieuwe
monopolies (PvdA).
4.4.6 Tot slot
Ook in dit Ronde Tafel Gesprek wordt de discussie in belangrijke mate bepaald door
de verscheidenheid in opvattingen over de gezondheidszorg. De gezondheidszorg
zou hetzij grotendeels gefinancierd moeten worden uit de collectieve middelen (groot
basispakket), hetzij grotendeels gefinancierd moeten worden uit de markt (klein
basispakket). Parallel hieraan loopt de discussie over ondernemerschap versus
maatschappelijk ondernemerschap. De binnenkort te verwachten beleidsnota van de
minister over de thuiszorg dient ten aanzien hiervan keuzen aan te geven en dus
duidelijkheid te bieden.
5. Discussie en aanbevelingen
5.1 Inleiding
De studie naar horizontale en/of verticale integratieprocessen was voor de vijf TIAS-studenten een boeiende ontdekkingstocht. De drieledige vraagstelling vormde een
goed kader om het nog weinig bekende 'integratieland' vanuit het perspectief van de
thuiszorg in kaart te brengen:
1. Wat kan schaalvergroting door middel van horizontale en/of verticale integratie
bijdragen aan de continuïteit en marktpositie van de bestaande thuiszorginstellingen en aan de klantensatisfactie?
2. Kan er onderscheid worden aangebracht voor de verschillende product/
marktcombinaties, zoals die op dit moment binnen de thuiszorg kunnen worden
onderscheiden?
3. Met welke factoren/omstandigheden moet rekening worden gehouden en wat zijn
de voor- en nadelen als men kiest voor horizontale en/of verticale integratie?
In paragraaf 5.2 worden de meest opvallende zaken van het veelkleurige landschap
van onze ontdekkingstocht getoond. De in deze paragraaf gegeven indrukken en
uitspraken zijn ontleend aan de uitkomsten van de voorgaande hoofdstukken.
Tevens is de afrondende discussie van de vijf TIAS-studenten hierin verwerkt. In
paragraaf 5.3 worden aanbevelingen gegeven voor ieders eigen tocht in integratieland.
5.2 Discussie
5.2.1 Continuïteit, marktpositie en klantensatisfactie
Wat kan schaalvergroting door middel van horizontale en/of verticale integratie
bijdragen aan de continuïteit en marktpositie van de bestaande thuiszorginstellingen
en aan de klantensatisfactie?
Bij de start van de studie naar horizontale en verticale integratieprocessen leefden er
veel vragen (zie hoofdstuk 2 en bijlage 1 en 2). Dit waren vragen zoals: Op grond
waarvan is de samenwerking of integratie gestart? Welke motieven spelen een rol?
Wat zijn de dominante factoren in het proces geweest? Welke resultaten zijn er
geboekt en wat is het toekomstperspectief?
In deze paragraaf zijn de reacties op deze en andere vragen gebundeld.
Motieven voor verticale en/of horizontale integratie
Organisaties integreren verticaal en/of horizontaal op grond van verschillende
motieven (zie paragraaf 4.2.4 en 4.3.3). Daarin zijn met name machtsmotieven,
inhoudelijke/kwaliteitsmotieven en efficiencymotieven te onderscheiden. Uit de
landelijke inventarisatie en de praktijkvoorbeelden blijkt dat twee groepen motieven
een hoofdrol spelen: de macht en inhoud/kwaliteit.
De machtsmotieven betreffen vooral de positionering ten opzichte van de zorgverzekeraars en andere zorgaanbieders. Het gaat dan om versterking van de
onderhandelings- en concurrentiepositie bij het contracteren, vermindering van de
mogelijkheden van toetreding door nieuwe zorgaanbieders en vergroting van eigen
invloed. De inhoudelijke/kwaliteitsmotieven komen tot uitdrukking in het willen
realiseren van een zorgcontinuüm, het streven naar zorg op maat en gezamenlijk
arbeidsmarkt- en personeelsbeleid.
