VERTICAAL OF HORIZONTAAL WAT MAAKT HET UIT?




EEN STUDIE NAAR HORIZONTALE EN VERTICALE INTEGRATIEPROCESSEN VANUIT HET PERSPECTIEF VAN DE THUISZORG


































AFSTUDEERSCRIPTIE VAN

LITA BERKHOUT

LIDY HARTMENIK

WIL STEENBERGEN

TON SWAGERMAN

GUUS VAN WEELDEN

11 APRIL 1997

KATHOLIEKE UNIVERSITEIT BRABANT

TILBURGS INSTITUUT VOOR ACADEMISCHE STUDIES (TIAS)

STRATEGIE EN MANAGEMENT VAN ORGANISATIES IN DE GEZONDHEIDSZORG

1995-1997 (SMOG-4)





















































Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij electronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de auteurs.





Het is steeds belangrijker om in staat te zijn

tegelijkertijd met elkaar te wedijveren en samen te werken,

maar dit vergt een behoorlijk rijpingsproces.

Bill Gates



























Samenwerking is een proces van verschillende mensen

en het benutten van de verschillende kwaliteiten,

ook deze scriptie getuigt daarvan.


Inhoudsopgave

Voorwoord

1. Inleiding en verantwoording 1

1.1 Korte historie thuiszorg 1

1.2 Marktwerking en verdere schaalvergroting 2

2. Vraagstelling, werkwijze en opzet 5

2.1 Vraagstelling 5

2.2 Werkwijze en opzet 5

3. Theoretisch kader 7

3.1 Inleiding 7

3.2 Omgevingsanalyse 7

3.2.1 Inleiding 7

3.2.2 Begripstoelichting 7

3.2.3 Politieke ontwikkelingen 8

3.2.4 Economische ontwikkelingen 10

3.2.5 Sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen 11

3.2.6 Technologische ontwikkelingen 12

3.2.7 Consequenties voor de thuiszorgmarkt 12

3.3 Bedrijfstakanalyse 14

3.3.1 Inleiding 14

3.3.2 Begripsverheldering 14

3.3.3 Kenmerken van de bedrijfstakstructuur 15

3.3.4 Bedrijfstakanalyse van de sector thuiszorg 16

3.3.5 Product/marktcombinaties thuiszorg 19

3.4 Strategische opties 21

3.4.1 Inleiding 21

3.4.2 Begripsbepaling 21

3.4.3 Strategische motieven 22

3.4.4 Generieke strategieën 22

3.4.5 Ontwikkelingsrichting van de strategie 26

3.5 Stakeholders 28

3.5.1 Inleiding 28

3.5.2 Begripsverheldering 28

3.5.3 Wijze van realisatie van strategisch stakeholders-management 29

3.6 Samenwerkingsvormen 32

3.6.1 Inleiding 32

3.6.2 Coördinatiemechanismen 32

3.6.3 Ontwerp van de samenwerkingsstructuur 33

3.6.4 Productlevencyclus 33

3.6.5 Horizontale en verticale samenwerkingsverbanden/allianties 34

3.6.6 Horizontale en verticale integratie/expansie 36

4 Resultaten praktijkonderzoek 39

4.1 Inleiding 39

4.2 Inventarisatie Nederland 40

4.2.1 Inleiding 40

4.2.2 Reikwijdte van de inventarisatie 40

4.2.3 Samenwerkingsvormen in de praktijk 41

4.2.4 Strategische overwegingen en motieven 44

4.2.5 Totstandkoming van samenwerking en/of integratie 45

4.2.6 Resultaten van de samenwerking en/of integratie 45

4.2.7 Reacties stakeholders 46

4.2.8 Tot slot 47

4.3 Diepte-interviews: zes praktijkvoorbeelden 48

4.3.1 Inleiding 48

4.3.2 Beknopte beschrijving per casus 49

4.3.3 Beschouwing: indrukken uit de zes praktijkvoorbeelden 64

4.3.4 Strategisch stakeholdersmanagement bij de integratieprocessen 71

4.4 Ronde Tafel Gesprek 76

4.4.1 Inleiding 76

4.4.2 Theorie en praktijk 76

4.4.3 Twee praktijkvoorbeelden 77

4.4.4 Motieven, stakeholders en de mening van de cliënt 78

4.4.5 Discussie en afronding 79

4.4.6 Tot slot 80

5 Discussie en aanbevelingen 81

5.1 Inleiding 81

5.2 Discussie 81

5.2.1 Continuïteit, marktpositie en klantensatisfactie 82

5.2.2 Product/Marktcombinaties 84

5.2.3 Factoren en omstandigheden 86

5.2.4 Een vierde vraag dringt zich op 89

5.3 Aanbevelingen 90

5.3.1 Aanbevelingen inzake continuïteit, marktpositie en klantensatisfactie 90

5.3.2 Aanbevelingen inzake product/marktcombinaties 90

5.3.3 Aanbevelingen inzake factoren en omstandigheden en voor- en nadelen 91

5.3.4 Aanbevelingen inzake toekomstige positionering van de thuiszorg 92

5.4 Tot slot 93



Geraadpleegde literatuur 95

Bijlagen

Bijlage 1 Vragenlijst inventarisatie Nederland B1

Bijlage 2 Vragenlijst diepte-interviews B5

Bijlage 3 Structurele bedrijfstakanalyse van de sector thuiszorg B9

Bijlage 4 Concurrentiekrachten thuiszorg B17

Bijlage 5 Product/marktcombinaties thuiszorg B19

Bijlage 6 Stakeholdersweb B21

Bijlage 7 Onderzoek machtsbalans en diagnose B23

Bijlage 8 Ruil en evenwicht B25

Bijlage 9 Analyse stakeholdersrelaties en het integreren van

bestaande management-activiteiten B27

Bijlage 10 Samenwerkingsvormen naar toenemende bindingsintensiteit B29

Bijlage 11 Overzicht van interviews Casus 1 tot en met 6 B31

Bijlage 12 Criteria voor langdurende thuishulp vanuit gebruikers/

patiëntenperspectief B33

Bijlage 13 Uitnodiging Ronde Tafel Gesprek B35





Deze scriptie is geschreven in het kader van de post-academische mastersopleiding "Strategie en Management van Organisaties in de Gezondheidszorg" aan het Tilburgs Instituut voor Academische Studies (TIAS).

Het is een scriptie van vijf TIAS-studenten. We zijn regelmatig meewarig aangekeken of kregen bedenkelijke vragen: "Wat haal je je wel niet op de hals om met z'n vijven een scriptie te schrijven?" en "Zijn jullie niet meer tijd kwijt aan coördinatie en afstemming dan aan de inhoud van het werkstuk?" In een somber moment herkenden sommigen van ons deze vragen, maar uiteindelijk hebben de voordelen opgewogen tegen de nadelen. Die voordelen zijn dat je een groot onderwerp kan onderzoeken en bespreken. We konden bijvoorbeeld ook een inventarisatie maken van alle initiatieven op het gebied van de door ons onderzochte integratie in Nederland.

Prof. dr. Aad A. de Roo was niet alleen de inspirerende 'director of study', maar ook onze scriptiebegeleider. Wij willen hem graag bedanken voor zijn welkome reacties, adviezen en suggesties.

Eén van de nadelen van het met z'n vijven schrijven is de hoge eis die wordt gesteld aan de eindredactie. Hierin zijn we veel dank verschuldigd aan Inkie Theus van het adviesbureau Compliance Consult in Gouda. Zij heeft veel tijd en energie besteed aan de eindredactie met een naar onze mening uitstekend resultaat.

Charles Laurey, directeur en senior-adviseur van Compliance Consult, heeft niet alleen de supervisie gehad over het werk van Inkie, maar heeft ook de laatste zes bijeenkomsten van de scriptiegroep bijgewoond en een stimulerende en aanvullende bijdrage geleverd aan de inhoud van de scriptie. Ook Charles willen we hiervoor graag bedanken!

De scriptie zou niet tot stand hebben kunnen komen zonder de grote medewerking die we hebben gekregen van alle geïnterviewden en de deelnemers aan het "Ronde Tafel Gesprek" dat we op 26 maart 1996 hebben georganiseerd. We werden getroffen door de grote bereidwilligheid en het enthousiasme van iedereen om zijn of haar medewerking te verlenen. Wij willen alle betrokkenen hiervoor hartelijk bedanken.

Wij hebben met genoegen aan deze scriptie gewerkt en wij wensen u veel leesplezier toe.



Tilburg, 11 april 1997

Lita Berkhout

Lidy Hartemink

Wil Steenbergen

Ton Swagerman

Guus van Weelden

1. Inleiding en verantwoording

De vijf schrijvers van deze scriptie zijn allen werkzaam als directeur/bestuurder in de thuiszorgbranche. Hoewel het dan op het eerste gezicht interessant lijkt om juist een andere branche binnen de gezondheidszorg onder de loep te nemen, is toch gekozen voor juist deze uiterst boeiende branche als scriptie-onderwerp.

In de afgelopen twee jaar is de thuiszorg niet voor niets regelmatig bij wijze van voorbeeld onderwerp van gesprek geweest tijdens de TIAS-studiebijeenkomsten. De thuiszorg is op dit moment namelijk van alle branches in de gezondheidszorg het meest in beweging en leent zich daarom bij uitstek voor strategische beschouwingen en analyses.

De thuiszorg is overigens niet alleen boeiend vanuit strategisch, maar ook vanuit menselijk en maatschappelijk perspectief. Het is de vorm van gezondheidszorg die het dichtst bij het dagelijks leven staat. De zorgverleners treden in ieders privéleven: ze komen thuis, waar iedereen het meest 'eigen' maar ook het meest kwetsbaar is.

Elke situatie thuis is anders, niets is er standaard. Dit vraagt bij elk bezoek van thuiszorgverleners opnieuw inlevingsvermogen, creativiteit en flexibiliteit.

De zorg in de thuissituatie lijkt zo vanzelfsprekend en eenvoudig. Het spectaculaire van de thuiszorg zit echter in de gewone dingen van het dagelijks leven.



1.1 Korte historie thuiszorg

De thuiszorg is een sector met een historie van ruim honderd jaar. De laatste tien jaar hiervan zijn het meest turbulent geweest. Deze worden namelijk gekenmerkt door verschillende, elkaar in snel tempo opvolgende processen van ontzuiling, schaalvergroting en de introductie van professioneel management. De thuiszorg is, in tegenstelling tot de intramurale gezondheidszorg, een sector met een zeer beperkte managementtraditie.

De financiering van de thuiszorg is pas in 1980 (AWBZ-verstrekking Kruiswerk) respectievelijk 1990 (AWBZ-subsidieregeling Gezinsverzorging) onderdeel geworden van de financieringsstructuur van de gezondheidszorg. Met ingang van 1997 is het onderscheid in financiering tussen kruiswerk en gezinsverzorging vervallen en is er één verstrekking thuiszorg ontstaan.

Het aantal instellingen is in de afgelopen tien jaar sterk gereduceerd, hetgeen blijkt uit de onderstaande cijfers:

1986
1996 3)
Aantal instellingen voor kruiswerk

± 485 1)

12

Aantal instellingen voor gezinsverzorging

234 2)

43

Aantal thuiszorginstellingen

-

53

Totaal

± 720

108



Bron: 1) Landelijke Vereniging voor Thuiszorg, Wegwijzer Thuiszorg, deel B, hoofdstuk 1.3

2) Stichting Centrale Raad voor Gezinsverzorging, informatiebulletin 26

3) Overzicht erkende en in 1996 bestaande instellingen voor gezinsverzorging en kruiswerk, COTG, november 1996

Tabel 1: Reductie van het aantal thuiszorginstellingen



Het verhaal achter de cijfers maakt ook duidelijk hoeveel er in de laatste tien jaar in de thuiszorg is veranderd. In 1986 werd een instelling voor kruiswerk met ± 40 medewerkers vaak geleid door een hoofdwijkverpleegkundige, die verantwoording aflegde aan een bestuur van notabele vrijwilligers. De instellingen voor gezinsverzorging hadden weliswaar gemiddeld een grotere omvang, maar ook hier was weinig sprake van professioneel management: de directie had vaak een administratieve achtergrond en de leidinggevenden hadden meestal een opleiding tot maatschappelijk werkende gevolgd.

Slechts tien jaar later bestaat in meer dan tweederde deel van Nederland geen onderscheid meer tussen kruiswerk en gezinsverzorging en zijn er regionale thuiszorginstellingen ontstaan met een werkgebied van gemiddeld 250.000 inwoners, met elk meer dan duizend personeelsleden en een gemiddelde omzet van  50 miljoen per jaar. De directies van deze instellingen leggen verantwoording af aan Raden van Toezicht.

Naast de van oudsher bestaande vormen van zorgverlening zoals wijkverpleging, verzorging, huishoudelijke zorg, uitleen van verpleegartikelen en hulpmiddelen, ouder- en kindzorg en kraamzorg, zijn er veel initiatieven genomen tot het aanbieden van nieuwe diensten, zoals:



De snelle ontwikkelingen in de thuiszorgbranche worden versterkt door de in hoog tempo toenemende vraag naar thuiszorg. Deze toename wordt onder andere veroorzaakt door de (dubbele) vergrijzing van de bevolking, vermindering van de informele zorgverlening (mantelzorg en vrijwilligerswerk), verkorting van de ligduur in de ziekenhuizen, beperking van het aantal plaatsen in verzorgingshuizen en uitbreiding van de technologische mogelijkheden voor zorgverlening in de thuissituatie.

Een branche die zich in tien jaar zo turbulent heeft ontwikkeld, vertoont uiteraard nog kinderziektes. De onderlinge verschillen in ontwikkelingsstadium, kwaliteit en doelmatigheid van de thuiszorginstellingen zijn nog groot. De meningen van de directies over de gewenste strategische koers van de thuiszorgbranche lopen onderling uiteen.



1.2 Marktwerking en verdere schaalvergroting

Juist deze branche is door de Nederlandse overheid de laatste vijf jaar uitverkoren geweest om de nieuwe sturingsmechanismen van marktwerking en concurrentie uit te proberen.

Op dit moment kan worden waargenomen dat veel thuiszorginstellingen, mede als reactie op deze introductie van marktwerking, kiezen voor verdere schaalvergroting door middel van integratie met andere zorgaanbieders of deze keuze in overweging nemen.

Onder "integratie" wordt verstaan: het door verschillende zorgaanbieders vaststellen van (het gehele of delen van) gezamenlijk strategisch beleid en het gezamenlijk uitvoeren van (enkele of alle) essentiële bedrijfsprocessen.

Bij de schaalvergroting kan worden gekozen voor twee strategieën:

1) Horizontale integratie:

Schaalvergroting binnen de sector thuiszorg door middel van integratie met gelijksoortige zorgaanbieders, dus met andere thuiszorginstellingen.

2) Verticale integratie:

Schaalvergroting door middel van integratie met complementaire zorgaanbieders binnen de bedrijfskolom waarvan de thuiszorg onderdeel uitmaakt. Dit zijn veelal verpleeg- en verzorgingshuizen en soms ziekenhuizen.

Naast integratie bestaan ook lichtere vormen die in deze scriptie als samenwerking aangeduid worden.

Binnen de thuiszorgbranche is waar te nemen dat er voornemens en keuzen zijn gemaakt voor zowel horizontale als verticale integratie. De keuzen tot integratie worden door sommige thuiszorginstellingen gedifferentieerd naar te onderscheiden product/marktcombinaties binnen de thuiszorgbranche.

De schrijvers van deze scriptie zijn nieuwsgierig naar de motieven en overwegingen die ten grondslag liggen aan deze vormen van schaalvergroting in casu horizontale en verticale integratie. Deze motieven en overwegingen staan daarom centraal in deze scriptie.

Aangezien de schrijvers allen werkzaam zijn in de thuiszorg, zijn de vraagstelling en de scriptie nadrukkelijk geschreven vanuit het perspectief van de thuiszorginstellingen.



2. Vraagstelling, werkwijze en opzet

2.1 Vraagstelling

De in de voorgaande paragraaf verwoorde aanleiding tot het schrijven van deze scriptie leidt tot de volgende vraagstelling:

Wat kan schaalvergroting door middel van horizontale en/of verticale integratie bijdragen aan de continuïteit en marktpositie van de bestaande thuiszorginstellingen en aan de cliëntensatisfactie ?

Kan er onderscheid worden aangebracht voor de verschillende product/marktcombinaties, zoals die op dit moment binnen de thuiszorg kunnen worden onderscheiden?

Met welke factoren/omstandigheden moet rekening worden gehouden en wat zijn de voor- en nadelen als men kiest voor horizontale en/of verticale integratie?



De volgende vragen zijn afgeleid van deze vraagstelling:

1. Welke voorbeelden van horizontale en/of verticale integratie kunnen op dit moment binnen de thuiszorgbranche worden waargenomen?

2. Welke strategische overwegingen en motieven noemen de directies van huidige thuiszorginstellingen voor de keuze tot schaalvergroting door middel van horizontale en/of verticale integratie met andere zorgaanbieders?

3. Hoe wordt het strategisch beleid van directies van thuiszorginstellingen in de huidige praktijk ontwikkeld en vastgesteld als deze kiezen voor horizontale en/of verticale integratie?

4. Wat zijn de meningen en belangen van de integratiepartners en van overige belangrijke relaties ("stakeholders") met betrekking tot de horizontale respectievelijk verticale integratie?

5. Welke vormen (in de zin van juridische en organisatorische bindingsintensiteit) worden gekozen bij de integratie en wat zijn hierbij de belangrijkste overwegingen?

6. Welke product/marktcombinaties kunnen op dit moment binnen de thuiszorgbranche worden onderscheiden? Hoe zullen deze zich ontwikkelen in geval van keuze voor schaalvergroting door middel van horizontale en/of verticale integratie?

7. Welke keuzen voor en vormen van horizontale en/of verticale integratie zijn op basis van een strategische analyse en onderzoek volgens de visie van de schrijvers van deze scriptie wenselijk om de continuïteit van de verschillende product/marktcombinaties, zoals die binnen de huidige thuiszorg kunnen worden onderscheiden, te waarborgen?

2.2 Werkwijze en opzet

Allereerst zijn op basis van een analyse van de thuiszorgbranche de strategische opties, de mogelijkheden voor strategisch 'stakeholdersmanagement' en de mogelijke samenwerkingsvormen beschreven. Deze analyse wordt weergegeven in het theoretisch kader (hoofdstuk 3).

Vervolgens is door de vijf studenten een inventarisatie gemaakt van de initiatieven tot horizontale en/of verticale samenwerking en/of integratie in Nederland. Dit is gedaan door middel van een schriftelijke en telefonische enquête onder thuiszorginstellingen in Nederland (bijlage 1). De resultaten van deze inventarisatie zijn weergegeven in paragraaf 4.2. Vanuit deze inventarisatie zijn zes praktijksituaties geselecteerd, waar diepte-interviews zijn gehouden (zie bijlage 2). In paragraaf 4.3 worden hiervan de resultaten beschreven.

Als laatste fase van het onderzoek is op 26 maart 1996 een Ronde Tafel Gesprek georganiseerd, waarvoor sleutelfiguren uit de Nederlandse gezondheidszorg en vertegenwoordigers van de zes praktijkvoorbeelden zijn uitgenodigd. Doel van deze bijeenkomst was om aan deelnemers de theorie, de resultaten uit de inventarisatie en de diepte-interviews voor te leggen en met hen hierover in discussie te gaan om zodoende tot nadere inzichten te komen. De resultaten van dit gesprek worden weergegeven in paragraaf 4.4.

Ten slotte zijn vanuit het oogpunt van de vijf TIAS-studenten discussiepunten en aanbevelingen geformuleerd op basis van de theoretische en praktische bevindingen. Deze worden als afsluiting weergegeven in hoofdstuk 5.





3. Theoretisch kader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het referentiekader beschreven dat het onderzoeksthema "de bijdrage van schaalvergroting door middel van horizontale en/of verticale integratie aan de continuïteit, de marktpositie en de "cliëntensatisfactie" van de thuiszorg" theoretisch onderbouwt.

Dit referentiekader is tot stand gekomen op basis van theorieën die tijdens de TIAS-studie aan bod zijn gekomen en een literatuuronderzoek naar theorieën omtrent organisatiebeleid en analysemodellen.

Het hoofdstuk start met een analyse van de omgeving en de bedrijfstak van de thuiszorg aan de hand van het model van Porter. Vervolgens worden op basis van de uitkomsten van de analyses de strategische opties geformuleerd volgens het strategie-model van Johnson & Scholes.

Aan de hand van de theorie met betrekking tot strategisch stakeholders-management van Boonekamp wordt ingegaan op de wijze waarop stakeholders gemanaged kunnen worden in de bedrijfstak van de thuiszorg. Stakeholders zijn in dit kader van belang omdat ze netwerken vormen die resultaten van strategische keuzen kunnen versterken of afzwakken.

Tot slot worden op basis van het voorafgaande de mogelijke samenwerkingsvormen geschetst.



3.2 Omgevingsanalyse

3.2.1 Inleiding

Ontwikkelingen die betrekking hebben op de omgeving van organisaties kunnen in kaart worden gebracht met behulp van de zogenaamde PEST-analyse. De PEST-analyse is een nuttig hulpmiddel voor organisaties om te komen tot een geïntegreerde strategische analyse (Johnson & Scholes, 1993).

In dit hoofdstuk wordt allereerst een korte theoretische toelichting gegeven op de PEST-analyse. Vervolgens zal specifiek voor de thuiszorg een aantal belangrijke ontwikkelingen omschreven worden welke een sturende invloed hebben op deze sector.