In de praktijk blijkt dat de machtsmotieven relatief vaak een rol spelen bij horizontale
samenwerkingsvormen; de inhoudelijke/kwaliteitsmotieven komen relatief vaak voor
bij verticale samenwerkingsvormen. Efficiency en in mindere mate identiteitsbehoud
zijn motieven bij zowel horizontale als verticale samenwerkingsvormen.
De ervaring van de vijf TIAS-studenten is dat persoonlijke belangen van de managers/bestuurders tevens een rol kunnen spelen. Opvallend echter is dat de geïnterviewden van de zes praktijkvoorbeelden deze motieven niet noemen, ook niet als
hiernaar wordt gevraagd (zie paragraaf 4.3.3). Het is niet duidelijk of de geïnterviewden niet willen uitkomen voor hun persoonlijke belangen, zij zich er niet van bewust
zijn of dat persoonlijke belangen inderdaad geen rol spelen in deze praktijkvoorbeelden.
Efficiency / marges
Met de introductie van marktwerking en concurrentie in de gezondheidszorg, mag
verwacht worden dat "efficiency" als belangrijk motief wordt genoemd voor horizontale en/of verticale integratie. In paragraaf 3.2.4 wordt dit aangeduid met het bedrijfseconomische begrip marges: de ruimte tussen kosten en opbrengsten die nodig is
om bedrijfsrisico's te kunnen opvangen. In de praktijk wordt het realiseren van
marges echter slechts als secundair motief genoemd.
Er kunnen twee verklaringen zijn voor dit verschil tussen theorie en praktijk. In de
eerste plaats nodigen de financieringsregels in het eerste compartiment (AWBZ) niet
uit tot het realiseren van marges in de vorm van reserves. Omdat de reserves naar
de mening van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) te hoog
waren, is in 1997 op de bestaande reserves een budgetkorting toegepast (JOZ,
1996).
Een tweede verklaring kan zijn, dat het tot op heden onduidelijk is of het streven van
de overheid naar marktwerking is gericht op prijs- of kwaliteitsconcurrentie. Het heeft
er volgens Van der Grinten (1997) "alle schijn van dat de oorspronkelijke motieven
van de overheid sterk gekleurd waren door het streven naar kwaliteitsconcurrentie
(vraagsturing), terwijl de praktijk zich ontwikkelde in de richting van prijsconcurrentie".
Naast de nadruk op prijsefficiency zijn de meeste traditionele thuiszorgaanbieders
veelal gericht op het behoud van kwaliteit. Zij schatten in dat de zorgverzekeraars
een iets hoger tarief ("marges" dus) acceptabel vinden voor zover dit veroorzaakt
wordt door investeringen in kwaliteitsverbetering van de zorgverlening en
productinnovatie.
Continuïteit en marktpositie
Door de schaalvergroting, hetgeen een duidelijke tendens is in grote delen van de
thuiszorg, worden de nieuwe (samenwerkingsverbanden van) instellingen dominante
gesprekspartners voor financiers en andere zorgaanbieders. Er ontstaan zelfs
nieuwe monopolieposities.
In paragraaf 3.6.2 wordt gewezen op de paradoxale tendensen die coördinatiemechanismen kennen. Gesteld wordt dat 'concurrentie kan leiden tot een monopoliepositie van één der partijen (concentratie). Dit paradoxale karakter van de coördinatiemechanismen concurrentie, collusie en concentratie leidt tot bewegingen van de
markt. Deze bewegingen betreffen zowel de horizontale relaties tussen bedrijven in
een markt als de verticale en diagonale relaties in en tussen bedrijfskolommen."
Ook tijdens het Ronde Tafel Gesprek (zie paragraaf 4.4) is dit verschijnsel benoemd
door een der aanwezigen (M. Vliegenthart, PvdA): "Marktwerking leidt tot risicomijdend gedrag van organisaties en vervolgens tot schaalvergroting. Marktwerking in de
gezondheidszorg daagt derhalve uit tot monopolisering!" Overigens was de algemene mening tijdens het Ronde Tafel Gesprek dat marktwerking geen geëigend
instrument is in de gezondheidszorg en macro-economisch niet leidt tot kostenverlaging.
Monopolieposities worden doorgaans beperkt door de kartelwetgeving (Wet Economische Mededinging, WEM). In de gezondheidszorg kan de macht van monopolies
desalniettemin welig tieren omdat een controle-mechanisme ter voorkoming van
kartelvorming ontbreekt. Binnen deze omstandigheden kan schaalvergroting dus
inderdaad leiden tot verbetering van de marktpositie en continuïteit van zorgaanbieders.
Klantensatisfactie
Bij de studie naar de integratieprocessen is ook de organisatorische bindingsintensiteit in kaart gebracht. Hierbij worden organisatorische niveaus onderscheiden
volgens de onderstaande indeling (zie paragraaf 3.6.3, 4.3.3 en bijlage 10). Bij
integratie kan onderscheid gemaakt worden naar vier 'schillen' die in organisaties zijn
te onderkennen. In schema:
Schema 11: De vier organisatie-schillen
De legitimatie van elke organisatorische keuze ligt primair in de toegevoegde waarde
voor de klanten; het primaire proces. Tijdens het Ronde Tafel Gesprek bracht de
vertegenwoordiger van de cliëntenorganisatie kwaliteitscriteria van langdurige
gebruikers van thuiszorg naar voren (zie paragraaf 4.4 en bijlage 12). Enkele voorbeelden hiervan zijn:
Beschikbaarheid en bereikbaarheid
De behoeften van de cliënt centraal stellen
Continuïteit van de hulpverlening (in proces en in persoon)
De houding van de hulpverleners
Gerichte en goede informatie naar cliënten.
Dit zijn criteria die op de eerste en tweede schil betrekking hebben.
Nagegaan is of samenwerking, schaalvergroting en integratie het antwoord vormen
op verbetering van de zorg voor de klanten. Als een onderscheid wordt gemaakt in
vier schillen, dan blijkt in vrijwel geen van de verticale praktijkvoorbeelden integratie
plaats te vinden in de eerste en tweede schil. In geen van de organisaties zijn de
primaire processen opnieuw gedefiniëerd vanuit de optiek van de klant. Bij integratieprocessen ligt vrijwel altijd de nadruk op de voorwaardenscheppende diensten en
directie/bestuur (derde/vierde schil).
De vraag of de verticale en/of horizontale integratieprocessen bevorderend zijn voor
de klantensatisfactie is daarom (nu nog) niet bevredigend te beantwoorden. Het kan
een kwestie zijn van tijd. Integratieprocessen met een hoge bindingsintensiteit zijn
namelijk allemaal nog jong. Daarnaast zou het ook te maken kunnen hebben met de
inschatting dat het echt centraal stellen van de klant leidt tot té complexe sturingsprocessen. Het is interessant daar in de toekomst onderzoek naar te verrichten.
5.2.2 Product/marktcombinaties
Kan er onderscheid worden aangebracht voor de verschillende product/ marktcombinaties, zoals die op dit moment binnen de thuiszorg kunnen worden onderscheiden?
Het vraagstuk van horizontale en verticale integratie wordt beschouwd vanuit het
perspectief van de organisaties als geheel. Bij verschillende integratieprocessen
wordt echter ook een onderscheid gemaakt naar de verschillende product/marktcombinaties (zie bijlage 5). Voor de belangrijkste product/marktcombinaties kan de
volgende differentiatie worden aangebracht:
Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL)
Verpleging Hulpmiddelen en verpleegartikelen Jeugdgezondheidszorg
Extra services en (woon/)zorgarrangementen Schema 12: Product/marktcombinaties bij verticale en/of horizontale integratie
Per categorie volgt hieronder een toelichting.