3.2.2 Begripstoelichting

In de PEST-analyse wordt onderscheid gemaakt tussen Politieke, Economische, Sociaal-Maatschappelijke en Technologische ontwikkelingen in de omgeving van organisaties. Johnson & Scholes beschrijven drie modellen om tot een strategische analyse van organisaties te komen, te weten:

1. een model om de aard van de omgeving vast te stellen;

2. een model om de historische waarde van omgevingsinvloeden vast te stellen;

3. een model om de belangrijkste externe invloeden vast te stellen.

De resultaten van de toepassing van deze modellen leiden tot een beeld van de belangrijke krachten die op een organisatie inwerken. Hierbij gaat het om een zo goed mogelijk begrip van de strategische waarde van deze krachten, de zogenaamde kansen en bedreigingen.

De PEST-analyse kan gebruikt worden als checklist, voor het opsporen van hoofdinvloeden, voor het vaststellen van sturende lange termijn invloeden en voor het vaststellen van de diversiteit van de invloeden.

De thuiszorgmarkt wordt geconfronteerd met toenemende bedrijfsrisico's. De kern van de verandering is de overgang van een "bevels-huishouding" in een "onderhandelingshuishouding". Dit krijgt vorm in toenemende bedrijfsrisico's. Deze bedrijfsrisico's zijn gerelateerd aan nieuwe wet- en regelgeving en aan veranderingen in de kostenstructuur. Het resultaat hiervan is vervanging en afwenteling in de hiërarchische lijn (bureaucratie).

Deze invloeden worden in onderstaande PEST-analyse uitgewerkt. De uiteindelijke afwenteling c.q. mogelijkheden voor de marktpositie van de thuiszorg wordt vervolgens beschreven in de bedrijfstakanalyse (paragraaf 3.3).



3.2.3 Politieke ontwikkelingen

Inmiddels is een start gemaakt met het doorvoeren van een driedeling in de zorgverzekeringen, de compartimentering. De nieuwe wet- en regelgeving richt zich hiermee op het stapsgewijs vormgeven van steeds grotere bedrijfsrisico's voor zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Dit geldt met name voor het zogenaamde tweede compartiment. Tevens brengt de overheid doelbewust veranderingen aan in de bedrijfstakstructuur door het doorbreken van bestaande monopolies van zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Het achterliggende doel van deze ontwikkeling is het vergroten van de doelmatigheid.

Het eerste compartiment

Het eerste compartiment is de AWBZ met daarin opgenomen vooral de langdurige zorg en de particulier onverzekerbare risico's, die met name betrekking hebben op het "care" aspect.

Binnen het eerste compartiment streeft de overheid naar aanbodregulering door middel van het vaststellen van het beschikbare macrovolume. Het jaarlijks vast te stellen macrobudget wordt verdeeld over de regio's. De Ziekenfondsraad sluit overeenkomsten met de verbindingskantoren 'nieuwe stijl'; de zogenaamde regionale zorgkantoren. Dit zorgkantoor contracteert de zorgaanbieders en maakt productie-afspraken. De te hanteren maximumtarieven worden vastgesteld door het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (COTG).

De toegang tot de AWBZ zal onder toezicht komen te staan van de lokale overheid via het model van onafhankelijke indicatiestelling.

Positie van de thuiszorg

Binnen het eerste compartiment is de thuiszorg de enige bedrijfstak van de Nederlandse gezondheidszorg waar sprake is van een marktwerking. Deze marktwerking krijgt gestalte door:

- de afschaffing van het erkenningensysteem;

- de afschaffing van de contracteerplicht;

- afbouw van budgetgarantie van bestaande aanbieders van 100% tot 65%;

- het toelaten van nieuwe aanbieders door een ruimer vergunningenbeleid (onder voorwaarde van naleving van de CAO Thuiszorg, het leveren van een integraal pakket en het voldoen aan de Kwaliteitswet).

Het tweede compartiment

Het tweede compartiment bestaat uit de ziekenfondswet, de particuliere verzekeringen en de ambtelijke ziektekostenregelingen. In dit compartiment bevinden zich de zogenaamde verzekerbare risico's. De inhoud van het pakket van het tweede compartiment is met name de curatieve zorg.

Binnen het tweede compartiment wordt door de overheid de zogenaamde gereguleerde marktwerking ingevoerd.

Positie van de thuiszorg

Voor wat betreft de thuiszorg zal alleen de kortdurende ziekenhuisgerelateerde thuiszorg en kraamzorg ten laste komen van het tweede compartiment. Met het opnemen van kortdurende ziekenhuisgerelateerde thuiszorg in het tweede compartiment is per 1 januari 1997 een "knip in de thuiszorg" ontstaan tussen kortdurende en langdurende thuiszorg. Deze "knip" heeft tot doel de samenwerking en substitutiemogelijkheden van de thuiszorg en de ziekenhuizen te bevorderen en te stimuleren.

De sector thuiszorg zal binnen dit compartiment moeten inspelen op het belang van de zorgverzekeraars om te komen tot kostenbeheersing.

Het derde compartiment

Het derde compartiment omvat alle zorg die niet in het eerste en tweede compartiment zit. De overheid draagt ten aanzien van dit compartiment geen verantwoordelijkheid voor kosten en toegang, wel voor de kwaliteit. Dat wil zeggen dat er sprake is van volledige marktwerking. Het derde compartiment is een maatregel om doelmatigheid, zorg op maat en de flexibiliteit, alsmede de kostenbeheersing van de gezondheidszorg, te bevorderen.

Positie van de thuiszorg

De thuiszorg zal binnen dit compartiment met cliënten, ziektekostenverzekeraars, levensverzekeraars en pensioenfondsen dienstenpakketten moeten opstellen. Deze dienstenpakketten worden aangeboden op basis van marktwerking tussen de verschillende aanbieders. De combinatie prijs/kwaliteit van het dienstenpakket en de mate van servicekwaliteit zal bij het verkrijgen van marktaandeel dominant zijn.

Voor de thuiszorg is het samengevat in het kader van bovengenoemde ontwikkelingen belangrijk zorg te dragen voor:

- een goede prijs/kwaliteitverhouding;

- het verwerven van cliënten en zorgen dat zij tevreden zijn;

- het financieel gezond zijn;

- de spreiding van ondernemingsrisico's;

- het leveren van een optimaal zorgaanbod;

- het verwerven van marktleiderschap.



3.2.4 Economische ontwikkelingen

De meeste verzekeraars fuseren waardoor machtige financiële consortia zijn ontstaan. De grote en middelgrote landelijk opererende zorgverzekeraars richten zich vooral op de directe relatie met de verzekerde. Dit betekent dat zij een landelijke dekking voor zorgverlening willen onder gelijke condities. De landelijk opererende zorgverzekeraars leggen het meeste accent op prijs en niet zozeer op de prijs/kwaliteitverhouding of de regionale inbedding van de aanbieder van zorg.

De regionale zorgverzekeraars zijn meestal nog gericht op de aanbieders van zorg. Vaak worden op deze schaal convenanten afgesloten waarin voor de regionale aanbieder een positie als zogenaamde bevoorrechte aanbieder is weggelegd. Vaak kunnen de regionale zorgverzekeraars beter dan landelijk opererende zorgverzekeraars sturen op het netwerk van aanbieders en dus op de onderlinge afspraken. De regionale zorgverzekeraar is naast de prijs gericht op de prijs/kwaliteitverhouding en de regionale inbedding van de aanbieder van zorg.

Verzekeraars lopen in het eerste compartiment vanwege de volledige budgetfinanciering geen bedrijfsrisico's. In het tweede en derde compartiment is dit echter wel het geval. Ze zullen de bedrijfsrisico's die ze lopen in deze twee compartimenten zoveel mogelijk trachten door te schuiven naar andere partijen, zoals de aanbieders van zorg en de cliënt.

De bedrijfsrisico's zullen binnen de thuiszorg toenemen omdat minder zekerheid bestaat over de te behalen omzet. Door de gewijzigde marktomstandigheden zullen de marges moeten toenemen. Daarvoor dienen de kosten verlaagd te worden o.a. door middel van flexibilisering van de arbeidscontracten. Instrumenten als informatisering, kostprijsbeheersing, toetsen op doelmatigheid en productiemanagement dienen nog meer gehanteerd te worden.

Aan de andere kant dient zo veel mogelijk omzet te worden gegenereerd. In het eerste compartiment wordt de aanwezige schaarste verdeeld. Met betrekking tot het tweede en het derde compartiment zal echter de omzet gegenereerd moeten worden via de zorgverzekeraars. Hiervoor is investering in PR en marketing noodzakelijk.

Voor de thuiszorg is het samengevat in het kader van bovengenoemde economische ontwikkelingen belangrijk zorg te dragen voor:

- een goede prijs/kwaliteitverhouding;

- het verwerven van cliënten en zorgen dat zij tevreden zijn;

- het financieel gezond zijn;

- de spreiding van ondernemingsrisico's;

- het leveren van een optimaal zorgaanbod;

- het verwerven van marktleiderschap;

- het doelmatig gebruik maken van innoverende, electronische gegevensverwerking.

3.2.5 Sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen

De cliëntenmarkt

De vergrijzing in Nederland veroorzaakt een stijging in de consumptie van zorg. Deze stijging zal de vraag naar thuiszorg doen toenemen. De eerste reden hiervoor is dat de maatschappelijke en demografische ontwikkelingen leiden tot de wens en de noodzaak van meer zorg in de thuissituatie.

Tegelijkertijd zal door het stijgen van het aantal hoogbejaarden steeds intensiever en meer complexe zorg nodig zijn. De technologische ontwikkelingen maken het mogelijk de complexe en intensieve zorg aan te bieden in de thuissituatie. Daardoor wordt het tevens mogelijk de intramurale capaciteit in te perken en zorg te substitueren naar de extramurale sector.

Tenslotte speelt de afname van de mantelzorg een rol in de toenemende druk op de vraag naar thuiszorg. De samenleving vraagt om het ontlasten van de mantelzorg, omdat het beroep op de mantel als onevenredig zwaar wordt ervaren. Hierdoor komen meer taken ten aanzien van de coördinatie van zorg bij de thuiszorg te liggen.

De positie van de cliënt zal aanzienlijk wijzigen. De invloed van patiëntenverenigingen en regionale platforms zal gezien het overheidsbeleid in de komende jaren toenemen. Hier liggen ontwikkelingen als de toenemende mondigheid van cliënten en de toenemende emancipatie van ouderen en chronisch zieken aan ten grondslag. De cliënt krijgt meer keuzemogelijkheden en dus een sterkere positie ten opzichte van de overheid, aanbieders en zorgverzekeraars. Onder invloed van meer private financiering, de emancipatie van de cliënt en overheidsmaatregelen (zoals Persoons Gebonden Budget) wordt de cliënt meer "inkoper van zorg" dan een "afhankelijke patiënt".

De arbeidsmarkt

Algemeen wordt verwacht dat met name verzorgenden en verplegenden (MBO-niveau) en in mindere mate de verpleegkundigen (HBO-niveau) sterker zullen groeien dan andere disciplines.

Tot voor kort was het werven van voldoende medewerkers geen probleem voor thuiszorginstellingen. In sommige regio's is dit inmiddels niet meer het geval. Het beschikken over voldoende personeel is noodzakelijk om de zorg voor cliënten te kunnen garanderen. Instellingen die als aantrekkelijke werkgever beter dan concurrenten in staat zijn om medewerkers te werven en aan zich te binden zullen in de markt een belangrijke voorsprong hebben en houden.

Instellingen zullen echter rekening moeten houden met het steeds flexibeler en grilliger worden van de arbeidsmarkt. De tot nu toe gegarandeerde arbeidsvoorwaarden van medewerkers komen onder druk te staan door het loslaten van de CAO's. Het realiseren van de beste "fit" tussen cliëntbelangen, medewerkersbelangen en organisatiebelangen is een van de belangrijkste uitdagingen voor thuiszorginstellingen.

Voor de thuiszorg is het samengevat in het kader van bovengenoemde sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen belangrijk zorg te dragen voor:

- het verwerven van cliënten en zorgen dat zij tevreden zijn;

- spreiding van ondernemingsrisico's;

- tevreden medewerkers;

- maatschappelijk ondernemerschap.

3.2.6 Technologische ontwikkelingen

De groeiende technologische mogelijkheden - en met name de telecommunicatie - doorspinnen de gehele samenleving en zullen ook voor de thuiszorg grote consequenties hebben. Telecommunicatie, waaronder de mobiele telefonie, internet, e-mail en daaraan verbonden computerisering wordt steeds doeltreffender en beter betaalbaar.

Dit levert mogelijkheden tot nieuwe vormen van organiseren en plannen waartegen de huidige organisatie- en sturingsmodellen het zullen afleggen. De inzet van hulpverleners kan hierdoor effectiever, maar ook intensiever en op steeds meer wisselende tijden plaatsvinden. Op grond van heldere kwaliteits- en productietargets kan cliëntgerichter en efficiënter gewerkt worden.

Door een aantal technologische ontwikkelingen, op het gebied van medisch-technische apparatuur, zal tevens sprake zijn van een toenemende vraag naar (intensieve) thuiszorg. Binnen ziekenhuizen worden operatieve ingrepen en andere behandeltechnieken steeds effectiever. De opnameduur kan daardoor soms aanzienlijk verkort worden. Het gevolg hiervan is dat meer vraag naar thuiszorg ontstaat en dat deze vraag meer technisch handelen met zich meebrengt.

Daarnaast wordt de apparatuur voor monitoring en ondersteuning van lichaamsfuncties steeds geavanceerder. De mogelijkheden om met (ernstige) chronische aandoeningen thuis te blijven nemen toe. De technische verbeteringen in woningbouw en -aanpassingen houden hiermee gelijke tred waardoor de vraag naar intensieve en medisch-technische thuiszorg toeneemt.

Voor de thuiszorg is het samengevat in het kader van bovengenoemde technologische ontwikkelingen belangrijk zorg te dragen voor:

- het doelmatig gebruik van innoverende, electronische gegevensverwerking.



3.2.7 Consequenties voor de thuiszorgmarkt

De compartimentering leidt ertoe dat binnen de thuiszorginstellingen verschillende vormen van bedrijfsvoering nodig zijn. Ieder compartiment noodzaakt de zorgaanbieder tot een verschil in prioriteitsstelling.

Binnen het eerste compartiment is sprake van een toenemende vraag, waaraan met een ongeveer gelijkblijvend budget aan voldaan dient te worden. De regionale zorgverzekeraars zullen dan ook nog meer waarde gaan hechten aan doelmatigheid, verdeling van schaarste en wachtlijstbeheer. Zij zijn daarom een voorstander van nauwe horizontale en/of verticale samenwerking om dit te kunnen bewerkstelligen.

In het tweede compartiment ligt voor de thuiszorg de nadruk op de samenwerking met ziekenhuizen en huisartsen. De medisch-technologische ontwikkelingen maken immers steeds meer substitutie mogelijk vanuit het ziekenhuis naar de thuiszorg. Voor de kraamzorg ligt de nadruk op de samenwerking met verloskundigen, huisartsen en ziekenhuizen. Door de marktwerking in dit compartiment en de risico's die de zorgverzekeraars lopen zal veel nadruk komen te liggen op een goede prijs/kwaliteitverhouding.

In het derde compartiment ligt de grootste nadruk op prijs, commercie en particulier initiatief. Afhankelijk van dit initiatief zijn binnen dit compartiment in principe de meeste mogelijkheden aanwezig voor omzetgroei.

De cliënten van thuiszorg zullen in het tweede en derde compartiment een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Zij kunnen immers steeds meer invloed uitoefenen op de gewenste productdifferentiatie. Bovendien zijn ze mondiger geworden, durven dus meer eisen te stellen aan de zorg en krijgen meer medezeggenschap.

Aan de vraagzijde betekent dit samengevat voor thuiszorgaanbieders:

- het realiseren van een goede prijs/kwaliteitverhouding;

- tevreden cliënten hebben en voldoende cliënten verwerven;

- dat zij financieel gezond dienen te zijn;

- zorgen dat medewerkers tevreden zijn;

- doelmatig gebruik maken van innoverende, electronische gegevensverwerking.



De genoemde ontwikkelingen voor de aanbodkant van de thuiszorginstellingen komen hoofdzakelijk voort uit het ontstaan van concurrentie. Aan de ene kant door het oprichten van particuliere bureaus en aan de andere kant door de oprichting van verticale en horizontale allianties.

Aan de aanbodzijde betekent dit samengevat voor thuiszorgaanbieders:

- zorgen dat de ondernemingsrisico's gespreid worden;

- een optimale productie leveren;

- marktleiderschap te verwerven;

- maatschappelijk ondernemerschap voeren.

3.3 Bedrijfstakanalyse

3.3.1 Inleiding

In deze paragraaf zal de analyse van de bedrijfstak thuiszorg kort worden uitgewerkt aan de hand van een analyse-model van Porter. Met behulp van dit model kan de winstgevendheid en felheid van concurrentie binnen een bedrijfstak worden bepaald.

Allereerst zal een theoretisch kader worden geschetst waarin concurrentiekrachten en soorten concurrenten worden toegelicht. Vervolgens zal een vertaalslag worden gemaakt naar de sector toe.



3.3.2 Begripsverheldering

Het analyse-model van Porter (zie figuur 1) is zeer bruikbaar voor de analyse van de bedrijfstak thuiszorg. Het model is ontwikkeld om inzicht te krijgen in de omgevingsinvloeden die de verschillen tussen de inkomsten en de uitgaven (marges) van een bedrijfstak bepalen. Porter onderkent in zijn model vijf concurrentiekrachten. Deze concurrentiekrachten zijn in elke bedrijfstak verenigd en bepalen de winstgevendheid en mate van concurrentie binnen de bedrijfstak.

De concurrentiekrachten worden vertaald naar drie soorten concurrenten: interne concurrentie, potentiële concurrentie en externe concurrentie.







































Figuur 1 De vijf concurrentiekrachten die de winstgevendheid van de bedrijfstak bepalen (Porter, 1987)

De vijf krachten bepalen de winstgevendheid van de bedrijfstak omdat ze de prijzen, kosten en benodigde investeringen van bedrijven beïnvloeden. Volgens het model kan een winstmarge verdwijnen door onderlinge concurrentiestrijd of afvloeien naar leveranciers, kopers, nieuwe toetreders en substituten. Of dit daadwerkelijk gebeurt, wordt bepaald door de kenmerken van de bedrijfstakstructuur (zie paragraaf 3.3.3). De kenmerken die de structuur van de bedrijfstak beïnvloeden zijn daarom de belangrijkste voor het bepalen van de strategie.

Meestal is de bedrijfstakstructuur relatief stabiel maar deze kan in de tijd veranderen zodra de bedrijfstak zich ontwikkelt.

Als de concurrentiekrachten en de structuur bepalend zouden zijn voor de kenmerken van een bedrijfstak, dan zou een concurrentiestrategie in hoge mate berusten op het kiezen van de juiste bedrijfstak en het beter dan de concurrenten begrijpen van de vijf krachten. Maar een bedrijf is gewoonlijk geen gevangene van zijn bedrijfstakstructuur, omdat door middel van het kiezen van de juiste strategieën het bedrijf de vijf krachten kan beïnvloeden. Strategieën die de bedrijfstakstructuur veranderen, kunnen een tweesnijdend zwaard zijn, omdat een bedrijf de structuur en de winstgevendheid van de bedrijfstak even gemakkelijk kan vernietigen als verbeteren. Zo kan bijvoorbeeld een nieuw productontwerp dat de toetredingsbarrières ondergraaft of de wisselvalligheid in de rivaliteit verhoogt, de winstgevendheid op lange termijn ondermijnen, hoewel de initiatiefnemer tijdelijk hogere winsten kan genieten.

Vaak maken bedrijven strategische keuzen zonder de gevolgen op lange termijn voor de bedrijfstakstructuur in aanmerking te nemen. Een maatregel wordt als succesvol beschouwd als dit een versterking van de concurrentiepositie tot gevolg heeft. Vaak wordt echter niet geanticipeerd op de reactie van concurrenten hierop. Het risico is namelijk dat de voornaamste concurrent deze maatregel gaat nabootsen en dat dit de ondergang van de bedrijfsstructuur tot gevolg heeft.

Het vermogen van bedrijven om de bedrijfstakstructuur te vormen betekent een speciale belasting voor de (markt)leiders van de bedrijfstak. Acties van de (markt) leiders kunnen een onevenredige uitwerking op de structuur hebben vanwege hun grootte en invloed op kopers, leveranciers en andere concurrenten. Tevens garandeert het grote marktaandeel van de (markt)leiders dat alles wat de totale bedrijfstakstructuur verandert, ook hen zal treffen. Een marktleider moet daarom constant zijn eigen concurrentiepositie afwegen tegen de gezondheid van de bedrijfstak als geheel. Vaak zijn (markt)leiders beter af met het ondernemen van acties om de bedrijfstakstructuur te verbeteren of te beschermen dan met het zoeken naar een groter concurrentievoordeel voor henzelf.



3.3.3 Kenmerken van de bedrijfstakstructuur

Onderstaand worden de kenmerken van de bedrijfstakstructuur kort toegelicht.

Bedreiging door bedrijfstakconcurrenten: onderlinge rivaliteit / het evenwicht in de markt (interne concurrentie)

De felheid van de interne concurrentie wordt bepaald door de structurele kenmerken van de bedrijfstak en de gedragskenmerken van de onderneming.

De belangrijkste structurele kenmerken zijn: concentratiegraad, mate van productdifferentiatie, groei van de vraag, conjunctuurgevoeligheid en kostenstructuur, omvang van investeringen in capaciteitsaanpassingen, mate van overcapaciteit en toetredingsdrempels. De belangrijkste gedragskenmerken van ondernemingen zijn samenwerkingsbereidheid en mate van onzekerheid.

Bedreiging door nieuwe toetreders (potentiële concurrentie)

De mate waarin nieuwe toetreders bedreigend zijn voor de bedrijfstak wordt voor een deel bepaald door de aanwezigheid of afwezigheid van toetredingsbelemmeringen. Belemmeringen zijn bijvoorbeeld de aanwezigheid bij huidige aanbieders van schaalvoordelen en ervaringsvoordelen.

Bedreiging door substituten (potentiële concurrentie)

De winstmogelijkheden in de bedrijfstak worden begrensd door de maximale prijs die afnemers bereid zijn te betalen. De hoogte van deze maximale prijs hangt samen met de beschikbaarheid van substituutproducten. Als er geen substituutproducten beschikbaar zijn of als de overstap naar een substituut hoge kosten met zich meebrengt, zijn afnemers eerder bereid om hogere prijzen te betalen.

Onderhandelingskracht van afnemers, de macht van zorgverzekeraars en cliënten (kopers, externe concurrentie)

De onderhandelingskracht van afnemers is afhankelijk van:

- de concentratiegraad van de afnemers;

- de dreiging met achterwaartse verticale integratie;

- de mate van productdifferentiatie;

- het belang van het product van de afnemer.

De onderhandelingskracht is groot bij de aanwezigheid van: een hoge concentratiegraad, een grote dreiging van achterwaartse verticale integratie, een geringe productdifferentiatie en een gering belang van het product.

Onderhandelingskracht van verwijzers cliënten en medewerkers arbeid (leveranciers)

De onderhandelingskracht van de verwijzers wordt door dezelfde determinanten bepaald als de onderhandelingskracht van de afnemers. De beoordeling van de determinanten van de verwijzers is tegengesteld aan de beoordeling van de determinanten van de afnemers (Porter, 1987).



3.3.4 Bedrijfstakanalyse van de sector thuiszorg

In deze afrondende paragraaf wordt met behulp van de resultaten uit de bedrijfstakanalyse de concurrentiepositie van de thuiszorg in kaart gebracht. Allereerst worden per concurrentiekracht (intern, extern, potentieel) de concurrentievoor- en nadelen benoemd. Dit leidt vervolgens tot een algemeen beeld van de concurrentiepositie van de thuiszorg.

Voor een uitgebreidere versie van de bedrijfstakanalyse wordt verwezen naar bijlage 3.

Bedrijfstakconcurrentie/onderlinge rivaliteit

De belangrijkste determinanten van de onderlinge rivaliteit in de bedrijfstak thuiszorg zijn:

- een toenemende concurrentie als gevolg van de afschaffing van de monopoliepositie van de traditionele thuiszorg;

- de vraag naar thuiszorgdiensten overstijgt het beschikbare aanbod dat gefinancierd wordt uit collectieve middelen. Thuiszorginstellingen dienen binnen de schaarste het aanbod zo doelmatig mogelijk te verdelen;

- het ontstaan van een vrij marktsegment waarin bestaande en nieuwe aanbieders ingaan op het overschot aan vraag naar thuiszorg. Dit aanbod zal bekostigd worden via aanvullende verzekeringen. De concurrentie in dit marktsegment zal hevig zijn;

- een toename van het aantal dwarsverbanden tussen de voormalige echelons dat tendeert naar schaalvergroting door middel van verticale integratie. Hiermee wordt op gezamenlijke manier getracht de positie in de regio te behouden.

Potentiële toetreders

Het huidige overheidsbeleid zal naar alle waarschijnlijkheid leiden tot een intrede van nieuwe aanbieders op de thuiszorgmarkt. De toename van de eigen bijdragen in de zorg leidt voor bestaande en nieuwe aanbieders tot een nieuwe markt en vormt een reden om overeenkomsten met zorgverzekeraars aan te gaan.

In het kader van het substitutiebeleid zullen nieuwe dwarsverbanden in de financiering van de zorg ontstaan. Deze beweging vereenvoudigt het intreden van de intramurale aanbieders in de thuiszorg. Hoewel de toetredingsbarrières ogenschijnlijk laag zijn, zijn er toch belemmerende factoren te benoemen:

- De tarieven staan onder druk waardoor rendement op korte termijn niet realistisch is. Doordat met beperkte middelen aan een toenemende vraag dient te worden voldaan zullen door nieuwe aanbieders investeringen in bijvoorbeeld de infrastructuur gedaan moeten worden.

- De huidige aanbieders voeren tegenmaatregelen (schaalvergroting, rationalisering van de bedrijfsvoering, oprichting van ondernemingen met vergelijkbare producten). Dit met o.a. als doel zich met een vergelijkbare lagere kostprijs te richten op de bedreigde marktsegmenten.

Substituutproducten

Het huidige overheidsbeleid maakt substitutie mogelijk:

- als financiële prikkel tot doelmatigheid;

- door toenemende technologische mogelijkheden wordt het mogelijk zorg te verplaatsen vanuit ziekenhuizen, verpleeghuizen en verzorgingshuizen naar de thuissituatie. Hierdoor wordt een optimale toegankelijkheid tot een passend aanbod voor gebruikers bewerkstelligd;

- door de gelden ten behoeve van het Persoons Gebonden Budget wordt opening geboden voor betaalde familiezorg, mantelzorg en vrijwilligerswerk.

Onderhandelingskracht afnemers (zorgverzekeraars en cliënten)

Ten aanzien van de inkoop van zorg heeft een verschuiving plaatsgevonden van de overheid naar de zorgverzekeraars. De zorgverzekeraars hebben in de drie compartimenten ruimte om overeenkomsten aan te gaan met zorgaanbieders naar keuze.

Bij deze verschuiving wentelt de overheid voor een deel tevens de aanspraak op collectieve middelen af op de zorgverzekeraars. Verzekeraars lopen hierdoor meer risico. Naar verwachting wordt dit risico door de zorgverzekeraars afgewenteld op de aanbieders of de verzekerden.

De cliënten, tot slot, spelen op dit moment geen prominente rol in de markt. Op deze situatie is de uitlating van toepassing: 'geen middelen geen macht, geen macht geen middelen'. Zij kunnen de situatie wijzigen door invloed uit te oefenen via consumentenorganisaties en cliëntenverenigingen. Deze groeperingen kunnen druk uitoefenen op zorgverzekeraars en thuiszorgaanbieders.

Onderhandelingskracht leveranciers

Het overheidsbeleid stimuleert substitutie met het doel om een flexibele overgang tussen voorzieningen te kunnen realiseren (terug te vinden in de knip in de thuiszorg). Dit betekent een verbreding van de markt en nieuwe kansen voor zowel de verwijzers als de thuiszorgaanbieders.

Op de arbeidsmarkt, de toeleverancier van arbeid, ontstaat een tekort aan medewerkers. Onduidelijk is nog hoe de arbeidsmarkt en de belangenorganisaties gaan reageren op flexibiliseren van de arbeid en de onder druk staande arbeidsvoorwaarden voor verplegend en verzorgend personeel.

Kort samengevat wordt onderstaand per determinant weergegeven of het een concurrentievoordeel (+) en/of een concurrentienadeel (-) oplevert.
Bedrijfstakconcurrentie / onderlinge rivaliteit
Omvang van de groei
+
Aanwezigheid van marktleiders
+
Potentiële toetreders
Relatieve schaalvoordelen van thuiszorg
+ en -
Investeringskapitaal
-
Toegang tot distributiekanalen
+ en -
Bezit van "learning" curve
+
Tegenmaatregelen
+
Overheidsmaatregelen
-
Merk-identiteit
+
Substituutproducten
Aanwezigheid van alternatieve producten
+ en -
Belang voor de cliënt: afweging van alternatieven t.o.v. de kosten
-
Mogelijkheden voor zelfzorg
-
Onderhandelingskracht afnemers / kopers (zorgverzekeraars en cliënten)
Concentratie van kopers (zorgverzekeraars) met hoge koopkracht
+ en -
Keuzemogelijkheden van kopers (zorgverzekeraars) voor andere aanbieders
-
Het belang van de thuiszorg voor de koper (zorgverzekeraar)
+
Overstapkosten
+
Een concentratie van cliënten
-
Belang van de koper (zorgverzekeraar)
+ en -
Onderhandelingskracht leveranciers / verwijzers
Invloed van verwijzers
+ en -
Onderhandelingspositie van de medewerkers
+ en -


Schema 1: Concurrentievoor- en nadelen (SMOG studenten, 1996)

Concurrentiepositie thuiszorg

Uit bovenstaande resultaten blijkt dat de thuiszorgsector de komende jaren zal worden gekenmerkt door een toenemende concurrentie.

De markt van de thuiszorgsector is een groeimarkt. De gevestigde aanbieders kunnen hun huidige marktaandeel, het marketing-instrument van de ledenorganisatie en het bezit van hun "learning" curve ten volle benutten om ook in de toekomst een goede positie in te nemen.

De resultaten uit de bedrijfstak-analyse duiden op een ontwikkeling van een netwerkscenario binnen de regio in de vorm van zowel horizontale als verticale samenwerking.

De thuiszorg ziet zich geplaatst voor de uitdaging van een professionele, cliëntgerichte benadering te paren aan een economische invalshoek. Dit betekent zorgdragen voor een optimale benutting en effectieve toedeling van de beschikbare, gelimiteerde hoeveelheid middelen.

De omvang van het beschikbare budget en het inkoopgedrag van de zorgverzekeraars, en de beheersing van de arbeidsmarkt, zullen in de komende jaren in sterke mate bepalen of en hoe de potentiële concurrentiekrachten benut worden om sociaal verantwoord en doelmatig te produceren binnen de sector thuiszorg (Hartemink, 1993).

In bijlage 4 is de thuiszorgmarkt met zijn concurrentiekrachten nog eens schematisch weergegeven.



3.3.5 Product/marktcombinaties thuiszorg

Na de bedrijfstakanalyse is het in kaart brengen van de product/marktcombinaties van de thuiszorg een volgende stap naar een samenhangend beleid van een organisatie (Boonekamp, 1993).

Door middel van de benoeming van de product/marktcombinaties worden de kernactiviteiten van de organisatie en het onderscheidend vermogen ten opzichte van andere aanbieders duidelijk.

In het schema in bijlage 5 worden de product/marktcombinaties van de thuiszorg in kaart gebracht.

Ten behoeve van de marketing/verkoopfunctie is het van belang om binnen de doelgroep van de thuiszorg onderscheid te maken tussen: vragers, betalers, beslissers en bestellers.

Vragers

De vragers zijn te verdelen in geïndiceerden en niet-geïndiceerden. Het verschil zit in het feit dat de niet-geïndiceerden zelf de zorg betalen, zij vertalen zelf de behoeften in een vraag. De geïndiceerden maken aanspraak op verzekerde zorg vanuit het eerste en tweede compartiment, waarbij de vertaling van de behoefte in een vraag tot stand is gekomen met behulp van een indicatie.

Betalers

Dit zijn enerzijds de zorgkantoren en zorgverzekeraars die verantwoordelijk zijn voor het beheer van AWBZ-premies en ziektekostenpremies. Anderzijds zijn het de particulieren die de zorg zelf betalen.

Beslissers

De beslissers nemen constituerende beslissingen (beslissingen die kaders scheppen voor dirigerende beslissingen) en dirigerende beslissingen (beslissingen over feitelijke bestellingen).

Constituerende beslissingen worden genomen door de:

- overheid die de samenstelling van het pakket en de geldige periode bepaalt voor het eerste en tweede compartiment en tevens de maximumtarieven voor het eerste compartiment;

- zorgverzekeraars die de polisvoorwaarden, samenstelling, omvang en de indicatiestelling bepalen.

Dirigerende beslissingen worden genomen door de:

- overheid die de toegang van aanbieders tot de markt bepaalt;

- zorgverzekeraars die bepalen bij welke aanbieders wordt ingekocht en tegen welke condities;

- intakers die de samenstelling en hoeveelheid van het aanbod én de hoogte van het PGB bepalen;

- particulieren.

Bestellers

Dit zijn de intakers, cliënten met een PGB-indicatie en particulieren.

De verschillende product/marktcombinaties die op dit moment in de thuiszorg kunnen worden onderscheiden zijn per 'combinatie' aan verschillende factoren onderhevig. Er kan derhalve onderscheid worden aangebracht per combinatie. Sommige product/marktcombinaties lenen zich uitgesproken voor horizontale integratie, andere meer uitgesproken voor verticale integratie. Als voorbeeld wordt een beperkt aantal product/marktcombinaties hiernavolgend behandeld:

- Op grotere schaal ontstaan voordelen door meer hoogwaardige ondersteuning en systeembenutting. Bijvoorbeeld voor de producten huishoudelijke dienstverlening en kraamzorg. Relatief zelfstandige eenheden kunnen dan gebruik maken van meer verfijnde en meer toegespitste ondersteuning zoals de zorgcentrale, inhoudelijke ontwikkeling en verdieping, scholing e.d. In de lokale gemeenschappen heeft de huishoudelijke dienstverlening veel overeenkomsten en raakvlakken met de verzorgingshuizen of woon-zorg-combinaties. Verticale integratie zal gezien de realisatie van een zorgcontinuüm, flexibilisering, lokale herkenbaarheid en vanuit het oogpunt van jobrotation, voordelen hebben.

- Met name voor de aanvullende en meer specifieke producten wordt naar een meer optimale en dus grotere schaal gezocht. Vaak wordt hier voor horizontale integratie gekozen. Het betreft de producten: ouder- en kindzorg, kraamzorg en 7 x 24-uurs bereikbaarheid. Ook wordt door middel van horizontale integratie soms een grotere schaal gekozen voor hulpmiddelen, ledenservice, personenalarmering, maaltijdvoorziening, gespecialiseerde gezinsverzorging en bemiddeling alphahulp.

3.4 Strategische opties

3.4.1 Inleiding

De bedrijfstakanalyse leidt tot een aantal strategische motieven op basis waarvan een keuze uit een aantal strategische opties kan worden gemaakt. De strategische opties zijn volgens Johnson & Scholes te onderscheiden in drie generieke strategieën om een boven-gemiddelde prestatie in een bedrijfstak te bereiken, te weten: kostenleiderschap, differentiatie en focus. Middels deze zogenaamde strategische opties kan een link worden gelegd naar keuzen voor horizontale en verticale samenwerkingsopties.

Alvorens in deze paragraaf nader wordt ingegaan op het begrip strategische opties zal allereerst een aantal termen rondom het begrip strategie worden toegelicht.



3.4.2 Begripsbepaling

"Strategie" is te definiëren als het geheel van gecoördineerde beslissingen die aangeven welke doelstellingen de onderneming op lange en middellange termijn wil bereiken, met inachtneming van de middelen waarmee, van de wegen waarlangs en van de tijdstippen waarop (Ansoff, 1973).

Onder "strategisch management" wordt verstaan: het zorgdragen voor de ontwikkeling en de vaststelling van de doelstellingen van de instelling en het in hoofdlijnen aangeven en uitvoeren van de wegen waarlangs en de middelen waarmee de doelstellingen bereikt dienen te worden (Ansoff, 1973).

"Strategisch beleid" is gericht op het behouden en/of bevorderen van de levensvatbaarheid en de positie van een organisatie in haar omgeving (Myers, 1970). Met name op het terrein van de markttaken is strategisch beleid belangrijk omdat organisaties binnen de zorgsector niet terug kunnen vallen op een wettelijke waarborg en continuïteit niet vanzelfsprekend is.

"Strategische plannen" vormen vaak een antwoord op vraagstukken voor organisaties om te kunnen functioneren in een dynamischer wordende omgeving en oplossingen te zoeken voor de externe organisatieproblemen op de langere termijn vooral ten aanzien van product/marktcombinaties.

Dit betekent bij de formulering van de strategische plannen dat:

- waarneming van de omgeving moet plaatsvinden;

- veranderingen en aanpassingen van de relaties met de omgeving moeten kunnen plaatsvinden;

- aanpassingen van organisatiestructuur en bedrijfsprocessen moeten kunnen plaatsvinden.

In de gezondheidszorg is de doelstelling niet primair financieel, maar maatschappelijk van aard: het gaat om maatschappelijke winst in termen van (verbetering van) de gezondheidsstatus van de bevolking. De strategische plannen richten zich primair op het vergaren van het vergroten van de marges welke door de organisaties aangewend worden om de continuïteit en het innoverend vermogen van de dienstverlening veilig te stellen.

3.4.3 Strategische motieven

In het kader van de te voeren strategie moet een goed onderscheid worden gemaakt naar keuzen die te maken hebben met strategische motieven en met operationele motieven.

Strategische motieven zijn redenen om te komen tot strategische opties en strategische keuzen die in het algemeen ingegeven worden door ontwikkelingen van buitenaf zoals externe marktontwikkelingen. Deze zijn weergegeven in de analyse van de omgeving, die heeft plaatsgevonden door middel van de PEST-analyse (paragraaf 3.2).

Operationele motieven worden in het algemeen ingegeven op het niveau van het product en de kwaliteit daarvan. Binnen de gezondheidszorg zijn het bijvoorbeeld de vraagstukken van zorgcoördinatie en ontwikkeling van producten (Rogier en Huijsman, 1996).

Thuiszorginstellingen hebben als gevolg van de externe marktontwikkelingen voor de komende jaren als strategische motieven:

- goede prijs/kwaliteitverhouding;

- tevreden cliënten hebben en verwerven in verband met de bedrijfscontinuïteit en de budgetgarantie afbouwregeling;

- financieel gezond zijn (solvabiliteit) in verband met de bedrijfscontinuïteit en de budgetgarantie afbouwregeling;

- spreiding van ondernemingsrisico's ter aanwending van het maximale gebruik van zorgsubsidies in samenwerking met samenwerkende partners;

- optimale productie leveren ter maximalisering van het zorgaanbod (omzetmaximalisatie);

- marktleiderschap verwerven met verschillende uitgangspunten in de verschillende compartimenten om de bedrijfscontinuïteit te verzekeren;

- tevreden medewerkers hebben om optimale kwaliteit te leveren en de positie naar de arbeidsmarkt veilig te stellen;

- maatschappelijk ondernemerschap voeren om binnen de context van de maatschappelijke verantwoordelijkheid te kunnen blijven werken;

- doelmatig gebruik maken van innoverende, electronische gegevensverwerking, waaronder automatisering en telecommunicatie.

Bovenstaande elementen zijn ontleend aan de afzonderlijke onderdelen van de PEST-analyse (paragraaf 3.2).



3.4.4 Generieke strategieën

Generieke strategieën om een substantieel voordeel in de markt te verkrijgen kenmerken zich door:

- een heldere identificatie van wat cliënten en afnemers nodig hebben en waar zij waarde aan hechten in de markt;

- vanuit deze identificatie een koers en een richting uit te zetten die het beste passen bij de organisatie;

- het operationaliseren van deze koers en strategie op een zodanige wijze dat deze zich onderscheidt van de concurrent met een coherent aanbod van activiteiten;

- het tot stand brengen van kostenefficiency of kostenreductie door het opdoen van ervaring met de operationalisering;

- de verzekering dat de richtingen en methoden die door de organisatie gehanteerd worden in overeenstemming zijn met de generieke strategie.

Specifieke strategieën kenmerken zich vervolgens door bepaalde richtingen, zoals:

- prijsgeoriënteerde strategieën;

- toegevoegde waarde of differentiatiestrategieën;

- bewuste 'meng' strategieën;

- focusstrategieën.

Johnson & Scholes geven de volgende classificatie van strategische keuzemogelijkheden oftewel de strategische opties.



STRATEGISCHE OPTIES
Basiskeuzen
Ontwikkelingsrichting
Wijze van ontwikkeling

GENERIEKE

STRATEGISCHE

OPTIES



- Prijs-

georiënteerd

- Differentiaties

- Concentreren

ALTERNATIEVE

RICHTINGEN


- Terugtrekken

- Consolideren

- Markt penetratie

- Product-

ontwikkeling

- Markt-

ontwikkeling

- Diversificatie

ALTERNATIEVE

METHODEN


- Interne

ontwikkeling

- Acquisitie /

overname

- Gezamenlijke

krachten

bundelen/

allianties afsluiten



Schema 2: Strategische opties (Johnson en Scholes)

In het model wordt een drietal generieke strategische opties genoemd, te weten:

- een prijsgeoriënteerde strategie;

- een differentiatiestrategie;

- een concentratiestrategie.

De keuze uit deze generieke strategische opties is bepalend voor de specifieke strategische opties van een organisatie. In bovenstaand schema zijn de specifieke strategische opties beschreven onder de richtingen en de methoden.

Voor instellingen als thuiszorg is de waarde van het bovenstaande model, dat de basiskeuze voor de generieke strategie met de daaraan verbonden richtingen en methoden gericht kan worden op het behouden van de kwaliteit van de producten binnen overeengekomen budgetten.



Concurrentievoordeel

Verlagen van Kosten Differentiëren


Concurrentie-

gebied

Brede

Doelstelling

1.

Kostenleiderschap

2.

Differentiatie

Smalle

Doelstelling

3a.

Kosten-

gerichtheid

Kostenfocus

3b.