Product/marktcombinaties met een nadruk op verticale integratie
Lokaal en regionaal hebben de HDL, ADL en verpleging veel overeenkomsten en
raakvlakken met de zorgverlening in verzorgings- en verpleeghuizen. Verticale
integratie kan in (de ondersteuning van) het primair proces voordelen hebben in de
vorm van de realisatie van een zorgcontinuüm, lokale herkenbaarheid en de
mogelijkheden tot substitutie van zorg.
Op grotere schaal kunnen voordelen ontstaan door hoogwaardigere ondersteuning
en systeembenutting. Hierbij kan gedacht worden aan voorwaardenscheppende
diensten zoals de zorgcentrale, inhoudelijke ontwikkeling en scholing, e.d. Ook vanuit
het oogpunt van flexibilisering van de arbeidsmarkt en jobrotation kunnen voordelen
worden gerealiseerd.
De HDL, ADL en met name verpleging behoeven naast een relatie met verzorgings-
en verpleeghuizen (care) ook een relatie met het ziekenhuis en de huisartsen (cure).
Product/marktcombinaties met een nadruk op horizontale integratie
Kraamzorg behoeft vanuit de verwijzerskanalen een sterke relatie met verloskundigen, huisartsen en het ziekenhuis. Er is geen specifieke relatie met bijvoorbeeld
verzorgings- of verpleeghuizen. De gebouw-gebondenheid is beperkt en in beginsel
a-specifiek. Het betreft de huisvesting van het qua omvang beperkte management,
de planningsfuncties en de ondersteunende staf. Vanuit bedrijfseconomische en -organisatorische motieven (adequate planning, promotie, centrale functies, etc.) werkt
schaalvergroting kostenverlagend. Gezien de specifieke integratiemogelijkheden op
horizontaal niveau ligt integratie aldaar voor de hand.
Hulpmiddelen, verpleeg- en gemaksartikelen kunnen op grotere schaal bedrijfsmatig
(o.a. logistiek) beter worden georganiseerd. Er zijn verschillende voorbeelden in
Nederland van thuiszorginstellingen die deze product/marktcombinatie gezamenlijk
exploiteren.
Product/marktcombinaties die zich lenen voor verticale en horizontale integratie
Specialistische verpleging wordt steeds meer in een transmurale omgeving tussen
ziekenhuis en thuiszorg en in samenspel met huisartsen gerealiseerd. Dit is aanleiding voor verticale integratie. Tegelijkertijd is het een overweging om hierin, vanwege
het optimaliseren van de schaalgrootte, samen te werken met verschillende thuiszorginstellingen.
Jeugdgezondheidszorg (o.a. consultatiebureaus) is een product/marktcombinatie die
kleinschalig wordt uitgevoerd in de diverse gemeenten en regio's. Vanwege de
doelmatige aansturing en ondersteuning leent de jeugdgezondheidszorg zich
tegelijkertijd voor schaalvergroting. Het is belangrijk dat de relaties met relevante
stakeholders, waaronder de GGD en de verloskundigen, goed onderhouden blijven
worden.
Extra services en zorgarrangementen zijn een nieuw ontwikkelingsterrein. Zowel
verticaal als horizontaal doen zich samenwerkings- en integratiemogelijkheden voor.
Personenalarmering bijvoorbeeld, kan zeer doelmatig op grote schaal worden
georganiseerd. Woon/zorgarrangementen worden daarentegen veel meer plaatselijk
bepaald.
Tot slot
Bij keuzes voor horizontale en/of verticale integratieprocessen dient een onderscheid
gemaakt te worden in de verschillende product/marktcombinaties (zie bijlage 5). Deze
veronderstelling vanuit de theorie wordt bevestigd door de inventarisatie van initiatieven in Nederland en de diepte-interviews.