Differentiatiefocus



Schema 3: De generieke strategie (Johnson en Scholes, 1993)

Het bovenstaande model is een uitwerking van de generieke strategie en een hulpmiddel om de verschillende strategieën nader te beschouwen.

De fundamentele basis van een prestatie op lange termijn is een houdbaar concurrentievoordeel. Hoewel een organisatie een veelheid aan sterke en zwakke punten ten opzichte van zijn concurrenten kan hebben, zijn er twee basistypen concurrentievoordeel die een organisatie kan hebben: lage kosten of differentiatie (De Roo, 1996). Vanuit deze twee basistypen kunnen drie generieke strategieën onderscheiden worden om een concurrentievoordeel binnen een bedrijfstak te bereiken: kostenleiderschap, differentiatie en focus. De focusstrategie heeft twee varianten: kostenfocus en differentiatiefocus.

Elk van de generieke strategische opties houdt een fundamenteel andere route naar concurrentievoordeel in. De keuze van de route dient gecombineerd te worden met het bereiken van het strategische doel waarbinnen het concurrentievoordeel behaald moet worden.

Strategische opties richten zich op de positie van de onderneming op de markt. De positie kan bepaald worden door de prijs en de mate van differentiatie, met name gerelateerd aan de kwaliteitsaspecten en de breedte van het aanbod.

Kostenleiderschap

Kostenleiderschap betekent niet de laagste kosten op korte termijn maar een duurzaam concurrentievoordeel door op lange termijn voordeliger te produceren en tevens ervoor te zorgen dat de cliënt het product ervaart als beter dan dat van de concurrent.

Strategieën die zich richten op kostenreductie kunnen succesvol zijn in marktsegmenten waarbinnen voldoende consumenten zijn die zich geen hogere prijs kunnen of willen permitteren. Voorwaarde hierbij is dat organisaties lage kosten hebben en bereid zijn op prijs te blijven concurreren, zodat ze erin slagen om op lange termijn lage prijzen te handhaven.

Een strategie gericht op kostenreductie kan ertoe leiden dat organisaties die geen kostenleiderschap hebben en toch op prijs blijven concurreren geen investeringen meer kunnen doen in ontwikkeling en innovatie (Johnson & Scholes, 1993).



De thuiszorg probeert voor verpleging en verzorging een lagere kostprijs te hebben op het integrale product verpleging en verzorging dan de huidige kostprijs. Hierbij moet worden aangetekend dat het bereiken van de laagste kostprijs geen doel op zichzelf is.

Het integrale product verpleging en verzorging biedt een kwaliteitsverhogende waarde voor de cliënt ten opzichte van de concurrenten. Te denken valt aan o.a. zorgcoördinatie. Een nieuwe ontwikkeling is dat men kiest voor een strategie waarin zorgblokken zich onderscheiden van ambulante zorg met de daarbij vast te stellen tarieven. Bij ambulante zorg wordt bijvoorbeeld ook gekeken naar voorrijkosten. De regionale zorgverzekeraar zal met name kiezen voor een juiste prijs/kwaliteitverhouding in het eerste compartiment en continuïteit inclusief netwerken met huisartsen - op basis van een bepaalde samenhang binnen regionale gebieden.

Differentiatie

Differentiatie kan leiden tot het vermogen van een organisatie om een hogere prijs te vragen vanwege een beter product (Porter, 1995). De mogelijkheid om een gelijke prijs te vragen voor het betere product en zo meer marktaandeel te verwerven en meer omzet te maken moet hierbij niet uitgesloten worden (Johnson & Scholes, 1993).

Strategieën die zich richten op differentiatie, richten zich op een hoge toegevoegde waarde ten opzichte van de concurrentie tegen een gelijke of iets hogere prijs. Hierbij wordt voor een belangrijke mate uitgegaan van de kracht van de naam van het product (het merk) en de uniciteit en verbetering van het product. Bij de keuze voor een differentiatiestrategie waarbij uitgegaan wordt van wat cliënten, gebruikers en overige relaties van de organisatie beschouwen als toegevoegde waarde, kan een blijvend concurrentievoordeel ontstaan zolang het besef daar is dat de smaak van de cliënt verandert en dat de concurrentie kan imiteren (Johnson & Scholes, 1993).

Binnen de thuiszorg lijkt het erop dat een differentiatiestrategie kan worden gecombineerd met een lage prijs. Als bijvoorbeeld uitgegaan wordt van een kostprijs per cliëntsituatie en niet van een kostprijs per uur, dan is de totaaltijd die de traditionele thuiszorg per cliënt besteedt kort in vergelijking met de concurrenten. Deze stelling is onlangs bewezen door een zorgverzekeraar (Zilveren Kruis). Deze zorgverzekeraar heeft voor aanvullende thuiszorg (een differentiatieproduct) de "schadelast" per verzekerde geïnventariseerd. De uurtarieven van de traditionele thuiszorg waren 10% hoger dan van de concurrent. De "schadelast" per verzekerde was echter 10% lager omdat de traditionele thuiszorg minder tijd nodig had voor hetzelfde resultaat.

Focus

Focus wordt gezien als het vermogen van een organisatie om een substantieel relatief marktvoordeel te behalen en te behouden door het bereiken van kostenleiderschap gebaseerd op een kostenreductiestrategie. Dat wil dus zeggen dat de prijzen lager zijn dan de prijzen van concurrenten.

Binnen een kostenreductiestrategie kan worden gekozen voor hoge investeringen in research en development of in marketing. Het marktvoordeel kan dan bereikt worden in termen van efficiency en effectiviteit die door afnemers gezien worden als voordeliger dan bij de concurrent op basis van prijs/kwaliteitverhouding.

Strategieën die zich richten op focus, richten zich dus op een kostenreductie en kostenbeheersing. Hierbij wordt in belangrijke mate uitgegaan van de economische benadering en de kracht van de marktwerking ten opzichte van de concurrenten (Johnson en Scholes, 1993).

Op het niveau van de marktwerking binnen de thuiszorg wordt de huidige periode voor de traditionele thuiszorg gekenmerkt door een teruggangsfase (Rogier en Huijsman, 1996) (zie ook paragraaf 3.6.4). De instellingen snijden intern en spreken de financiële reserves aan onder andere bij het wegwerken van hun wachtlijsten in het eerste compartiment. Bij het ontwikkelen van strategische opties wordt thans uitgegaan van de hiernaast aangeduide eenheid. Binnen thuiszorg wordt gezocht naar opties die gericht zijn op èn continuïteit van de organisatie èn tevreden cliënten èn tevreden medewerkers.



3.4.5 Ontwikkelingsrichting van de strategie

In onderstaand schema staat een aantal strategische richtingen waarvoor een organisatie kan kiezen gebaseerd op product/marktcombinaties. Het betreffen hier opties die uitgaan van de veronderstelling dat in de omgeving van een organisatie kansen liggen op het terrein van groei en waarbij organisaties in de gelegenheid zijn van deze kansen gebruik te maken.

Huidig product Nieuw product
Huidige markt Terugtrekken

Consolideren

Marktpenetratie

Productontwikkeling
Nieuwe

markt

Marktontwikkeling Diversificatie
Gerelateerde

diversificatie:

- verticaal

- horizontaal



Geen

gerelateerde diversificatie:

- financiële

middelen

- risico

- etc.



Schema 4: Strategische opties (Porter, 1987)

Huidige markt / huidig product

De optie terugtrekken is een optie die vaak genegeerd wordt, desalniettemin kan in veel situaties sprake zijn van een zinvol terugtrekken.

De optie consolideren impliceert dat veranderingen worden aangebracht in de wijze waarop de organisatie functioneert alhoewel het aantal producten en markten niet veranderd wordt.

De optie marktpenetratie impliceert dat op basis van kansen in de huidige markt, welke groeiend is, het marktaandeel vergroot kan worden.



Nieuwe markt / huidig product

De optie marktontwikkeling impliceert dat de organisatie de zekerheid van zijn huidige producten handhaaft, terwijl op zoek wordt gegaan naar nieuwe markten of marktsegmenten.

Huidige markt / nieuw product

De optie productontwikkeling impliceert dat de organisatie zoekt naar alternatieven welke gebaseerd worden op de in de organisatie aanwezige kennis en bekwaamheden in de veiligheid van de bestaande markt. Overigens gaan de optie marktontwikkeling en productontwikkeling vaak hand in hand, aangezien de beweging naar een nieuwe markt vaak ontwikkelingen of varianten op het productaanbod vraagt.

Nieuwe markt / nieuw product

De optie diversificatie impliceert dat de ontwikkelingsrichting van de organisatie gelijktijdig afgaat van de bestaande producten en de bestaande markten. Diversificatie kan worden verdeeld in twee typeringen:

- Gerelateerde diversificatie

Ontwikkelingen naar andere producten en markten, op een horizontale of verticale manier, binnen de bedrijfstak waarin wordt geopereerd.

Bij de verticale manier zijn de achterwaartse en de voorwaartse manier te onderscheiden. Bij de achterwaartse manier (nieuw product bij de huidige markt) kiest de organisatie voor een ontwikkelrichting op basis van de input van de organisatie. Bij de voorwaartse manier (nieuw product, nieuwe markt) kiest de organisatie voor een ontwikkelingsrichting op basis van de output van de organisatie.

Bij de horizontale manier kiest een organisatie voor een ontwikkeling naar activiteiten welke concurrerend zijn met of aanvullend zijn op (complementair) de bestaande activiteiten.

- Niet gerelateerde diversificatie

Ontwikkelingen naar andere producten en markten die ook buiten de bedrijfstak kunnen plaatsvinden.

Voor thuiszorginstellingen zal de ontwikkelrichting voor strategische opties zich voornamelijk richten op het vraagstuk hoe de gelimiteerde middelen het best kunnen worden aangewend aangezien de vraag groter is dan het aanbod in het eerste en tweede compartiment. Het betreft hier duidelijk een schaarste-model. De ontwikkelrichting binnen deze omstandigheden kan worden gedomineerd door de middelen capaciteit of door de verwachtingen van krachtige relaties van een organisatie. Om deze redenen moet worden vastgesteld dat op grond van het onderstaand schema de ontwikkelrichtingen van de strategische opties van de thuiszorg in de thuiszorgmarkt niet zo zeer gericht zijn op groei-mogelijkheden maar op consolidatie en efficiency. Daarnaast richt de thuiszorg zich op marktontwikkeling ten aanzien van psychiatrie, verstandelijk gehandicapten, WBO-markt, aanvullende verzekeringen en pensioenen èn transmurale zorg.



3.5 Stakeholders

3.5.1 Inleiding

In de voorgaande paragrafen is achtereenvolgens een analyse van de omgeving en van de bedrijfstak thuiszorg kort uitgewerkt. Vervolgens is een uitwerking gegeven van de strategische opties. In deze paragraaf wordt een theoretisch kader geschetst met betrekking tot strategisch stakeholders-management binnen het strategisch netwerk.

De gezondheidszorg en daarbinnen ook de thuiszorg is als sector een complex netwerk van afhankelijkheidsrelaties. Vanuit het netwerkconcept is de organisatie een actor binnen een groter geheel van actoren die onderling van elkaar afhankelijk zijn (interdependentie).

De strategieën van de instellingen zijn dus gericht op het creëren van een zo groot mogelijke beleidsvrijheid ten aanzien van zoveel mogelijk verbindingen met het netwerk. Dankzij de onderlinge verknoping van de netwerkrelaties werkt beïnvloeding van de ene relatie door op de overige relaties binnen het netwerk.

Dit zijn relaties met cliënten/afnemers, financiers/zorgverzekeraars, leveranciers en andere zorgaanbieders (waaronder ook verwijzers) (Boonekamp, 1993/1994).

Binnen zo'n netwerk is het van belang wie de situatie definieert omdat de desbetreffende organisatie een stempel kan drukken op de besluitvorming. Zo is bijvoorbeeld van belang welke partij iets als een probleem of juist als een kans beoordeelt. Dit houdt in dat de relatie met de andere partijen gemanaged moet worden.

Strategisch stakeholders-management is noodzakelijk voor het realiseren van het geformuleerde strategische beleid en de vastgestelde strategische opties. Daarmee wordt voorkomen dat topmanagers op enig moment moeten constateren dat het oorspronkelijk strategisch beleid is losgelaten.



3.5.2 Begripsverheldering

Onder strategisch stakeholders-management wordt verstaan het systematisch werken aan relaties, parallel aan de strategie van de organisatie (Boonekamp, 1996).

Stakeholders zijn in- en externe relaties in de vorm van individuen, groepen of organisaties die van belang zijn voor c.q. belang hebben bij het functioneren van de organisatie. Het stakeholdersweb is het netwerk van afhankelijkheidsrelaties (zie bijlage 6).

Deze stakeholders zijn zowel subject, dat wil zeggen medebepalend voor de organisatiestrategie als object, dat wil zeggen voorwerp van de organisatiestrategie (Boonekamp, 1996).

Bij het uitvoeren van strategisch stakeholders-management is het allereerst belangrijk om te kunnen balanceren temidden van verwachtingen, belangen en claims van uiteenlopende stakeholders. Daarnaast is het van belang zorg te dragen voor relaties tussen meerdere mensen op verschillende niveaus, zodat meer kanalen voor informatie, meer gedragsalternatieven en vervolgens een grotere manoeuvreerruimte ontstaan. Tenslotte moet omgegaan kunnen worden met zowel "win-win" als "win-lose" situaties (Boonekamp, 1996).



3.5.3 Wijze van realisatie van strategisch stakeholders-management

Om te komen tot strategisch stakeholders-management is het nodig de volgende stappen te ondernemen:

1. Stakeholdersanalyse;

2. Omschrijven "contributions" en "inducements";

3. Ontwikkelen van strategieën ten aanzien van stakeholders.

ad 1. Stakeholdersanalyse

Hierin zijn de volgende fasen te onderscheiden:

- Identificeren van de stakeholders;

- Ontdekken van de "sleutel-stakeholders";

- Machtsbronnen in kaart brengen per stakeholder;

- Machtsbalans onderzoeken;

- Diagnose van 'sleutel-stakeholders'.

Voor de thuiszorginstellingen is een gericht en actueel strategisch stakeholders-management van belang. Niet alleen bedacht en ingezet door de top, maar ook geïmplementeerd en uitgevoerd door het eigen management en overige medewerkers.

Een voorwaarde hiervoor is een gestructureerde en gerichte communicatie met staf en lijn om de strategische opties, het strategisch beleid, te bespreken en zo nodig te herbevestigen of bij te stellen. Zonder deze randvoorwaarde is strategisch stakeholders-management niet mogelijk en ontvangen de stakeholders onduidelijke of tegenstrijdige signalen.

Juist ook bij een verdergaande horizontale en/of verticale samenwerking is het managen van de interne stakeholders noodzaak. Tevens moeten de interne stakeholders een bijdrage leveren aan de continue stakeholdersanalyse.

Wanneer alle organisatie-stakeholders op deze wijze zijn geïdentificeerd en de machtsbronnen in kaart zijn gebracht kan de machtsbalans in het kader van eventuele horizontale en verticale samenwerking worden onderzocht en kan de stakeholdersdiagnose (zie bijlage 7) worden opgemaakt met betrekking tot de "sleutel-stakeholders", dus dié organisaties die een potentiële bron van dreiging vormen of een potentiële bron van samenwerking.

Op basis van de twee dimensies - potentiële bedreiging en potentiële samenwerking - zijn stakeholders te rangschikken in vier categorieën.



Potentieel van de stakeholder voor

bedreiging van de organisatie

hoog laag
Potentieel stakeholder voor

samenwerking met de organisatie

hoog mixed-

blessing

stakeholder

ondersteunende

stakeholder

laag niet ondersteunende

stakeholder

marginale

stakeholder



Schema 5: Vier categorieën stakeholders (Boonekamp, 1996)

Deze stakeholders kunnen van de ene categorie naar de andere bewegen als resultaat van wat de organisatie wel of niet doet, wat de stakeholder wel of niet doet, over welke nieuwe informatie de organisatie beschikt, met welk issue de organisatie en haar stakeholders bezig zijn.

De meest lastige categorie is die van de niet-ondersteunende stakeholder. Ze scoren hoog op het potentieel van bedreiging en laag op het potentieel voor samenwerking.

Voor thuiszorginstellingen zijn dit bijvoorbeeld wedijverende thuiszorginstellingen, wedijverende ziekenhuizen/verpleeg-verzorgingshuizen, de nieuwsmedia en de vakbonden.

ad 2. Omschrijven van "contributions" en "inducements":

Hierbij gaat het om het in beeld krijgen van:

- de bijdragen (contributions) die vanuit de stakeholder tegemoet komen aan de behoefte van de organisatie;

- de middelen (inducements) die vanuit de organisatie tegemoet komen aan de behoefte van de stakeholder (zie bijlage 8).

Een voorbeeld van een "contribution" is het benoemd worden als "preferred provider" door de zorgverzekeraar. Een voorbeeld van een "inducement" is het geven van een zorggarantie door de thuiszorgorganisatie aan de zorgverzekeraar.

ad 3. Ontwikkelen van strategieën ten aanzien van stakeholders:

- Ten aanzien van de belangen en verlangens van stakeholders bij specifieke kwesties

- Ten aanzien van:

- samenwerken;

- erbij betrekken;

- verdedigen;

- in de gaten houden.

Dit zijn de vier strategieën om de organisatie-stakeholders, die zich bevinden op de verschillende niveaus van potentiële bedreiging tot potentiële samenwerking, te managen.

Samenwerken

Samenwerken met mixed-blessing stakeholders. Door medewerkers hun potentieel voor samenwerking maximaal op deze groep te laten richten zullen deze potentieel bedreigende stakeholders het moeilijker vinden de organisatie tegen te werken. Bijvoorbeeld joint-ventures en dergelijke.

Erbij betrekken

De ondersteunende stakeholder erbij betrekken. Daardoor kan de ondersteuning maximaal worden benut.

Verdedigen

Verdedigen tegen niet-ondersteunende stakeholders. De defensieve strategie probeert de afhankelijkheid te verminderen die de basis vormt van het belang van die stakeholder voor de organisatie en houdt in dat de stakeholder weerhouden wordt van het opleggen van kosten of andere "straf"maatregelen aan de organisatie. Defensieve strategieën kunnen dus ook juist anticiperend zijn.

In de gaten houden

Het monitoren van marginale stakeholders. De filosofie hierachter is het pro-actief handhaven van de status quo.

Vervolgens is het van belang de 'sleutel-stakeholders' te managen door een goede implementatie van de strategie. Dit kan door specifieke tactieken te ontwikkelen en te realiseren per 'sleutel-stakeholder' per gekozen generieke strategie. Belangrijk hierbij is wederom het managen van de interne stakeholders zodat er een consistent en intern coherent beeld blijft bestaan.

Na de interne stakeholdersanalyse per gedefinieerde situatie, bijvoorbeeld:

- schaalvergroting in de kraamzorg door horizontale samenwerking;

- schaalvergroting in de ouder- en kindzorg door horizontale samenwerking;

- schaalvergroting in de ouderen(thuis)zorg door horizontale en/of verticale samenwerking.

wordt het potentieel van de organisatie-stakeholders en de mogelijke generieke strategie per stakeholder vastgesteld.

Dit betekent voor de ouderenzorg bijvoorbeeld dat de top van de thuiszorgorganisatie vaststelt:

- met welke verpleeghuizen en verzorgingshuizen men wil samenwerken;

- welke tactieken men inzet om de zorgverzekeraar als ondersteuner te doen functioneren;

- hoe men zich zal gaan verdedigen tegen niet-ondersteunende stakeholders die wel op enigerlei wijze van belang zijn voor de thuiszorgorganisatie;

- hoe men omgaat met marginale partijen als kleinere, solistische verzorgingshuizen en/of verpleeghuizen.

Na de besluitvorming met betrekking tot de betrokken stakeholdersrelaties is het van belang om de bestaande management-activiteiten conform het ingezette strategisch stakeholders-management hun bijdrage te doen leveren (zie bijlage 9). Heel belangrijk bijvoorbeeld is de PR, de communicatie over het doel en de wijze van verticale en/of horizontale samenwerking en de gevolgen voor andere relaties. Dit mede om draagvlak te verkrijgen bij cliënten, financiers en bevolking/overheden.

3.6 Samenwerkingsvormen

3.6.1 Inleiding

Wanneer de thuiszorginstelling op basis van het strategisch beleid en de gemaakte keuze voor bepaalde strategische opties heeft vastgesteld met welke samenwerkingspartners men in zee gaat, komt het ontwerp van de samenwerkingsstructuur aan de orde.

In deze paragraaf wordt naast een uiteenzetting van de verschillende samenwerkingsstructuren op basis van de theorie een relatie gelegd tussen de keuze voor de samenwerkingsvorm gerelateerd aan de productlevencyclus.



3.6.2 Coördinatiemechanismen

Als verbindingsschakels tussen structuur en het gedrag van de markt zijn drie coördinatiemechanismen te onderscheiden (Rogier en Huijsman, 1996):

Concurrentie

Concurrentie of rivaliteit staat voor het onderling concurrerende gedrag tussen marktpartijen.

Collusie

Collusie of samenwerken staat voor een zekere mate van gedragsregulering zonder dat de zelfstandigheid van organisaties in het geding komt. Dit zijn samenwerkingsvormen als coöperatie, kartel, joint-venture, consortium en franchising.

Concentratie

Concentratie of beheersing staat eveneens voor gedragsregulering, maar die gaat zover dat de zelfstandigheid van een der partijen verloren gaat. Concentratie manifesteert zich in verschillende vormen zoals deelneming via een absoluut of relatief meerderheidsbelang in aandelenbezit van een andere onderneming, volledige overname of fusie (Jong, 1985).