Beperking concurrentie
Vergroting invloedssfeer in care-markt
Eenduidig strategisch beleid
Beheersing van kwaliteit (verhoging niveau, besparing)
Verbetering van de dienstverlening/verbinding diverse kerncompetenties
Creëren van zorgcontinuüm
Gezamenlijke positionering op
schaarser wordende arbeids-
markt (jobrotation, carrière-perspectief)
Mogelijke kostenbesparing (o.a.
in transactiekosten)
Verzekerde bevoorrading en afzet x
x
x
x x
x
x
x
x
x
x
x
x Cultuurverschillen (overbrugging kost
veel tijd)
Bestuurlijke drukte
Kostennadelen door ongelijke schaalgroottes; kostprijsstijging
Hogere beheerskosten door coördinatiekosten en inefficiënter werken
(wegvallen concurrentieprikkel)
x x
x
x
x Sterkere positië t.o.v. financier
en andere zorgaanbieders
Beperking concurrentie
Concentratie van middelen op
behalen succes in één bedrijfstak
Schaalgrootteoptimalisatie
Overheadreductie / besparing
ontwikkelingskosten x
x x
x
x
x
x Scheve verhouding aanwezige middelen en aanwendingsmogelijkheden
Meer van hetzelfde
Bestuurlijke drukte
Hinder buitengesloten partners x x
x
x Schema 13: Voor- en nadelen van horizontale en verticale integratie
De mengvorm verticale èn horizontale integratie is in het bovenstaande overzicht
buiten beschouwing gelaten omdat de voor- en nadelen van beide vormen daarin
kunnen optreden.
Tot slot
Er is niet één hoofdfactor aan te wijzen waardoor het strategisch keuzeproces voor
integratie wordt bepaald. Steeds is het een combinatie van factoren die in onderlinge
samenhang bepalen of een weg begaanbaar is of niet. Er is geen standaard aanpak!
5.2.4 Een vierde vraag dringt zich op
Na de beantwoording van de drieledige vraagstelling dringt zich een essentiële vierde
vraag op:
Wat wordt verstaan onder het begrip thuiszorg en wat is de toekomstige positie van
de thuiszorg?
Thuiszorg?
Van der Grinten (1997) maakt een onderscheid in vier betekenissen van het begrip
thuiszorg:
1. Het instituut: de thuiszorginstelling in een regio
2. De doelstelling: zorg gericht op het zo lang mogelijk thuis kunnen blijven
3. Een aanduiding van de lokatie: zorg in woningen van particulieren, zorg aan
huis
4. Een conglomeraat van activiteiten: een functioneel omschreven
verstrekking.
In de praktijk blijkt dat al deze betekenissen door elkaar worden gebruikt.
Toekomstige positie
Duidelijk is dat thuiszorg geen zaak is van thuiszorginstellingen alleen. Ook andere
partijen oriënteren zich op thuiszorg of profileren zich met een eigen aanbod. Deze
beweging wordt enerzijds versterkt door mondige klanten die meer keuzevrijheid
hebben en anderzijds door de aanwezigheid van substitutiemogelijkheden. De thuiszorginstellingen zijn in toenemende mate bereid om samen te werken, waardoor
nieuwe gecombineerde zorgaanbieders ontstaan.
De kerncompetentie van de huidige thuiszorginstellingen is de kennis en het vermogen zorgdiensten en -producten achter de voordeur van mensen thuis te leveren;
toegespitst op verpleging, verzorging (incl. kraamzorg) en huishoudelijk werk. Op
grond daarvan heeft de thuiszorg een breed vertakt netwerk van distributiekanalen.
De attitude van de medewerkers, de structuur en logistiek zijn daarop ingericht.
Wanneer de thuiszorg als instelling op termijn zou verdwijnen, is het van belang dat
deze kerncompetentie in de nieuwe organisatievorm wordt behouden.
5.3 Aanbevelingen
In onderstaande aanbevelingen is wederom de drieledige vraagstelling van de scriptie
gehanteerd. Dat wil zeggen dat een ordening is aangebracht in aanbevelingen die:
bijdragen aan de continuïteit en marktpositie van de bestaande thuiszorginstellingen
en aan de klantensatisfactie;
betrekking hebben op het onderscheid naar de verschillende product/marktcombinaties zoals die op dit moment binnen de thuiszorg kunnen worden onderscheiden;
aangeven met welke factoren en omstandigheden rekening moet worden gehouden
en aanbevelingen die aangeven wat de voor- en nadelen zijn als men kiest voor
horizontale en/of verticale integratie.
Naar aanleiding van de later geformuleerde "vierde vraag" zijn eveneens aanbevelingen
geformuleerd.
5.3.1 Aanbevelingen inzake continuïteit, marktpositie en klantensatisfactie
De continuïteit en marktpositie van (thuis)zorginstellingen wordt met name bepaald
door een balans in het effectief inspelen op de vraag (klanten-
satisfactie) en het daaraan gerelateerde aanbod door de inzet van bekwame
medewerkers (medewerkerssatisfactie). Alleen als daaraan wordt voldaan, zal de
toestroom van diensten en middelen op de langere termijn worden veilig gesteld.
Dit betekent bij verticale en/of horizontale integratie primair een oriëntatie op de
inhoud van de zorg en het bieden van identificatiemogelijkheden voor cliënten en
medewerkers.
De beste waarborg voor toegankelijkheid, kwaliteit en doelmatigheid, met andere
woorden "het centraal stellen van het primair proces", kan worden gerealiseerd
door kwaliteitscompetitie, waarbij vraagsturing voorop staat. Bij vraagsturing van
de middelen c.q. financiering dient de sturing bij voorkeur te geschieden door een
systeem van toetsing op parameters (bedrijfsvergelijking).
Het echt centraal stellen van de klant leidt wellicht tot meer complexe sturingsprocessen. Horizontale en/of verticale integratie zal naar verwachting een
bijdrage leveren aan de herinrichting van de "zorglogistieke" processen. Dit
impliceert dat er concretere verbindingen gelegd kunnen worden in regionale
ordening en financiering. Om dit met meer zekerheid te kunnen bevestigen is
echter, zoals eerder vermeld, nader onderzoek noodzakelijk.
5.3.2 Aanbevelingen inzake product/marktcombinaties
Bij overwegingen tot verticale en/of horizontale integratie is het van belang om
differentiatie aan te brengen in de verschillende product/marktcombinaties.
Sommige lenen zich uitgesproken voor verticale integratie, andere meer voor
horizontale integratie. Voorbeelden van product/marktcombinaties bij verticale
integratie zijn HDL, ADL en verpleging. Bij horizontale integratie gelden de
product/marktcombinaties kraamzorg en hulpmiddelen. Als voorbeelden van zowel
horizontale als verticale integratie zijn de product/marktcombinaties ouder- en
kindzorg en zorgarrangementen te noemen.
Indien gekozen wordt voor verticale integratie, hebben verpleeg- en verzorgingshuizen als integratiepartners de voorkeur. Zij hebben dezelfde kernproducten als
de thuiszorginstellingen, te weten HDL, ADL en verpleging. Essentieel hierbij is dat
het zorgaanbod wordt gericht op alle leeftijdscategoriën en niet beperkt wordt tot
de groep ouderen.
Bij verticale integratie met verpleeg- en verzorgingshuizen wordt een hoge mate
van organisatoriche en juridische binding aanbevolen. De belangrijkste reden
hiervoor is de overeenkomst in kerncompetenties en vervolgens de mogelijkheden
van substitutie. Een hoge mate van binding wordt daarom aanbevolen, zelfs als dit
betekent dat de thuiszorginstellingen daardoor als "thuiszorginstelling sec" op
termijn niet voortbestaan, maar opgaan in verbrede organisaties voor verpleging
en verzorging.