In de coördinatiemechanismen levert collusie een paradoxaal verschijnsel op: het resultaat moet worden toegeschreven aan zowel de gezamenlijke activiteiten als de afzonderlijke deelname van de organisaties binnen dat samenwerkingsverband. De wankele balans tussen autonomie en wederzijdse afhankelijkheid leidt ertoe dat er voortdurend sprake is van een grote mate van instabiliteit.

Ook de andere coördinatiemechanismen kennen paradoxale tendensen. Concurrentie kan leiden tot een monopoliepositie van één van de partijen (concentratie).

Dit paradoxale karakter van de coördinatiemechanismen leidt tot een beweging van de markt. Deze bewegingen betreffen zowel de horizontale relaties tussen bedrijven in een markt als de verticale en diagonale relaties in en tussen bedrijfskolommen. Door deze bewegingen te verbinden aan bijvoorbeeld de productlevencyclus kunnen de bewegingen als horizontale en verticale concentratie mede verklaard worden.

Verder in deze paragraaf worden de coördinatiemechanismen van collusie en concentratie nader uitgewerkt en zal vervolgens een aantal voorbeelden gegeven worden gerelateerd aan de productlevencyclus.



3.6.3 Ontwerp van de samenwerkingsstructuur

Bij het ontwerpen van de structuur is er onderscheid mogelijk tussen:

De bestuurlijk-juridische integratie

Bij bestuurlijk-juridische integratie gaat het om de mate waarin de samenwerkingspartners de verantwoordelijkheid voor bepaalde taken willen delen. Hierin zijn te onderscheiden: strategische allianties en stelsels.

Een strategische alliantie is een samenwerking waarbij de partners hun verantwoordelijkheid voor de uit te voeren taken behouden; de partners blijven juridisch zelfstandig.

Bij stelsels geven partners hun verantwoordelijkheid op door deze in te brengen in een organisatie voor de samenwerking; de partners blijven juridisch niet zelfstandig.

In paragraaf 3.6.5 wordt de strategische alliantie horizontaal en verticaal verder uitgewerkt.

De organisatorische integratie

Bij organisatorische integratie gaat het om de organisatorische niveaus ten aanzien waarvan de partners verantwoordelijkheden willen delen.

De ruimtelijke integratie

Bij ruimtelijke integratie gaat het om de mate van concentratie van de huisvesting, hier wordt niet verder op in gegaan binnen de kaders van deze scriptie.

Binnen de onderscheiden samenwerkingsstructuren is er sprake van toenemende bindingsintensiteit (Sloot, 1995) (zie bijlage 10).



3.6.4 Productlevencyclus

Wanneer we nu de samenwerkingsvormen relateren aan de productlevencyclus geeft dit één van de invalshoeken voor de keuze tot concentratie of integratie. De ontwikkeling van de markt is te onderscheiden met vier marktfasen:

- de introductiefase;

- de expansiefase;

- de verzadigingsfase;

- de teruggangsfase of stagnatiefase.

Introductiefase

Deze fase start met een commerciële technische of organisatorische innovatie. Te denken valt aan de thuiszorgwinkels, de ziekenhuisverplaatste thuiszorg.

Gezien de vaak optredende aanloopverliezen en de productietechnische, financierings, commerciële of organisatorische problemen zal de ondernemer mogelijk verticale integratie toepassen. De marktpositie is veilig te stellen door aansluiting te zoeken bij partners met een beter commercieel penetratievermogen.

Expansiefase

Deze fase breekt aan met een snelle groei van de afzet, bijvoorbeeld thuiszorg door verzorgingshuizen of kraamzorg door particuliere bureaus.

In de beginnende expansiefase verwachten ondernemers op eigen kracht betere resultaten dan bij integratie, bijvoorbeeld transmurale zorg door ziekenhuizen.

Er zijn in aanvang dan ook vaak vrij losse vormen van verbindingen, zoals joint ventures of bestuurlijk zorgoverleg. In de gevorderde expansiefase kan het eigen marktaandeel tenslotte alleen nog worden vergroot ten koste van anderen.

Verzadigingsfase

In deze fase groeit de markt vrijwel niet meer en naarmate deze fase verder vordert ontstaan capaciteitsoverschotten. Kostenbeheersing wordt belangrijker. Verdergaande standaardisatie van het product is relevant en reclame, verpakking, vormgeving en verkoopfaciliteiten worden aangewend voor differentiatie. Deze kosten nemen toe.

De verzadigde markt, geringe groei en afnemende winstmarges zorgen ervoor dat kleinere bedrijven afsterven of juist groter worden door concentratie.

Horizontale concentratie, zoals bijvoorbeeld het Landelijk Transferpunt Thuiszorg, ontstaat door behoefte aan aanbod- en prijsregulering.

De (de)concentratiebeweging is in deze fase vooral horizontale concentratie. Een voorbeeld is kraamzorg of ouder- en kindzorg. Samenwerkingsvormen als kartels zijn denkbaar. Verticale integratie wordt toegepast om de toeleveranciers en de afzetkanalen te kunnen beheersen gezien de concurrentie. Zo ontstaat een hoog oligopolistische of monopolistische marktstructuur.

Verticale integratie vindt plaats om de kosten te drukken en marktposities te verwerven, zoals de huidige verticale samenwerkingsverbanden tussen thuiszorg, zieken-, verpleeg- en verzorgingshuizen.

Stagnatiefase

In deze fase wordt de daadwerkelijke teruggang in de afzet eerst opgevangen door vervangingsvraag, maar later krimpt de markt doordat de vraag daalt of ophoudt te bestaan. Dit geldt bijvoorbeeld voor de verzorgingshuizen. Kostenbeheersing wordt primair opgelost door horizontale concentratie.



3.6.5 Horizontale en verticale samenwerkingsverbanden/allianties

Van strategische samenwerking is sprake indien de betrokken partners in principe de controle houden over hun eigen bedrijfsactiviteiten, maar op enig strategisch deelgebied een expliciet samenwerkingsverband aangaan (Douma, 1993).

Horizontale samenwerkingsverbanden/allianties.

Onder horizontale samenwerkingsverbanden worden verstaan samenwerkingsvormen tussen gelijksoortige instellingen zoals o.a. fusies tussen thuiszorginstellingen, verzorgingshuizen, verpleeghuizen onderling en alliantievorming. Anders geformuleerd: samenwerkingsverbanden tussen concurrenten die zich op dezelfde markt bevinden (dat wil zeggen die zich op dezelfde groep afnemers richten). De partners in de alliantie bevinden zich in dezelfde schakel van de bedrijfskolom (Rogier en Huijsman, 1996).

Bij de horizontale samenwerkingsverbanden zien we thans voorbeelden in het kader van het vormen van allianties zoals TAZ, ZUN, VTN, Lothus die alle gericht zijn op het reguleren van de markt op basis van het formuleren en uitvoeren van een gezamenlijk anticiperend strategisch beleid. Men tracht hierbij te komen tot eenheid van bestuur, eenheid van leiding en strategische belangenbehartiging.

De strategie is gericht op het bundelen van krachten ter versterking van de marktpositie van thuiszorgaanbieders in Nederland. Dit resulteert in contracten met landelijke zorgverzekeraars, een offensieve zet met een goede uitkomst.

Door onderlinge bedrijfsvergelijking en gebruikmaking van elkaars krachten/ sterke kanten trachten de regionale thuiszorginstellingen tevens hun collectieve concurrentiekracht te versterken.

Verticale samenwerkingsverbanden/allianties

Onder verticale samenwerkingsverbanden wordt verstaan samenwerking tussen ongelijksoortige organisaties die in de "verticale bedrijfskolom" op elkaar aansluiten. De verticale samenwerkingsverbanden streven doorgaans naar zorgketens gericht op een specifieke doelgroep. Anders geformuleerd: verticale allianties richten zich op de koper-verkoper relatie, dat wil zeggen de participanten in het samenwerkingsverband opereren in opeenvolgende schakels van de bedrijfskolom (Rogier en Huijsman, 1996).

Bij de verticale samenwerkingsverbanden zien we dat regionale netwerken met verschillende andere zorgaanbieders ontstaan welke erop gericht zijn om optimaal gebruik te maken van de complementariteit van de afzonderlijke organisaties. De netwerken kunnen joint ventures aangaan.

De zorgcontinuümgedachte met betrekking tot de samenwerking rond de directe zorgverlening is hierbij meestal het doel. Voorbeelden hiervan zijn:

Netwerken/joint ventures tussen thuiszorg en:

- huisartsen in verband met de onderwerpen: contracten medisch technisch handelen, afstemming hometeams, transmurale zorg, verpleeghuiszorg thuis, projecten als praktijkverpleegkundigen;

- welzijns- en ouderenorganisaties in verband met gezamenlijk aanbod personenalarmering en maaltijden en de Zorgnetten;

- ziekenhuizen in verband met transferpunten, specialistische verpleging thuis, knip in de thuiszorg;

- verpleeg-/verzorgingshuizen: gezamenlijk aanbod extramurale WBO-zorg, verpleeghuiszorg thuis;

- de psychiatrische centra in verband met (voorbereiding van) gezamenlijk aanbod psychiatrische thuiszorg;

- verstandelijk gehandicaptenzorg in verband met de thuiszorg geleverd door wijkverpleging in (intramuraal gefinancierde) kleine decentrale wooneenheden;

- woningcorporaties in verband met gezamenlijk service-aanbod aan bewoners (personenalarmering, achterwacht, particuliere zorg);

- kraamcentra en verloskundigen in verband met gezamenlijke huisvesting, afstemming aanbod zwangerschapszorg, kraamzorg en ouder- en kindzorg.

Deze verticale samenwerkingsverbanden zijn in de optiek van Johnson en Scholes te definiëren als samenwerking gebaseerd op operationele motieven.

3.6.6 Horizontale en verticale integratie/expansie

Strategische horizontale integratie

Van horizontale integratie is sprake indien een onderneming haar activiteiten beperkt tot één bedrijfstak en binnen deze bedrijfstak streeft naar uitbreiding van haar activiteiten. Vaak gaat deze uitbreiding gepaard met uitbreiding van het geografisch gebied, een stijging van het aantal productvarianten of een toename van de soorten afnemers die bediend worden.

Als voordelen van deze horizontale integratie/expansie geldt:

- een concern kan al zijn middelen concentreren op het behalen van succes in één bedrijfstak;

- het behalen van kostenvoordelen (door besparing op ontwikkelingskosten en besparing in de productie en distributie wat het leidt tot reductie in de kosten per eenheid product);

- beperking van de concurrentie.

Als nadelen kunnen gelden:

- dat succes van een onderneming in de ene bedrijfstak vaak ook aanwezigheid van deze onderneming in een andere gerelateerde bedrijfstak vereist;

- de scheve verhouding tussen de in een concern aanwezige middelen en de aanwendingsmogelijkheden daarvan.

Vaak kiezen ondernemingen allereerst voor een strategie van horizontale integratie. Doch deze strategie kent bovengenoemde nadelen. En om deze nadelen tegen te gaan zullen ondernemingen vaak overgaan tot verticale integratie en diversificatie (Douma, 1996).

In de thuiszorg is de Pantheon Zorggroep het bekendste voorbeeld van horizontale schaalvergroting.

Strategische verticale integratie

Van verticale integratie is sprake indien een onderneming integreert in de verticale bedrijfskolom.

Als voordelen van deze verticale integratie voor de thuiszorg gelden:

- besparing op het gebied van transactiekosten;

- bescherming tegen machtige financiers/zorgverzekeraars;

- bescherming van de technologie (voorkomen dat concurrenten de technologie kunnen imiteren);

- beheersing van kwaliteit (niet alleen verhoging van het niveau van kwaliteit, maar ook besparing);

- verzekerde bevoorrading en afzet (bij geheel nieuwe activiteiten ontbreken vaak de juiste toeleveranciers of afnemers);

- verbetering van de dienstverlening.

Als nadelen kunnen gelden:

- kosten nadelen door niet overeenkomende schaalgroottes;

- hogere beheerskosten door coördinatiekosten en inefficiënter werken (prikkel tot efficiënt werken in verband met concurrentie kan verdwijnen);

- technologische veroudering.

In de thuiszorg zijn de eerste strategische verticale samenwerkingsvormen ontstaan. Een bekend voorbeeld, dat nader uitgewerkt wordt in deze scriptie is De Zorgboog, in de regio Peel.

In deze zin kan er bij de keuze voor mogelijkheden van een horizontale of verticale integratie ook niet gesproken worden van een algemene strategie. De concernstrategie moet leiden tot de situatie waarbij gebruikers en medewerkers het product ervaren als "beter dan de concurrentie". Pas dan gaan de concurrentievoordelen ontstaan van horizontale of verticale integratie (Douma, 1996).



4. Resultaten praktijkonderzoek



4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de bevindingen uit de theorie getoetst in de praktijk. Dat wil zeggen dat elementen zoals de strategische motieven tot samenwerking, de reacties van stakeholders op de samenwerking en de vormen van samenwerking vanuit de praktijk worden weergegeven.

Allereerst is dit gedaan door middel van een inventarisatie van de verticale en/of horizontale samenwerkingsinitiatieven in Nederland. Deze gegevens zijn aan de hand van een schriftelijke en telefonische enquête verzameld. De resultaten hiervan worden weergegeven in paragraaf 4.2.

Vervolgens zijn vanuit de inventarisatie een zestal praktijksituaties van horizontale en verticale integratie geselecteerd. Bij deze casus zijn aan de hand van de theorie en de inventarisatie diepte-interviews gehouden. In paragraaf 4.3 worden de resultaten hiervan beschreven.

Ten slotte worden de bevindingen van het Ronde Tafel Gesprek in dit hoofdstuk beschreven. Dit gesprek is door de studenten georganiseerd met het doel de theorie, de resultaten uit de inventarisatie en de diepte-interviews voor te leggen aan een aantal sleutelfiguren binnen de Nederlandse gezondheidszorg. De bevindingen uit de discussies tijdens dit Ronde Tafel Gesprek worden in paragraaf 4.4 weergegeven.



4.2 Inventarisatie Nederland

4.2.1 Inleiding

De inventarisatie van de samenwerkingsinitiatieven vanuit de thuiszorg is de eerste stap van het praktijkonderzoek. Door middel van vragenlijsten en gesprekken met thuiszorgdirecties is een beeld gevormd van de meerderheid aan verticale en horizontale samenwerkingsinitiatieven in Nederland (zie bijlage 1). Deze paragraaf is een weergave van de resultaten van de inventarisatie.

Hierbij komen achtereenvolgens aan bod:

- de reikwijdte van de inventarisatie;

- de aard en omvang van de samenwerkingsvormen die in de praktijk gekozen zijn;

- de strategische overwegingen en motieven die de thuiszorginstellingen noemen;

- de werkwijzen die toegepast zijn bij de totstandkoming van de samenwerking en/of integratie;

- de resultaten van de samenwerking en/of integratie;

- de reacties van de stakeholders.



4.2.2 Reikwijdte van de inventarisatie

De inventarisatievragenlijst is tussen december 1996 en januari 1997 door 53% van alle thuiszorginstellingen schriftelijk ingevuld of in een telefonisch gesprek mondeling beantwoord. Dit is een relatief groot bereik aangezien binnen de betrokken organisaties in het totaal 77% van het macro thuiszorgbudget omgaat en 87% van de totale inwoners van Nederland bereikt wordt(1).

Nederland Inventarisatie(2) Bereik
Instellingen (aantal)

Gezinsverzorging

Kruiswerk

Gezinsverzorging / Kruiswerk

Totaal

Budget (miljoen)

Inwoners (miljoen)



43

12

53

108(3)

3.500

15,5



8

8

41

57

2.700

13,5



19%

67%

77%

53%

77%

87%



Tabel 2: Reikwijdte inventarisatie

Opvallend bij veel vragenlijsten was het gebruik van de ruimte voor eventuele opmerkingen. Meerdere directieleden gaven aan dat de vragenlijst hun niet voldoende ruimte bood om alle samenwerkingsinitiatieven op te schrijven. Daarom werden vele bijlagen toegevoegd. Tevens was opvallend de veelvuldig geuite bereidheid om naar aanleiding van de vragenlijst een uitvoerig gesprek te voeren. De sterke betrokkenheid bij het onderwerp viel op door een grote hunkering tot vertellen.



4.2.3 Samenwerkingsvormen in de praktijk

In de praktijk zijn vijf juridische samenwerkingsvormen met een toenemende mate van bindingsintensiteit te onderscheiden (Sloot, 1995). In onderstaand schema worden deze uiteengezet (zie ook bijlage 10).



Samenwerkingsvorm Omschrijving
Samenwerkingsovereenkomst

Transactienetwerk



Besturingsnetwerk



Holding



Fusie

mondeling, schriftelijk, projecten

netwerk betrekking hebbende op een specifiek deelgebied van de partners, bijvoorbeeld joint venture

netwerk betrekking hebbende op integrale besturingsaspecten van de partners, bijvoorbeeld federatie, coöperatie

algemene taken/bevoegdheden worden overgedragen aan een centrale, overkoepelende moederorganisatie

samenvoeging van hele organisaties in een nieuwe organisatorische eenheid



Schema 6: Samenwerkingsvormen naar toenemende bindingsintensiteit

Deze ordening biedt een bruikbaar kader om de verticale en horizontale samenwerkingsinitiatieven van de thuiszorginstellingen te positioneren.

In de navolgende tabel wordt linksonder de lichtste variant en rechtsboven de zwaarste variant van samenwerking beschreven.































Tabel 3a: Samenwerkingsvormen in de praktijk













De percentages in de blokjes verwijzen naar het percentage thuiszorginstellingen respectievelijk het budget dat binnen een bepaalde categorie van samenwerkingsvormen valt. Zoals reeds aangegeven in de vorige paragraaf omvat de inventarisatie in absolute zin 57 thuiszorginstellingen en 2.700 miljoen budget. Te zien is dat de grootste groep bestaat uit instellingen die zowel verticale als horizontale samenwerkingsovereenkomsten hebben gesloten. In geval van verticale samenwerking en/of integratie is naast de overeenkomst de holding de meest gekozen vorm. In geval van horizontale samenwerking en/of integratie wordt naast de overeenkomst meestal gekozen voor een besturingsnetwerk.

Samenvattend laat onderstaande tabel zien op welke wijze thuiszorginstellingen in Nederland zich anno 1997 feitelijk verbonden hebben of voorgenomen hebben zich te verbinden.



Samenwerkingsvorm Instellingen Budget
Verticale en/of horizontale samenwerkingsovereenkomst

Verticaal transactienetwerk (joint venture)

Verticale holding

Horizontaal besturingsnetwerk (federatie, coöperatie)

Horizontale holding

Horizontale fusie (vanuit een geïntegreerde thuiszorginstelling)

Zowel verticaal transactienetwerk als horizontale holding

Zowel verticaal transactienetwerk als horizontaal besturingsnetwerk

Overige verbanden, kleiner dan 2% (zie vorige tabel)



Totaal

30%

7%

14%

14%

9%

7%

7%

4%

8%



100%

57 instellingen

27%

14%

11%

10%

8%

7%

10%

3%

10%



100%

2.700 miljoen



Tabel 3b: Samenwerkingsvormen in de praktijk

Tijdens het Ronde Tafel Gesprek op 26 maart 1997 (zie paragraaf 4.4) is een aantal sleutelfiguren in de Nederlandse gezondheidszorg gevraagd een spontane schatting te maken van de procentuele verdeling van de samenwerkingsvormen. De schattingen weken sterk af van bovenstaande realiteit. Met name de percentages verticale verbindingen en gecombineerde (verticaal en horizontaal) verbindingen lagen aanmerkelijk lager dan in de realiteit het geval is. Het percentage verbindingen bestaande uit samenwerkingsovereenkomsten werd daarentegen veel hoger ingeschat dan de dagelijkse praktijk laat zien.

Gegeven de vele opvattingen en ideeën voor de komende jaren, zoals geuit tijdens de inventarisatie en het Ronde Tafel Gesprek, is het aannemelijk dat bovenstaand overzicht in de loop van de tijd sterk aan verandering onderhevig zal zijn.



4.2.4 Strategische overwegingen en motieven

Het resultaat van de inventarisatie heeft een veelheid aan strategische overwegingen en motieven (veelal synoniem met doelen) opgeleverd. Nadere beschouwing leert dat de overwegingen en motieven uiteindelijk tot een vijftal categorieën te herleiden zijn. In volgorde van belangrijkheid zijn dit: macht, inhoud/kwaliteit, efficiency, identiteitsbehoud en 'dwang'.

Strategische overwegingen en motieven
Macht

- versterking onderhandelingspositie; vergroting van de schaal van contracteringsmogelijkheden

- versterking concurrentiepositie; vermindering toetredingsmogelijkheden nieuwe zorgaanbieders

- versterking zeggenschapspositie t.o.v. collega-thuiszorgaanbieders, vergroting eigen invloed

Inhoud/kwaliteit

- zorgcontinuüm (regionale zorgcircuits voor ouderen, transmurale zorg)

- zorg op maat (cliëntgericht, vraaggericht, zorgarrangementen)

- product-/marktonderzoek en ontwikkeling t.g.v. cliënt (zorg)

- gezamenlijke arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

Efficiency

- verhoging productiviteit; verlaging overhead

- optimalisatie schaalgrootte

Identiteitsbehoud

- confessie

'Dwang"

- 'het moet van de overheid'



Schema 7: Strategische overwegingen en motieven

Bovenstaand overzicht leert dat macht op dit moment de belangrijkste overweging is achter de samenwerkingsinitiatieven. Belangrijk betekent in dit opzicht dat deze categorie zowel het meest genoemd wordt op de inventarisatielijst alsook het hoogste puntenaantal scoorde tijdens de gesprekken.