De geestelijke gezondheidszorg en de verstandelijke gehandicaptenzorg zijn
eveneens belangrijke samenwerkingspartners voor de thuiszorg. Vergaande
integratie met hen ligt gezien het verschil in kerncompetentie echter minder voor
de hand. In de geestelijke gezondheidszorg staat behandeling (cure) en begeleiding namelijk centraal. Bij de verstandelijke gehandicaptenzorg ligt het primaat op
wonen en welzijn. Meer voor de hand ligt dat de thuiszorg, al dan niet gecombineerd met verpleeg- en/of verzorgingshuizen, op basis van contracten zorg levert
in deze sectoren.
Ondanks het feit dat de kerncompetentie van de ziekenhuizen eveneens in de
cure ligt, wordt op grond van de gevolgen van ziekenhuisbehandeling (noodzakelijke care) nauwe integratie aanbevolen. Met name organisatorische integratie
op het uitvoerende vlak van verpleging en verzorging. Juridische integratie kan
worden beperkt tot lichtere bindingen (samenwerkingsovereenkomsten, allianties,
joint-ventures).
Samenwerking met huisartsen als partner op het vlak van verpleging en verzorging en in het samenspel tussen thuiszorg en ziekenhuis is onontbeerlijk. Samenwerking is een voorwaarde voor het kunnen waarborgen van goede kwaliteit en
continuïteit van zorg, ondanks dat dit (wellicht) complicaties in organisatorische zin
zal geven, gezien de verschillen in organisatiegraad.
Wanneer binnen een organisatie overwegend sprake is van vergaande verticale
integratie, is het aan te bevelen om de product/marktcombinaties die zich lenen
voor horizontale integratie te verbijzonderen. Verbijzondering heeft dan betrekking
op zowel de organisatorische als de juridische binding met de organisatie.
5.3.3 Aanbevelingen inzake factoren en omstandigheden en voor- en nadelen
Stakeholdersmanagement is meer dan het openhouden van deuren en onderhouden van contacten. Aanbevolen wordt over te gaan tot proactief stakeholdersmanagement. Dit betekent werken vanuit de referentie: "Wat wil ik zelf, waar
wil ik naar toe, wie zijn mijn partners en wie niet?" Het is van belang wat stakeholders willen en te bepalen wat de impact is op het (gekozen of te kiezen) beleid. De
duurzaamheid van de relaties met relevante stakeholders is daarbij van groot
belang (zie paragraaf 3.5.3).
Bij de partnerkeuze (voortvloeiende uit de integratiekeuze op basis van de diverse
product/marktcombinaties) is het belangrijk dat het 'klikt' tussen de sleutelpersonen. Is dat niet het geval dan is het aan te bevelen hier aandacht aan te besteden,
alvorens overgegaan wordt tot discussie over inhoud en vormgeving (Willems,
1997).
De voor- en nadelen van verticale en/of horizontale integratie (zie paragraaf 5.2.3)
kunnen verminderd of voorkomen worden door navolging van bovenstaande
aanbevelingen. Daarnaast is toepassing van de overige bevorderende factoren
(zie paragraaf 5.2.3) aan te bevelen, zoals: duidelijkheid over het doel en het
betrekken van medewerkers.
5.3.4. Aanbevelingen inzake toekomstige positionering van de thuiszorg
Rekening houdend met de basale vereisten van toegankelijkheid, kwaliteit en
doelmatigheid, is het aan te bevelen de regionale ordening voor de gezondheidszorg als basisprincipe te hanteren bij het vormgeven van de zorgverlening.
Uitgangspunt daarbij is het creëren van toegevoegde waarde in of voor de
primaire procesen van de te onderscheiden product/marktcombinaties. Op basis
van dit uitgangspunt kunnen organisatorische en/of juridische integraties vorm
krijgen. De kerncompetentie van de thuiszorginstellingen is 'de kennis en het
vermogen om (zorg)diensten achter de voordeur van mensen thuis te leveren'.