Op grond van de inventarisatie kan geen direct verband worden aangetoond tussen de aard van strategische overwegingen en motieven enerzijds en de aard van de gekozen samenwerkingsvormen anderzijds. Over het algemeen komen bij de categorie macht relatief veel horizontale samenwerkingsvormen voor en bij de categorie inhoud relatief veel verticale. Efficiency en identiteitsbehoud zijn motieven bij zowel horizontale als verticale samenwerkingsvormen. De motivatie 'dwang' is veelal gekoppeld aan horizontale en verticale samenwerkingsovereenkomsten.

4.2.5 Totstandkoming van samenwerking en/of integratie

Een van de vragen van de inventarisatie was 'hoe men tot een keuze voor verticale of horizontale samenwerking en/of integratie is gekomen' en 'hoe men vervolgens te werk is gegaan bij de samenwerking en/of integratie'. Gezien de grote variatie in de aard van de antwoorden kan geconcludeerd worden dat er meerdere werkwijzen mogelijk zijn (geen standaard aanpak). Belangrijk bij de werkwijze is dat deze past bij de betrokken partijen. Onder andere spelen hierbij een rol: persoonlijke affiniteit, fase van ontwikkeling van de organisatie en regionale mogelijkheden.

Onderstaande tabel is een overzicht van de meest genoemde trefwoorden aangaande de totstandkoming van de samenwerking en/of integratie. Hierbij zijn door sommige organisaties meerdere werkwijzen ingevuld.

Werkwijze Percentage
Pragmatisch (stuurgroep, taskforce)

PEST-analyse

Informele en netwerkcontacten

Zeer gedetailleerd, stappenplan/4-5 jaar

Bottom-up

Top-down

Concrete initiatieven als voorportaal; later grotere strategische issues (bijvoorbeeld contractering)

Offensief, proactief, kansen ziend

Defensief, reactief, concurrentie vermijdend

Snel

Organisch; stap voor stap

Veel geduld

Overleg, overleg, overleg

9%

2%

13%

3%

9%

11%

8%



11%

6%

5%

3%

7%

13%



Tabel 4: De totstandkoming van samenwerking en/of integratie

Over de gemiddelde duur van de totstandkoming van een samenwerkingsverband bestaat grote eenduidigheid. Voor een verticaal samenwerkingsverband betrof dit gemiddeld 0,5 tot 2 jaar. Voor een horizontaal samenwerkingsverband langer, namenlijk gemiddeld 2 tot 5 jaar.



4.2.6 Resultaten van de samenwerking en/of integratie

Veel thuiszorgdirecties gaven op de inventarisatievragenlijsten te kennen nog niet zoveel te kunnen zeggen over de resultaten van de samenwerking en/of integratie. Bij de instellingen waar reeds langere tijd een bepaalde samenwerkingsvorm bestaat, waren de thuiszorgdirecties zeer openhartig over zowel de positieve als negatieve gevolgen ervan. Uit onderstaand schema blijkt dat de verscheidenheid wederom groot is.

Negatief Positief
  • kostprijsstijging

  • veel bestuurlijke drukte

  • mannetjesmakerij

  • hinder buitengesloten partners



  • compromissen zonder bezieling

  • cultuur verschillen (overbrugging kost veel tijd)

  • meer van hetzelfde

  • kostprijsdaling

  • netwerkspeler gebleven

  • open informatieuitwisseling

  • gezamenlijke aanpak schaarste arbeids

    markt

  • eenduidig strategisch beleid

  • zorgcontinuüm



  • overheadreductie



  • Schema 8: Resultaten samenwerking en/of integratie

    Resultaten van een enigszins andere orde zijn de vragen en dilemma's die de samenwerkingsinitiatieven met zich meebrengen. Zoals daar zijn:

    Wat is een optimale schaalgrootte?

    Hoe benut ik mijn schaalgrootte optimaal?

    Welk management-/besturingsconcept is het meest passend?

    Antwoorden op deze vragen en dilemma's zijn door de thuiszorgdirecties niet gegeven. Wel kunnen enkele uitspraken worden gedaan over trends die zichtbaar worden op basis van de inventarisatie. Allereerst de trend dat verticale samenwerkingsverbanden veelal een schaal van 150.000 - 200.000 inwoners kennen. Daarnaast wordt zichtbaar dat organisaties en "zware" samenwerkingsverbanden (holding, fusie) met een budget van meer dan 100 miljoen zich veelal beperken tot lichte samenwerkingsverbanden met nieuwe partners; danwel tot overnames van zorginstellingen. Tenslotte lijkt het erop dat organisaties met een budget rond de 50 miljoen vaak zowel verticale als horizontale samenwerkingsverbanden aangaan. Hiervoor worden verschillende vormen gekozen.



    4.2.7 Reacties stakeholders

    Als belangrijkste stakeholders worden door thuiszorgdirecties zorgverzekeraars, lokale en provinciale overheden, cliënten(groeperingen), medewerkers, ondernemingsraad, andere zorgaanbieders en verwijzers genoemd. Wat betreft verwijzers moet gedacht worden aan ziekenhuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen en huisartsen.

    Uit de inventarisatie blijkt dat de overgrote meerderheid van de thuiszorgdirecties aangeeft positieve danwel neutrale reacties van de stakeholders ontmoet te hebben.

    Daar waar de samenwerking en/of integratie tot buitensluiting van zorgaanbieders binnen een bepaald werkgebied dreigt te leiden, wordt met name door de zorgverzekeraar een beroep gedaan op de partijen om geen concurrentie of hindermacht in de hand te werken, maar ervoor te zorgen dat alle krachten in het spel blijven.

    De reactie van de zorgverzekeraars is anders in de gebieden waar het nieuwe samenwerkingsverband een monopoliepositie krijgt danwel wanneer een zeer groot conglomeraat wordt gevormd. Vaak ontstaat dan met name bij deze zorgverzekeraars, maar ook bij huisartsen en cliëntengroeperingen terughoudendheid en soms enige bezorgdheid.

    In sommige gebieden (bijvoorbeeld Groningen) werkt het schaarstebesef bindend tussen de samenwerkingspartijen en legitimerend naar stakeholders.

    Meerdere thuiszorgdirecties geven aan bewust en actief hun netwerkrelaties te onderhouden. Het 'openhouden van de deuren' beschouwen zij in belangrijke mate bepalend voor hun samenwerkings- en/of integratiesucces.



    4.2.8 Tot slot

    Het beeld dat ontstaat bij de analyse van de inventarisatie van verticale en horizontale samenwerkingsinitiatieven vanuit de thuiszorginstellingen in Nederland is in één woord te typeren als verscheidenheid. De verscheidenheid heeft zowel betrekking op de samenwerkingsvormen, de strategische overwegingen en motieven als op de werkwijzes en resultaten.

    Verscheidenheid wordt aangetroffen binnen een bestel van thuiszorginstellingen die druk zoekende zijn naar optimale schaalgroottes en nieuwe besturingsconcepten. Vaak is (hierdoor) de aandacht voor de branche-eenheid (nog) ver te zoeken.

    Binnen alle verscheidenheid is het de affiniteit van personen en visies die voor een belangrijk deel de snelheid van de samenwerkingsprocessen bepaalt.

    4.3 Diepte-interviews: zes praktijkvoorbeelden

    4.3.1 Inleiding

    Op basis van de inventarisatie van de belangrijkste initiatieven van horizontale en verticale integratie in Nederland, zijn zes praktijkvoorbeelden geselecteerd waarop in deze paragraaf ingezoomd wordt: casus 1 tot en met 6. Aan de hand van een van te voren opgestelde vragenlijst (zie bijlage 2) hebben we in deze situaties interviews gehouden met de initiatiefnemers van het integratieproces en met één of twee stakeholders per casus. De namen en functies van de geïnterviewden zijn opgenomen in bijlage 11.

    Bij de selectie van de praktijkvoorbeelden zijn de volgende criteria gehanteerd:

    1. Verschillende vormen van integratie: zowel horizontaal als verticaal, maar ook een situatie waarin tegelijkertijd voor beide vormen wordt gekozen. STAD Groningen is een voorbeeld van de laatste variant.

    2. De meest gestructureerde voorbeelden van horizontale en verticale integratie maken in ieder geval onderdeel uit van de selectie. Dit zijn respectievelijk de Pantheon Zorggroep te Zwolle en De Zorgboog te Helmond.

    3. Twee situaties die opvallen door de samenstelling van de participanten zijn (onder andere) om die reden opgenomen in de selectie. Dit betreft het samenwerkingsverband 'SOM' te Gorinchem (participatie van het ziekenhuis) en de Zorg Alliantie te Apeldoorn (participatie van het commerciële thuiszorgbureau NTN).

    4. Een situatie die opvalt door de wens om verticaal te integreren, maar waar feitelijk een horizontale integratie plaatsvindt (Carabine te 's-Hertogenbosch).

    De zes geselecteerde situaties zijn:
    Horizontale integratie Verticale integratie
    Casus 1:

    De Zorgboog, Helmond

    Holding van kruiswerk, verpleeg- en verzorgingshuizen en opleidingsinstituut
    Casus 2:

    'SOM', Gorinchem

    Ouder- en kindzorg en kraamzorg in v.o.f. met andere thuiszorginstelling

    Waardse Rading is lid van de

    Lothus Zorggroep

    Voornemen tot holding van thuiszorg, ziekenhuis, verpleeg- en verzorgingshuizen
    Casus 3:

    De Zorg Alliantie, Apeldoorn

    Coöperatieve vereniging van

    woningcorporatie, verpleeg- en verzorgingshuizen. Samenwerking met commerciële thuiszorg.

    Casus 4:

    Thuiszorg STAD Groningen

    Voornemen tot fusie met kruiswerk en thuiszorginstelling Voornemen tot holding met verpleeg- en verzorgingshuizen
    Casus 5:

    Pantheon Zorggroep, Zwolle

    Holding van 4 thuiszorginstellingen
    Casus 6:

    'Carabine', 's-Hertogenbosch

    Voornemen tot holding van twee thuiszorginstellingen (na fusie kruiswerk en gezinszorg in Den Bosch in mei 1997)

    Schema 9: De zes geselecteerde praktijkvoorbeelden

    4.3.2 Beknopte beschrijving per casus



    Casus 1: De Zorgboog te Helmond

    Situatieschets

    - Gebied: Peelland/Gewest Helmond (200.000 inwoners).

    - Op 1 januari 1996 is de holding Stichting Verpleging en Verzorging Peelregio 'De Zorgboog' opgericht met vijf werkmaatschappijen:

    - Thuiszorg: Kruiswerk Peelland;

    - Stichting Willibrord/Ruijschenbergh (321 verzorgingsplaatsen en 67 woningen);

    - Stichting Ouderenhuisvesting Ruijschenbergh (83 woningen);

    - Stichting Aarle-Beek (141 verzorgingsplaatsen en 196 woningen);

    - Stichting Verpleeghuizen Gewest Helmond (485 bedden).

    - De instelling voor gezinszorg in de regio is geen onderdeel van De Zorgboog.

    - De Zorgboog was de eerste holding in Nederland met betrokkenheid van verpleeghuizen, verzorgingshuizen en thuiszorg en heeft daardoor veel landelijke publiciteit gehad.

    - Een domper was het gegeven dat al in het eerste jaar onverwachte problemen bij de werkmaatschappij Kruiswerk aan het licht kwamen.

    Genoemde motieven voor besluit tot integratie:

    - Meer samenhang aanbrengen in de ouderenzorg: "Het bevorderen van een op elkaar afgestemd en onderling samenhangend stelsel van voorzieningen voor gezondheidszorg en ouderenvoorzieningen binnen de participerende instellingen alsook het samenwerken met andere instellingen op het gebied van de intra-, semi- en extramurale gezondheidszorg, ouderenzorg en maatschappelijke dienstverlening" (statuten De Zorgboog).

    - Efficiencyverbetering van de voorwaardenscheppende en ondersteunende processen. Van de verwachte voordelen kwamen de bedrijfseconomische echter "op de laatste plaats".

    Juridische structuur

    - De Zorgboog is een holding met de vijf oorspronkelijke stichtingen als werkmaatschappijen. De directies van de werkmaatschappijen vormen gezamenlijk de directieraad. Materieel vindt de sturing van De Zorgboog plaats door deze directieraad; de formele bestuursbevoegdheden liggen echter bij de Raad van Bestuur van de holding. Deze bestaat op dit moment uit twee personen: "Bepalend voor eventuele toetreding tot de Raad van Bestuur is de vertegenwoordigde omvang, brede ervaring en bewezen managementkwaliteiten".

    - De leden van de Raad van Bestuur zijn tevens directeur van een werkmaatschappij. Dit is een persoonlijke keuze van de voorzitter: "Aanvankelijk wilde de Raad van Toezicht mij bijvoorbeeld in de enkelvoudige rol als voorzitter van de Raad van Bestuur. Daar was ik niet voor in, dan moet je maar een ander zoeken. Ik wil bovenop de zorg zitten, wil ruiken wanneer de soep aangekookt is. Ik kan het contact met de patiënten niet missen."

    - Op holdingniveau is er geen aparte werkmaatschappij en daarom bijvoorbeeld ook geen Centrale Ondernemingsraad. Elke werkmaatschappij/stichting is zelf werkgever en heeft een eigen ondernemingsraad.

    - Er is besloten om drie jaar in deze vorm te werken en de resultaten na 2½ jaar te beoordelen.

    Bepalende factoren

    - "De Zorgboog ontstond door mensen die elkaar vonden".

    Tijdens een gezamenlijke studiereis begin 1995 leerden de partners elkaar beter kennen.

    - De Zorgboog is marktleider in de regio en manifesteert zich ook als zodanig.

    - Binnen De Zorgboog is de verkeerde-bedproblematiek van het ziekenhuis opgelost door het creëren van een voorziening in een verzorgingshuis.

    - De participanten kiezen voor een zeer praktische invalshoek en hebben bijvoorbeeld geen strategisch meerjarenplan. Men verwacht in de toekomst wel meer systematisch aan het werk te gaan op basis van strategische analyses.

    Fase van ontwikkeling

    - De extra kosten van de holding worden inmiddels gecompenseerd door kostenbesparingen ten gevolge van vermindering van managementfuncties, afstoten van gebouwen en samenvoegen van ondersteunende diensten.

    - Het Kruiswerk is nog vrij zelfstandig. Verdere integratie vindt onder andere plaats door het afstoten van gebouwen en het onderbrengen van kruiswerkfuncties in verzorgingshuizen en woon-zorgcomplexen.

    Schaalvergroting van sommige product/marktcombinaties, bijvoorbeeld kraamzorg, wordt op dit moment onderzocht. Dit zou kunnen plaatsvinden door samenwerking met andere zorgaanbieders buiten het werkgebied van De Zorgboog.

    - De Zorgboog zou graag aansluiting van de instelling voor gezinszorg gerealiseerd zien. De kansen hierop lijken groter dan voorheen.

    Casus 2: 'SOM' te Gorinchem

    Situatieschets

    - Gebied: Alblasserwaard en Vijfherenlanden (180.000 inwoners), een regio met "diepe culturele en confessionele wortels".

    - Drie participanten in toekomstige holding:

    - Waardse Rading, eind 1995 door fusie ontstane regionale thuiszorginstelling;

    - Vereniging Samenwerkende Verzorgingshuizen (VSV), samenwerkingsverband van zeventien verzorgingshuizen (negen rechtspersonen). Vijftien van deze verzorgingshuizen zullen in 1997 samen een managementstichting oprichten, waaraan zij de bevoegdheid m.b.t. samenwerkingsafspraken zullen overdragen;

    - Stichting Zorgvoorzieningen Gorinchem e.o. (SZG), bestaande uit Beatrix Ziekenhuis en twee verpleeghuizen.

    Deze drie noemen zich de SOM-organisaties, waarbij 'SOM' een afkorting is van "Strategie-Organisatie-Mens".

    - Historie: er waren in de afgelopen drie jaar veel initiatieven tot zorgvernieuwing:

    - Ligduurverkorting. Voorbeelden: zwangerschapsmonitoring, tractiebehandeling thuis, thuisbehandeling van gele baby's en thuisbehandeling van decompensatio cordis (hartzwakte) patiënten.

    - Transmurale verpleging: reumatologie, neurologie, diabetes en CARA.

    - Bureau Transmurale Patiëntenlogistiek (BUTRAP), verantwoordelijk voor de opname- en ontslagplanning van ziekenhuis en verpleeghuizen (inclusief de verdere relatie met de thuiszorg) en heeft als doel om dit kwalitatief, efficiënt en effectief te organiseren.

    - Project 'Vernieuwing Ouderenzorg', dat door de VSV en Waardse Rading is ontwikkeld. Het gezamenlijke werkgebied van deze partners wordt ingedeeld in vier zorgeenheden waarin wonen, zorg- en dienstverlening geïntegreerd geleverd worden.

    - Waardse Rading is tevens lid van de Lothus Zorggroep, een coöperatieve vereniging van tien thuiszorginstellingen in Zuid-Holland. Doelstelling van de Lothus Zorggroep is een gezamenlijke strategische positionering binnen de thuiszorgbranche en ten opzichte van zorgverzekeraars.

    Binnen de Lothus Zorggroep worden ook product/marktcombinaties geëxploiteerd, waarvoor de schaal van de afzonderlijke regio's te klein is. Zo is de Stichting Zorglijn (7 x 24-uurs bereikbaarheid) een dochteronderneming van de Lothus Zorggroep.

    - Waardse Rading heeft voor de producten kraamzorg en ouder- en kindzorg gekozen voor horizontale integratie en deze ondergebracht in een vennootschap-onder-firma, die ze samen met een andere thuiszorginstelling exploiteert.



    Genoemde motieven voor besluit tot integratie

    - Zorgverlening vraaggestuurd aanbieden:

    Dit betekent dat de zorg "thuis als het kan" wordt geleverd.

    - Met dezelfde middelen voldoen aan de toenemende zorgvraag:

    Dit willen de initiatiefnemers niet bereiken door onderlinge concurrentie maar door eenheid binnen de bedrijfskolom.

    - Efficiencywinst tussen zorgaanbieders d.m.v. verbetering patiëntenlogistiek ("doorstroommanagement"). De efficiencywinst binnen de afzonderlijke zorgaanbieders heeft z'n grenzen bereikt. Tegelijkertijd zijn de initiatiefnemers ervan overtuigd dat er nog veel meer gedaan kan worden met hetzelfde geld als de schotten tussen zorgaanbieders geminimaliseerd worden en de patiëntenlogistiek tussen zorgaanbieders verder wordt verbeterd.

    Juridische structuur

    De drie samenwerkingspartners hebben nog geen duidelijk beeld van de toekomstige organisatorische en juridische structuur. Het meest waarschijnlijk is een holding, waarin de drie betrokken zorgaanbieders hun "eigen gezicht" kunnen behouden als werkmaatschappij. Een mogelijkheid is om op een moment een fusie aan de top te laten plaatsvinden.

    De initiatiefnemers zien de vormgeving als een noodzakelijk kwaad. Men geeft prioriteit aan de inhoudelijke ontwikkelingen en is ervan overtuigd dat de juridische structuur dan als vanzelfsprekend hieruit volgt.

    Bepalende factoren

    - "Intuïtie, toeval en een beetje beleid".

    - Het idee van een holding ontstond tijdens een studiereis van de directies van de drie betrokken organisaties.

    - Samenwerking is reeds bewezen door resultaten van zorgvernieuwing (gestart in 1993).

    - "Transmurale nieuwbouw" (gereed eind 2001): op het terrein van het Beatrix Ziekenhuis wordt een nieuw verpleeghuis gebouwd en een nieuw gebouw, waarin het hoofdkantoor van Waardse Rading en het managementcentrum van de nieuwe holding worden gehuisvest. De drie panden worden onderling met loopbruggen verbonden.

    - Twee centrale spelregels:

    1. "Domeindiscussies zijn taboe" en

    2. "Geld speelt geen rol, want dat is er toch niet." Als je echter een goed initiatief hebt, komt het geld hiervoor uiteindelijk toch wel (uit eigen budgetten of van buiten).

    Fase van ontwikkeling

    - In 1994 is de 'Deilgroep' opgericht, een samenwerkingsverband waarin de SZG, de VSV, Waardse Rading, de Regionale Huisartsen Vereniging (RHV) en de medisch specialisten participeren.

    - 1996: Informele verkenning van mogelijkheden tot integratie.

    - Najaar 1996: officiële aankondiging van formele bespreking over een "fusie". Dit leidde tot zeer negatieve reacties van de twee andere partners uit de Deilgroep, namelijk de medisch specialisten en de huisartsen.

    - 1997: Naar aanleiding van deze grote weerstand is besloten om in 1997 verkennende besprekingen te starten over "holdingvorming", waarbij de medisch specialisten en huisartsen ook aan de gesprekstafel worden gevraagd.

    - Reeds veel resultaten op het gebied van inhoudelijke samenwerking bereikt.

    - De faculteit Beleid en Management Gezondheidszorg (BMG) van de Erasmus Universiteit en het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) zijn als begeleiders betrokken bij het integratieproces.

    Casus 3: De Zorg Alliantie (dZA) te Apeldoorn

    Situatieschets

    - Gebied: Stad Apeldoorn (100.000 inwoners).

    - Leden van de coöperatieve vereniging dZA zijn:

    - Verpleeghuis 'Casa Bonita';

    - Verpleeghuis Hullenoord;

    - Woningstichting 'De Goede Woning' die o.a. drie verzorgingshuizen exploiteert;

    - Verzorgingshuis 'Mandala'.

    - Het marktaandeel van dZA bedraagt in Apeldoorn:

    - 47% van het aantal verpleeghuisbedden;

    - 58% van het aantal verzorgingshuisplaatsen en

    - 80% van het aantal aanleunwoningen.

    - De traditionele thuiszorginstelling, Thuiszorg Oost-Veluwe, is niet betrokken bij dZA. In plaats hiervan heeft dZA een driejarige samenwerkingsovereenkomst gesloten met de NTN Groep, een commercieel thuiszorgbureau met een landelijke erkenning.

    Genoemde motieven voor besluit tot integratie:

    - "Aanbieden van producten en diensten binnen het zorgcontinuüm tegen een concurrerende prijs/kwaliteitverhouding op het gebied van zorg en wonen ten behoeve van met name ouderen." Dit moet resulteren in een integrale beantwoording van de zorgvraag door een netwerk van instellingen.

    - Schaalvoordelen bereiken op het terrein van strategie, doelmatigheid en kwaliteit.

    - Gezamenlijk een antwoord kunnen geven op nieuwe ontwikkelingen in de markt van zorg en wonen voor ouderen (55+).

    - De woningcorporatie heeft in het bijzonder, uit het oogpunt van kostenbesparing, tot doel om het aantal verhuizingen van ouderen te beperken.

    Juridische structuur

    - De gezamenlijke directies van de leden vormen zowel het bestuur als de ledenvergadering van de coöperatieve vereniging (aangezien het verplicht is om beide organen in te stellen binnen een coöperatieve vereniging).

    - Elk lid van de coöperatieve vereniging heeft het recht tot voordracht van één van de leden van de Raad van Commissarissen.

    - Een directeur en een bureau zijn belast met de dagelijkse leiding en uitvoering van de taken van de activiteiten van de coöperatieve vereniging.

    - Via een nieuwsbrief (oplage 1750 exemplaren) worden alle personeelsleden, vrijwilligers en relaties van dZA geïnformeerd over de ontwikkelingen binnen dZA (in 1996 twee keer verschenen).

    - De leden van dZA hebben zich vier jaar aan elkaar verbonden. Ook de financiële verplichtingen gelden voor deze periode.

    Bepalende factoren:

    - Vanaf 1990 is er in de regio nauwer samengewerkt door de vijf verpleeghuizen en twintig verzorgingshuizen naar aanleiding van de regeling Substitutie Verpleeghuiszorg. Na een jaar ontstonden er in Apeldoorn en omgeving, op basis van verschillen in inhoudelijke visie en persoonlijke relaties, twee clusters. Eén hiervan heeft geresulteerd in de oprichting van de Zorg Alliantie (dZA).

    - In het andere cluster staat verpleeghuis Randerode centraal, dat een samenwerkingsrelatie heeft met het revalidatiecentrum Kastanjehof en het ziekenhuis (dat naast Randerode is gelegen en hieraan met een loopbrug is verbonden). Dit cluster richt zich meer op de transmurale zorg. Thuiszorg Oost-Veluwe is hierbij ook betrokken.

    - De Zorg Alliantie heeft in 1995 aan Thuiszorg Oost-Veluwe gevraagd om zich aan te sluiten bij dZA. Nadat Thuiszorg Oost-Veluwe dit weigerde is er vanaf april 1996 een driejarige samenwerkingsovereenkomst gesloten met de NTN Groep. DZA levert de thuiszorg in de aanleunwoningen, maar laat het aan de bewoners vrij om een keuze te maken tussen de verschillende thuiszorgaanbieders.

    - In 1996 heeft NTN een deel van haar landelijke AWBZ-budget beschikbaar gesteld ( 2½ tot 3 ton) voor het aanbieden van thuiszorg door dZA. In 1996 is zo aan ongeveer acht cliënten (langdurige) thuiszorg geleverd. DZA noemt de ervaringen met NTN positief. Inmiddels is er ook een gemeenschappelijke invalpool met NTN ontstaan.

    Fase van ontwikkeling

    - De Zorg Alliantie is "gestaag" ontwikkeld. In december 1995 zijn in een werkconferentie de afspraken gemaakt over de op te richten zorgketen.

    - In maart 1996 startte het bestuur van de vereniging in oprichting haar werkzaamheden en in september 1996 vond de definitieve oprichting plaats.

    - In 1997 wordt een zorgsteunpunt ontwikkeld: een distributiepunt in de wijk, van waaruit het aanbod van dZA voor (extra- of intramuraal wonende) ouderen wordt gecoördineerd en geregisseerd.

    - De verpleeg- en verzorgingshuizen onderzoeken de mogelijkheden om een aantal functies (medische dienst, keukenvoorziening, nachtbereikbaarheid, inkoop en automatisering) gezamenlijk uit te voeren om doelmatigheidswinst te realiseren.

    - Binnen Thuiszorg Oost-Veluwe wordt na een directiewisseling inmiddels een ander beleid gevoerd. De Zorg Alliantie komt gedurende de duur van de samenwerkingsovereenkomst met NTN echter niet terug op haar keuze.

    - De vorming van dZA heeft een versterking van de profilering door de twee (onder "bepalende factoren" genoemde) clusters tot gevolg gehad. Nu er ook binnen de verpleeghuizen sprake is van directiewisselingen, kunnen hierdoor mogelijk de onderlinge verhoudingen tussen de Apeldoornse verpleeghuizen in positieve zin wijzigen.

    Casus 4: Thuiszorg STAD Groningen

    Situatieschets

    - Gebied: De provincie Groningen (560.000 inwoners) en daarbinnen de stad Groningen (167.000 inwoners).

    - Thuiszorg STAD Groningen is in 1992 uit een fusie ontstaan. Als eerste en enige thuiszorginstelling in Nederland heeft Thuiszorg STAD in 1996 een NEN/ISO-kwaliteitscertificaat behaald.

    - Thuiszorg STAD Groningen kiest voor zowel horizontale als verticale integratie. Deze processen vinden tegelijkertijd plaats.

    - Horizontale integratie:

    In de provincie Groningen zijn twee thuiszorginstellingen (Thuiszorg STAD en Thuiszorg Ommelanden). In Oost-Groningen is de thuiszorg nog niet geïntegreerd en zijn er vijf gezinszorginstellingen en een vereniging voor kruiswerk.

    Twee organisaties hebben besloten om in de loop van 1997 te fuseren:

    - Thuiszorg STAD Groningen en

    - Kruisvereniging Oost-Groningen.

    Waarschijnlijk sluit Thuiszorg Ommelanden zich hierbij aan in 1998.

    - Verticale integratie:

    Thuiszorg STAD Groningen verkent met enkele verpleeg- en verzorgingshuizen de mogelijkheden van een gezamenlijke toekomstige holding, bestaande uit:

    - Thuiszorg STAD Groningen;

    - Prof. Heijmansstichting te Groningen: 2 verpleeghuizen, 4 verzorgingshuizen en woningen;

    - Verzorgingshuis Bernlef;

    - Verpleeghuis Innersdijk.

    Genoemde motieven voor besluit tot integratie:

    Horizontale integratie:

    - Efficiency en doelmatigheid: verlaging van de kostprijs per eenheid product in de zorgverlening.

    - Vergroten van de invloedssfeer en concurrentiekracht ten opzichte van regionale en met name landelijke zorgverzekeraars.

    Verticale integratie:

    - Zorgcontinuüm creëren van intra- en extramurale voorzieningen voor verpleging en verzorging met één aanspreekpunt voor de cliënt. Veiligheid en zekerheid in elke fase van zorgverlening moeten hiermee worden gewaarborgd.

    - Verbetering van gezamenlijke kwaliteit van zorgverlening door gezamenlijke scholing.

    - Gezamenlijke positionering op de schaarser wordende arbeidsmarkt (inclusief nieuwe carrièrekansen).

    - Vergroten van de invloedssfeer ten opzichte van de regionale zorgverzekeraar en andere spelers in de 'care'-markt (m.n. geestelijke gezondheidszorg en gehandicaptenzorg).



    Juridische structuur:

    Horizontale integratie:

    - Fusie, waarbij de kernactiviteiten (verpleging/verzorging en huishoudelijke zorg) worden uitgevoerd in geografisch ingedeelde werkmaatschappijen. In de loop van 1997 zijn dit de regio's Groningen-stad en Oost-Groningen; vanaf 1998 is Ommelanden waarschijnlijk de derde regio.

    - De aanvullende en gespecialiseerde diensten (o.a. kraamzorg, ouder- en kindzorg, diëtetiek, gespecialiseerde verzorging, alphahulp, personenalarmering en maaltijdvoorziening) worden op provinciaal niveau gebundeld, vooralsnog in een aparte stichting, waarin de drie betrokken instellingen deelnemen.

    Zodra ook Thuiszorg Ommelanden zich door fusie heeft aangesloten bij de Groninger Thuiszorg, zal de stichting voor aanvullende en gespecialiseerde diensten vermoedelijk onderdeel worden van de gezamenlijke holding of het concern.

    Verticale integratie:

    - De participanten hebben het voornemen een holding te vormen binnen de stad Groningen. Ook fusie wordt hierbij als mogelijke vorm niet uitgesloten.

    - De voorbereidingen bevinden zich nog in een verkennende fase.

    Bepalende factoren:

    - Na veel tumult in verband met grote financiële problemen tijdens de fusie van Thuiszorg STAD Groningen in 1991 is er inmiddels een evenwichtige thuiszorginstelling ontstaan met een goede kostprijs in vergelijking met de omliggende thuiszorginstellingen.

    Horizontale integratie:

    - RZG is de dominante zorgverzekeraar voor de gehele provincie Groningen met een marktaandeel van 85%. Hiermee is de provincie wat betreft financiering een overzichtelijk gebied voor de "Groninger Thuiszorg".

    - Bij Thuiszorg Ommelanden is men na een fusie tussen kruiswerk en gezinszorg nog orde op zaken aan het stellen. Een tijd lang heeft men gekoerst op verticale integratie met verzorgings- en verpleeghuizen, maar deze prioriteit is inmiddels gewijzigd.

    Verticale integratie:

    - De eindverantwoordelijke directeuren van de twee grootste instellingen hebben beiden vanwege hun leeftijd binnen drie tot zes jaar de mogelijkheid om terug te treden uit hun functie en hebben geen persoonlijke ambities voor verdere promotie.

    - De directies van de verschillende instellingen zijn alle zeer betrokken bij de inhoud van de zorgverlening en 'vinden' elkaar hierin. Schaarsteverdeling is hierin een bindende factor.

    Fase van ontwikkeling:

    - De initiatieven tot zowel horizontale als verticale integratie zijn enkele jaren geleden genomen. De effectuering hiervan vindt nu ongeveer tegelijkertijd plaats, hetgeen meer toevallig is dan bewust zo gepland.

    Horizontale integratie:

    - De drie thuiszorgregio's binnen de provincie werkten voor het kruiswerkdeel voorheen samen in de Provinciale Kruisvereniging. Veel initiatieven, die optimalisering van de schaalgrootte van afzonderlijke diensten tot doel hadden, sneuvelden destijds. Nu ligt opnieuw een provinciale organisatie in het verschiet, waarbij in dit geval sprake is van integratie (inclusief gezinsverzorging).

    Verticale integratie:

    - Sinds 1993 zijn alle verpleeg- en verzorgingshuizen en Thuiszorg STAD Groningen verenigd in een federatief verband: de Stichting Zorggroep STAD Groningen.

    - De huidige initiatiefnemers komen medio 1996 tot de conclusie dat de samenwerking binnen de Zorggroep te vrijblijvend is en daardoor te weinig mogelijkheden biedt tot intensieve samenwerking.

    - 1997: Opdracht aan externe onderzoeker om de mogelijkheden te inventariseren voor een nauwere samenwerking tussen enkele participanten van de Zorggroep.

    Casus 5: Pantheon Zorggroep te Zwolle

    Situatieschets:

    - Gebied: Drenthe, Flevoland, West-Veluwe en Zwolle-Kampen (1,2 miljoen inwoners).

    - De Pantheon Zorggroep is opgericht per 1 januari 1996. Het is een stichting met vijf werkmaatschappijen: Vier thuiszorginstellingen (Thuiszorg Drenthe, Thuiszorg Flevoland, Thuiszorg IJssel-Zwartewater en Thuiszorg Veluwe) en een houdstermaatschappij voor aanvullende diensten.

    - Taakverdeling:

    - De thuiszorginstellingen zijn als autonome werkmaatschappij verantwoordelijk voor de hulpverlening en de afstemming/samenwerking met andere zorgaanbieders op lokaal en regionaal niveau.

    - De houdstermaatschappij (Thuiszorg Beheer en Ontwikkeling) levert aanvullende diensten als de zorgcentrales, particuliere thuiszorg, personenalarmering, thuiszorgwinkels en maaltijdvoorziening.

    - Het centraal bureau van de Pantheon Zorggroep is verantwoordelijk voor het strategisch beleid, prijs- en contracteerbeleid, sociaal beleid, product- en productiebeleid, informatiebeleid, kwaliteitsbeleid, financieel beleid, financiële controle en voorlichting.

    - Gezondheidszorg thuis is het uitgangspunt. "Mensen moeten thuis kunnen blijven bij ziekte of handicap en horen niet in instituties." De Pantheon Zorggroep streeft daarom naar een sterke thuiszorgorganisatie.

    Genoemde motieven voor besluit tot integratie:

    - Het belangrijkste motief van de schaalvergroting is versterking van de machtspositie van de thuiszorginstellingen geweest:

    - Versterking van de onderhandelingspositie ten opzichte van de regionale zorgverzekeraar Het Groene Land (HGL, onderdeel van Achmea).

    - Versterking van de concurrentiepositie in Noord-Oost Nederland.

    - Versterking van de landelijke positie binnen de thuiszorgbranche.

    - Secundair motief: behalen van doelmatigheidswinst.

    Juridische structuur:

    De Pantheon Zorggroep is een stichting. De vier thuiszorginstellingen en de houdstermaatschappij zijn alle BV's. De stichting bezit alle aandelen van de vijf BV's. Voor deze structuur is gekozen om onderlinge fiscale verplichtingen te vermijden.







































    Bepalende factoren:

    - Voor de grootste van de vier betrokken thuiszorginstellingen was de holdingvorming een offensieve strategie. Voor enkele andere instellingen was de strategie eerder defensief van aard, aangezien zij bij de regionale zorgverzekeraar minder gewicht hadden dan hun grote en dominante collega Thuiszorg Drenthe.

    - De regionale zorgverzekeraar Het Groene Land is in bijna het gehele werkgebied zeer sterk aanwezig. Alleen Thuiszorg Veluwe heeft een andere zorgverzekeraar als AWBZ-verbindingskantoor (ANOVA te Amersfoort).

    - De vier thuiszorginstellingen hebben uitdrukkelijk gekozen voor horizontale en niet voor verticale integratie, hetgeen past bij het motief om de machtspositie in de thuiszorgbranche en ten opzichte van de zorgverzekeraar te versterken.

    Verticale integratie wordt overigens niet uitgesloten. De Pantheon Zorggroep stelt hierbij wel als voorwaarde dat zij de meerderheid van de zeggenschap behoudt.

    Fase van ontwikkeling:

    - Vanaf 1993 is holdingvorming besproken tussen eerst twee, later zes en uiteindelijk vier thuiszorginstellingen. Thuiszorg Salland en Thuiszorg het Oude en het Nieuwe Land wilden hun autonomie behouden en besloten uiteindelijk om niet te participeren in de Pantheon Zorggroep.

    - De holding is gerealiseerd per 1 januari 1996.

    - 1997: Vanuit het gezichtspunt van de vier deelnemende thuiszorginstellingen is de meerwaarde van de Pantheon Zorggroep, in vergelijking met de situatie voorafgaand aan de holdingvorming, verschillend. Dit hangt nauw samen met de oorspronkelijke schaalgrootte. Zo is de directie van Thuiszorg Drenthe (de grootste van de vier thuiszorginstellingen) op dit moment van mening dat de Pantheon Zorggroep geen toegevoegde waarde heeft en slechts meer overheadkosten genereert.

    - De oorspronkelijke concernfilosofie was de werkmaatschappijen zo zelfstandig mogelijk te laten functioneren. Aangezien de doelmatigheidswinst onvoldoende is gerealiseerd, vindt nu een discussie plaats over een andere inrichting van het concern. Een mogelijkheid is dat de huidige regionale indeling in vier thuiszorginstellingen vervalt en er nieuwe bedrijven worden ingericht voor de afzonderlijke product/marktcombinaties, zoals kraamzorg, ouder- en kindzorg, thuisverpleging/-verzorging, etc.

    - Binnen Thuiszorg Drenthe wordt, om de kostprijs te verbeteren, op dit moment een bezuinigingsoperatie uitgevoerd door beperking van de indirecte kosten met  5 tot 6 miljoen per jaar. Dit gebeurt met name door te snijden in het leidinggevend en ondersteunend personeel en voor andere besturingsprincipes te kiezen. Andere werkmaatschappijen hebben deze keuze nog niet gemaakt, maar Pantheon Zorggroep schat in dat de indirecte kosten met in totaal  15 tot 20 miljoen verminderd kunnen worden.

    - Elke werkmaatschappij werkt zelf aan samenwerking met ziekenhuizen, verpleeghuizen en verzorgingshuizen in de verschillende subregio's, waarbij zeggenschap over de core business van de thuiszorg bij voorbaat niet zal worden afgestaan.

    Casus 6: 'Carabine', een thuiszorgholding te 's-Hertogenbosch

    Situatieschets:

    - Gebied: Stadsgewest Den Bosch en Midden-Brabant (Tilburg e.o.), in totaal 650.000 inwoners.

    - Drie participanten in holding per 1 januari 1998:

    - Kruiswerk de Bossche Meierij;

    - Stichting Gezinsverzorging Stadsgewest 's-Hertogenbosch;

    - Thuiszorg Midden-Brabant, een in 1993 door fusie ontstane regionale thuiszorginstelling.

    - Kruiswerk de Bossche Meierij en Stichting Gezinsverzorging Stadsgewest 's-Hertogenbosch werken reeds vele jaren samen en voeren enkele bedrijfsfuncties inmiddels gezamenlijk uit (indicatiestelling, telefonische bereikbaarheid, facilitair bedrijf en particulier bureau). Zij zullen na een fusie in mei 1997 functioneren als tweede werkmaatschappij binnen de nieuwe holding.

    - De nieuwe holding draagt de werknaam 'Carabine' (een term uit de bergsport, die de borging aan de gemeenschappelijke lijn aanduidt).

    Genoemde motieven voor besluit tot integratie:

    - Vergroten van de invloedssfeer (o.a. uitgedrukt in marktaandeel) ten opzichte van:

    - cliënten(-organisaties)

    - zorgverzekeraars

    - overheden

    - andere zorgaanbieders: andere thuiszorginstellingen en verticale samenwerkingspartners.

    Een verdere schaalvergroting tot een werkgebied van ongeveer anderhalf miljoen inwoners (inclusief Eindhoven en De Kempen) zou hiervoor in de toekomst wenselijk zijn.

    - Efficiency en doelmatigheid.

    De samenwerkingspartners streven sterk naar verdere efficiency- en dus kostprijsverbetering, maar zullen niet meegaan in een harde prijzenslag met nieuwe aanbieders. "Die verliezen we toch, dus wij moeten het van andere krachten hebben."

    - Vergroten van de ontwikkelingskracht.

    Door de krachten te bundelen kan de onderzoeks- en ontwikkelingsfunctie van de thuiszorginstelling veel sterker worden. Dit betreft zowel product- als marktontwikkeling. Belangrijke nieuwe markten voor de thuiszorg zijn de geestelijke gezondheidszorg en de gehandicaptenzorg.

    Het strategisch beleid voor de nieuwe organisatie is nog niet aan het papier toevertrouwd. Als leidend principe geldt "dat we heel wendbaar willen zijn om optimaal in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen."

    Juridische structuur:

    Binnen de nieuwe holding zullen twee werkmaatschappijen ontstaan:

    1. De bestaande instelling Thuiszorg Midden-Brabant zal binnen de nieuwe holding als werkmaatschappij blijven bestaan onder eigen naam.

    2. Kruiswerk De Bossche Meierij en Stichting Gezinsverzorging Stadsgewest 's-Hertogenbosch zullen na een fusie functioneren als tweede werkmaatschappij binnen de nieuwe holding.

    De kraamzorg, de zorgcentrale en de Thuiszorgwinkel/uitleen zullen op de schaal van het gehele werkgebied worden ingericht, maar worden ondergebracht bij een (regionale) werkmaatschappij. Het holdingbureau zal uiterst bescheiden in omvang zijn. De centrale binding krijgt meer vorm door centralisatie van de besluitvorming over essentiële onderwerpen (door de Raad van Bestuur) dan door centralisatie van functies. Daarbij gaat het onder andere om besluitvorming op het terrein van strategisch beleid, marketing, planning & control, automatisering en arbeidsvoorwaardenbeleid.