Zoals eerder gesteld zijn de (attitude van) de medewerkers, de distributiekanalen,
de structuur en de logistiek daarop ingericht (zie hoofdstuk 3.3.3). Daar ligt de
complementariteit met andere zorgaanbieders. Zowel op het horizontale als het
verticale grensvlak.
5.4 Tot slot
"Verticaal of horizontaal, wat maakt het uit?" Deze openingsvraag vormde de start
van de scriptie. Het antwoord heeft zich in de loop van de tijd ontvouwd: veel rationele en irrationele processen bepalen de (overwegingen tot) samenwerking en integratie.
Het meest typerend in de bevindingen is de dominantie van de persoonlijke "fit"
tussen de spelbepalers. Deze is in sterke mate bepalend voor de voortgang en
slaagkans van een integratieproces. Alles kan nog zo mooi beredeneerd en afgewogen zijn, wanneer betrokkenen elkaar niet "liggen", dan blijken er voortdurend allerlei
onverwachte hobbels en stremmingen op het integratiepad op te doemen.
Klantoriëntatie en -satisfactie blijken wezenlijke motieven te zijn voor de legitimatie
van de integratieprocessen. Ondanks het feit dat het inhoudelijke motief vaak
genoemd wordt, blijkt in de praktijk echter dat integratie nog nauwelijks tot resultaat
heeft geleid op het gebied van vraaggestuurde zorg en zorgvernieuwing. De praktijk
leert dat het een grote opgave is om het primair proces zodanig in te richten dat deze
resultaten ook daadwerkelijk worden behaald.
Met wie op welke wijze het beste kan worden samengewerkt of worden geïntegreerd
is te herleiden uit een zorgvuldige analyse van de omgeving, de eigen krachten en
zwakten en de stakeholders. Veelal is het geen kwestie van verticaal of horizontaal
als geheel. Zoeken naar een optimum per product-marktcombinatie leidt tot een
verscheidenheid in strategieën op het gebied van stakeholders en samenwerkingsvormen.
Beschikbaarheid, deskundigheid en motivatie van de uitvoerende medewerkers
verdient speciale aandacht tijdens de integratieprocessen. In veel situaties wordt
tijdens het contact met de cliënt het product/de dienst vorm gegeven en dus de
kwaliteit bepaalt. De (toenemende) schaarste op de arbeidsmarkt maakt het van
belang om in de strategische afwegingen van verticale of horizontale integratie
personeels- en arbeidsmarktbeleid tot een apart onderwerp van gesprek te maken.
1. Het verschil tussen budget- en inwonerspercentages is te verklaren doordat sommige
organisaties alleen kruiswerk of alleen gezinsverzorging leveren. Hierdoor worden
door deze organisaties wel alle inwoners van een gebied ingebracht maar relatief
minder budget dan door de geïntegreerde organisaties.
2. Opgave door directies thuiszorg, januari 1997
3. Overzicht erkende en in 1996 bestaande instellingen voor gezinszorg en kruiswerk,
COTG, november 1996
Hier kunt u teruggaan naar de pagina met nota's en scripties on-line
Hier kunt u teruggaan naar de huispagina van de Mediatheek Thuiszorg
Nadruk op verticaal
Huishoudelijke Dagelijkse Levensverrichtingen (HDL)
Nadruk op horizontaal
Kraamzorg
Verticaal en horizontaal beide
mogelijk
Specialistische verpleging
Integratie
Voordelen
T
P
Nadelen
T
P
Verticaal
Sterkere positie t.o.v. zorgverzekeraars en andere financiers
x
x
Hinder buitengesloten partners
x
x
Horizontaal
Eenduidig strategisch beleid
x
x
Succes in de ene bedrijfstak vereist
vaak ook aanwezigheid in andere gerelateerde bedrijfstak
x
x
Zend ons uw e-mail. voor commentaar, opmerkingen en suggesties of schrijft eens in ons gastenboek.