    Van de vier huidige directieleden wordt één voorzitter van de Raad van Bestuur, één wordt directeur van de werkmaatschappij Thuiszorg Midden-Brabant en twee vormen samen de directie van de werkmaatschappij in het stadsgewest Den Bosch. Na twee tot drie jaar moet de Raad van Bestuur worden beperkt tot drie personen. "Je moet, om de gewenste efficiency te bereiken, de trap immers van bovenaf schoonvegen."

    Bepalende factoren:

    - Ondanks een intensieve samenwerking in de afgelopen jaren in het stadsgewest Den Bosch, is dit tot nu toe niet uitgemond in een thuiszorgfusie. De reden hiervoor was vooral gelegen in bestuurlijke problemen. Er was sprake van een machtsstrijd op het niveau van bestuur/raad van toezicht op basis van (vermeende?) cultuur- en belangenverschillen. De directies vinden nu dat zij hierin voorheen te weinig het initiatief naar zich hebben toegetrokken. Door een personele wijziging op bestuurlijk niveau en een sterker initiatief op directieniveau zijn de belemmeringen inmiddels niet meer aanwezig.

    - De thuiszorginstellingen geven op dit moment prioriteit aan horizontale integratie, mede omdat verticale integratie op dit moment niet mogelijk is. De initiatiefnemers geven echter aan dat hun "hart" bij verticale integratie ligt. De verticale samenwerking blijft, ondanks het feit dat intensivering van de samenwerking door de partners met de mond wordt beleden, een vrijblijvend karakter houden. De thuiszorg ziet op dit moment geen geschikte/bereidwillige partner voor verticale integratie onder de verpleeg- en verzorgingshuizen. Deze zijn nog erg intern gericht en willen op kleine geografische schaal blijven werken. De ziekenhuizen willen op termijn graag intensiever samenwerken met de thuiszorg, maar willen eerst hun onderlinge fusie vormgeven.

    Fase van ontwikkeling:

    - Het huidige initiatief is in november 1996 ontstaan in persoonlijke contacten tussen de directies van Thuiszorg Midden-Brabant en Kruiswerk de Bossche Meierij. In december sloot de directeur van Stichting Gezinsverzorging Stadsgewest 's-Hertogenbosch zich hierbij aan.

    - In januari 1997 is het initiatief, na goedkeuring door het bestuurlijke niveau, wereldkundig gemaakt.

    - Het plan voor de nieuwe organisatie moet op 1 juli 1997 klaar zijn, zodat de fusie op 1 januari 1998 kan plaatsvinden.

    4.3.3 Beschouwing: indrukken uit de zes praktijkvoorbeelden

    Aan de informatie uit de zes praktijkvoorbeelden kunnen geen algemeen geldende conclusies worden verbonden. Aangezien de selectie hiervoor te klein is, beperken we ons tot indrukken naar aanleiding van de interviews met sleutelfiguren uit casus 1 tot en met 6.

    Overwegingen en motieven

    De motieven om te kiezen voor horizontale en/of verticale integratie, zoals de geïnterviewde directies die noemen, kunnen ingedeeld worden in dezelfde clusters als in paragraaf 4.2.4. Voor de zes praktijkvoorbeelden ontbreken echter de (defensieve) motieven "identiteitsbehoud" en "dwang".

    Genoemde motieven in casus 1 tot en met 6: Horizontaal: Verticaal:
    Macht/positie 1)

    3 x

    2 x

    Versterking onderhandelingspositie ten opzichte van zorgverzekeraars

    Versterking concurrentiepositie ten opzichte van andere zorgaanbieders

    Versterking van de positie binnen de thuiszorgbranche

    Continuïteit van de eigen organisatie 2)

    x

    x

    x

    x


    x


    Inhoud/kwaliteit 1)

    1 x

    4 x

    Zorgcontinuüm, meer samenhang in zorgverlening

    Zorgverlening vraaggestuurd aanbieden

    Gezamenlijk antwoord geven op toenemende zorgvraag

    Gezamenlijke positionering op arbeidsmarkt

    Versterking van onderzoek & ontwikkeling 2)







    x

    x
    x

    x

    x

    x
    Efficiency 1)

    3 x

    3 x

    efficiencyverbetering voorwaardenscheppende/ondersteunende processen

    efficiencyverbetering tussen zorgaanbieders

    verlaging van de kostprijs / optimalisering schaalgrootte 2)

    x


    x
    x

    x


    1) Het aantal praktijkvoorbeelden waarbij dit motief is genoemd.

    2) Er is een kruisje geplaatst als een aspect één of meerdere keren is genoemd in een praktijkvoorbeeld.

    Schema 10: Genoemde motieven om te komen tot horizontale en/of verticale integratie



    In de door Douma genoemde voordelen van horizontale respectievelijk verticale integratie (zie paragraaf 3.6.6) ligt bij horizontale integratie de nadruk op kostenreductie en concentratie op de ontwikkeling van één product; bij verticale integratie ligt de nadruk op versterking van de onderhandelingspositie en beheersing van de kwaliteit.

    De praktijkvoorbeelden komen hiermee, net als in paragraaf 4.2.4 al werd geconstateerd, slechts gedeeltelijk overeen:

  • Bij horizontale integratie wordt juist het machtsmotief het meest nadrukkelijk genoemd.

  • Productontwikkeling wordt maar één keer genoemd als motief voor horizontale integratie.

  • Bij verticale integratie komt inderdaad de inhoud en kwaliteit van de zorgverlening meer tot uitdrukking in de motivatie van de directies.

    De positionering op de krapper wordende arbeidsmarkt speelt hierin voor de geïnterviewden overigens geen hoofdrol. Wel worden door twee geïnterviewden de voordelen van job-rotation genoemd vanuit het perspectief van werken in een verpleeghuis.

  • In bijna alle gevallen wordt efficiency genoemd, maar meestal niet als eerste motief en soms zelfs nadrukkelijk als "secundair" motief. Eén van de geïnterviewden zei: "Van de verwachte voordelen kwamen de bedrijfseconomische op de laatste plaats." Juist in de thuiszorgbranche, waar de marktwerking recent is geïntroduceerd en waar de branche het imago van een "te hoge kostprijs" heeft, zou men meer nadruk verwachten op kostprijsreductie en het vergroten van de marges.

    Bij de keuze voor horizontale en/of verticale integratie wordt door sommige geïnterviewden een onderscheid gemaakt naar product/marktcombinaties. De thuiszorgdirecties zoeken met name voor de aanvullende en meer specifieke producten een meer optimale en dus grotere schaal en kiezen hierin voor horizontale integratie (casus Gorinchem, STAD Groningen en Den Bosch). Het betreft voor alle drie de producten ouder- en kindzorg, kraamzorg en 7 x 24-uurs bereikbaarheid. Ook wordt door middel van horizontale integratie soms een grotere schaal gekozen voor de hulpmiddelen, ledenservice, personenalarmering, maaltijdvoorziening, gespecialiseerde verzorging en bemiddeling alphahulp.

    Noemen de geïnterviewden ook alle werkelijke motieven? Deze boeiende vraag is niet eenvoudig te beantwoorden, maar enkele aspecten zijn wel opvallend:

  • De geïnterviewden noemen geen van allen "persoonlijke belangen" als motief, ook niet als hiernaar wordt gevraagd, en wuiven dit motief soms zelfs weg. In twee casussituaties is wel ongevraagd genoemd dat de betrokken directieleden juist geen persoonlijk belang hebben.

    Uit de ervaring van de TIAS-studenten, maar ook uit literatuur over integratie- en fusieprocessen blijkt dat persoonlijke belangen van de managers/bestuurders vaak een rol spelen. Schenk (1996) wijst er bijvoorbeeld op dat statistisch vaststaat dat het inkomen en de reputatie van bestuurders significant positief correleert met de omvang van organisaties. Voor het bedrijfsleven zou dit zelfs kunnen betekenen dat bestuurders een voorkeur hebben voor groei boven winstgevendheid. Wat kan de reden zijn dat de persoonlijke belangen niet worden genoemd? Er zijn drie mogelijkheden:

    1. De persoonlijke belangen spelen geen bepalende rol.

    2. De geïnterviewden willen niet uitkomen voor hun persoonlijke belangen.

    3. De geïnterviewden zijn zich er niet van bewust dat de persoonlijke belangen een motief zijn.

  • Het behoud van de continuïteit van de eigen organisatie wordt slechts één keer genoemd als motief, wat doorgaans toch een belangrijke opdracht is voor de eindverantwoordelijke directeur. Degene die dit motief noemt benadert het overigens als volgt: "Degenen die echt bezig zijn met de continuïteit van hun eigen toko, kiezen voor samenwerking en fusie. Dat is misschien tegenstrijdig, maar dat is wel onze rode draad."

  • Het machtsmotief wordt door sommige geïnterviewden geheel niet genoemd of zelfs ontkend, vooral bij de voorbeelden van verticale integratie. Indirect komt dit motief volgens de persoonlijke indrukken van de interviewers dan toch vaak tot uitdrukking, wat met enkele voorbeelden kan worden geïllustreerd:

    1. Met nadruk wordt het grote marktaandeel in de regio genoemd, maar tegelijkertijd is macht slechts een "ondergeschikt motief".

    2. De geïnterviewde, die macht "geen leidend motief" vindt, haalt de woorden van de zorgverzekeraar aan: "Wie er niet bij zit heeft de boot gemist. De Zorgboog is het model van de toekomst. Het gaat ons hierbij niet om de macht maar om de verantwoordelijkheid".

    De geïnterviewde vult aan: "De verantwoordelijkheid valt soms zwaar en geeft verplichtingen. Je kunt daardoor, gezien je positie en verantwoordelijkheid, soms geen nee meer zeggen. De samenwerking en samenhang in de ouderenzorg is een absolute noodzaak".

    3. Een verpleeghuisdirecteur: "Het machtsmotief geldt niet zo. Groot worden, wordt ook snel afgestraft." In hetzelfde interview staat hij stil bij het dralen van een verzorgingshuis, dat ook kandidaat is voor deelname aan de holding: "Ze vertragen het proces wel erg, misschien moeten we ze toch maar laten vallen en dat andere huis opnemen, dat staat te trappelen om mee te doen."



    Gekozen juridische en organisatorische bindingsintensiteit

    In vijf van de zes praktijkvoorbeelden wordt, wat betreft de juridische bindingsintensiteit (zie paragraaf 3.6.3) gekozen voor de holding als juridische vorm. De Zorg Alliantie vormt hierop een uitzondering. Hier is gekozen voor een besturingsnetwerk in de vorm van een coöperatieve vereniging. Deze vorm is overigens bewust gekozen: "Een fusie zou teveel autonomie inleveren betekenen. Bij een coöperatieve vereniging kunnen leden zonder directe consequenties voor hun eigen instelling onderdeel uitmaken van dit grotere geheel en kunnen meerdere instellingen aansluiten. Een belangrijk voordeel van de coöperatieve vereniging is dat de stoelendans van directies en besturen uitgesteld kan worden."

    In de casus SOM lijkt een allergie te bestaan voor de discussie over de juridische structuur : "Zekerheden worden niet ontleend aan structuren, maar aan persoonlijke factoren, visie en inhoud." Opvallend is dat men tegelijkertijd de 'transmurale nieuwbouw' op het terrein van het Beatrix Ziekenhuis typeert als een "duwende factor" in het integratieproces en dat waarborgt zelfs de onomkeerbaarheid hiervan.

    Wat betreft de organisatorische bindingsintensiteit, beperkt men zich in de verticale integratieprocessen tot de vierde schil (bestuurlijke en directionele integratie) en vindt op onderdelen integratie van de derde schil plaats (integratie van voorwaardenscheppende diensten). Vrijwel geen van de praktijkvoorbeelden van verticale integratie heeft betrekking op de tweede (integratie van cliëntgebonden ondersteunende diensten) of de eerste schil (integratie van het primair proces). Een voorbeeld van integratie van de tweede schil zijn de transferpunten in ziekenhuizen. In het project 'Vernieuwing Ouderenzorg' in Gorinchem kiest men ook voor integratie van het primaire proces (eerste schil).

    De praktijkvoorbeelden van horizontale integratie geven grotendeels hetzelfde beeld. Een uitzondering hierop vormen de eerder in dit hoofdstuk genoemde aanvullende en specifieke diensten. Hierin gaat men wel over tot integratie van de tweede en eerste schil door het samenvoegen van afdelingen en diensten per product.

    Totstandkoming van de integratieprocessen

    In de "Notitie Verticalisering" (Willems e.a., 1997) wordt geadviseerd om bij de voorbereiding van een integratieproces de volgorde Personen, Inhoud en Vorm (PIV) te hanteren. Geconstateerd wordt dat vaak ten onrechte gestart wordt met de vorm en te weinig waarde wordt gehecht/aandacht wordt besteed aan de 'klik' en de verhoudingen tussen de centrale personen in het integratieproces.

    In verschillende praktijkvoorbeelden wordt door de geïnterviewden inderdaad gewezen op het belang van de persoonlijke verhoudingen. In een aantal gevallen is het de bepalende factor geweest. Enkele voorbeelden en citaten:

  • Het initiatief is ontstaan door "mensen die elkaar weten te vinden en ervoor gaan."

  • Verschillende initiatieven zijn ontstaan nadat en omdat men elkaar al kende uit informele en netwerkcontacten.

  • Bij De Zorgboog is het nader kennismaken tijdens een gezamenlijke studiereis bepalend geweest. Ook door de SOM-partners wordt het belang van de gezamenlijke studiereis benoemd.

  • Bij Carabine hebben persoonlijke verhoudingen een fusie lange tijd geblokkeerd. Maar "door een personele wijziging op bestuurlijk niveau en een sterker initiatief op directieniveau zijn de belemmeringen inmiddels niet meer aanwezig".

  • "Fuseren en samenwerken is mensenwerk, je doet dat vanuit persoonlijke betrokkenheid maar ook vanuit visie."

    Aan de verschillende integratieprocessen ligt meestal geen uitgewerkte strategische analyse ten grondslag. Eén van de geïnterviewden spreekt over "intuïtie, toeval en een beetje beleid". In veel situaties heeft men een pragmatische invalshoek gekozen. Door tijdgebrek stelt men een strategische analyse zelfs uit: "We verwachten in de toekomst wel meer systematisch aan het werk te gaan op basis van strategische analyses".

    Een uitzondering hierop is de Pantheon Zorggroep, die een weloverwogen keuze maakt voor horizontale integratie en verticale integratie zelfs vermijdt. Deze keuze wordt gemaakt ondanks kritische reacties van omstanders en de meer verticale 'mode'.

    Een belangrijk verschil is de fase waarin men tot formalisering van de samenwerking overgaat. In een aantal situaties start de samenwerking met holdingvorming (voorbeeld: Pantheon Zorggroep), in verschillende andere situaties kiest men voor concrete samenwerkingsprojecten als "voorportaal" of was langdurige samenwerking in projecten de "voedingsbodem" voor integratie. In de casus dZA in Apeldoorn, geeft men aan dat men "genoeg had van het vrijblijvende karakter van veel samenwerkingsprocessen".

    In paragraaf 4.2.5 werd geconstateerd dat er meerdere werkwijzen mogelijk zijn en dat er geen standaard aanpak is. Als we de zes praktijkvoorbeelden op een rij zetten doemt hetzelfde beeld op. De afzonderlijke situaties in casus 1 tot en met 6 zijn vooral afhankelijk van 1) bestaande persoonlijke verhoudingen, visies, keuzen en ambities; en 2) de historisch ontstane situatie in een regio.

    Partnerkeuze

    Welke partijen nemen deel aan de integratie en hoe komt de selectie hiervan tot stand? In een aantal praktijkvoorbeelden worden bepaalde partners nadrukkelijk uitgesloten:

  • Zorgverlening' staat centraal: Welzijn Ouderen en woningcorporaties zijn daarom niet uitgenodigd als participant (SOM).

  • Woningcorporaties worden niet gezien als wenselijk onderdeel van De Zorgboog, "tenzij deze dominant en duidelijk geïnteresseerd zijn in wonen met zorg".

  • Ook het ziekenhuis is bij De Zorgboog geen gewenste participant: "Er is sprake van zeer intensieve samenwerking met het ziekenhuis, maar de volstrekt andere cultuur, het intern gericht zijn van de specialisten op de eigen toko is een ongewenste kloof. Het absolute, het magisch ritueel van de dokter die je altijd beter maakt, dat is toch wat anders dan in een chronische verblijfssituatie waar grenzen aan de medische mogelijkheden liggen."

    Waar De Zorgboog het ziekenhuis uitsluit, is in de Gorinchemse casus (SOM) nadrukkelijk gekozen voor het ziekenhuis als integratiepartner. De interviewers hebben niet kunnen achterhalen of dit een bewuste strategische overweging is òf dat de bestaande situatie van de Stichting Zorgvoorzieningen Gorinchem e.o. (SZG, bestaande uit Beatrix Ziekenhuis en twee verpleeghuizen) de doorslag heeft gegeven.

    In de Zorg Alliantie heeft men pogingen gedaan om de traditionele thuiszorginstelling, Thuiszorg Oost-Veluwe, te betrekken bij dZA. Deze instelling heeft echter in oktober 1995 laten weten niet te willen participeren in dZA. Volgens dZA was er sprake van een "ruzie-achtige sfeer, doch door de komst van een nieuwe algemeen directeur bij Thuiszorg Oost-Veluwe zijn de partijen weer op zoek naar constructieve overlegmodellen".

    Ook de nieuwe directeur van Thuiszorg Oost-Veluwe betreurt deze keuze en kan achteraf slechts één beweegreden distilleren uit het archief van haar voorgangers: "Angst voor het verlies van autonomie". De achterliggende oorzaak was "de sterk naar binnen gerichte blik en langdurige onenigheid in de top".

    Na deze weigering heeft dZA besloten om vanaf april 1996 een driejarige samenwerkingsovereenkomst te sluiten met een commerciële thuiszorgorganisatie, de NTN Groep.

    NTN wil geen lid worden van dZA: "NTN gelooft niet in vergaande juridische integraties. Onze insteek is: 'back to the core business' en we willen daarin een eigen kleur houden en onafhankelijk blijven. We participeren niet in juridische structuren die ons gaan dicteren hoe het moet. We zijn toeleverancier."

    NTN gelooft dat ze door haar kleinschaligheid aantrekkelijker blijft: "een goed product, een interessante prijsstelling en zo kunnen we een platte organisatie blijven". NTN waarschuwt voor "massa-traagheid" door de bureaucratie die een juridische structuur met zich meebrengt.

    NTN ervaart wel (indirect) weerstanden van andere niet-commerciële zorgaanbieders naar aanleiding van het feit dat zij in deze samenwerking zijn gestapt. Om deze negatieve reacties op te vangen heeft zowel NTN als dZA Thuiszorg Oost-Veluwe benaderd.

    In De Zorgboog is alleen het kruiswerk en niet de gezinszorg onderdeel van de holding. Ten onrechte volgens de huidige Raad van Bestuur van De Zorgboog: "De gezinsverzorging is destijds geschoffeerd; daar ligt leed. Niet bij de werkers, maar wel bij het bestuur".

    Een achterliggende oorzaak is volgens de verschillende geïnterviewden de persoonlijke rancune die is ontstaan door het afblazen van de voorgenomen fusie tussen kruiswerk en gezinszorg in het begin van de jaren '90. "Er was een harde vertrouwensbreuk ontstaan."

    De gezinszorginstelling SGGH werd daarom pas op een te laat moment betrokken bij het initiatief van De Zorgboog.

    Volgens De Zorgboog kan de relatie met de gezinszorginstelling op termijn leiden tot "meer samenspel en wellicht tot aansluiting bij De Zorgboog". Dit wordt bevestigd door de directie van de SGGH: "Eerste prioriteit en optie is samenwerking met De Zorgboog. Er ligt een gelijk gestemd belang."



    Resultaten van de integratie

    In drie van de zes praktijkvoorbeelden is sprake van voornemens tot integratie en kunnen dus nog geen resultaten worden benoemd.

    In de casus De Zorgboog wordt geconstateerd, dat er inmiddels een sterkere positie in de regionale markt is verworven en dat de extra kosten van de holding inmiddels worden gecompenseerd door kostenbesparingen ten gevolge van vermindering van managementfuncties, afstoten van gebouwen en samenvoegen van ondersteunende diensten.

    In de casus Pantheon Zorggroep daarentegen wordt door de directie van de werkmaatschappij Thuiszorg Drenthe geconstateerd dat de Pantheon Zorggroep geen toegevoegde waarde heeft en slechts meer overheadkosten genereert. Men overweegt op dit moment om de oorspronkelijke concernfilosofie - de werkmaatschappijen zo zelfstandig mogelijk laten functioneren - aan te passen.

    In de casus de Zorg Alliantie worden als resultaten genoemd: 1) De leden van dZA kunnen nu thuiszorg leveren in de aanleunwoningen; 2) Er is een gemeenschappelijke arbeidspool ontstaan en 3) Men kan elkaar sowieso "sneller vinden".

    Het (vooralsnog) niet behalen van de beoogde doelstellingen door de Pantheon Zorggroep roept de vraag op wat de optimale schaalgrootte is bij een integratieproces. Deze vraag kan op basis van de gegevens van de zes praktijkvoorbeelden niet beantwoord worden.

    Het onderstaande overzicht laat wel zien dat de gezamenlijke omzet in vier van de zes casussituaties varieert van  90 tot 180 miljoen. Als in Gorinchem het ziekenhuis niet zou participeren zou deze casus ook binnen deze grenzen vallen. De drie in paragraaf 4.2.6 genoemde trends zijn overigens slechts beperkt herkenbaar in de zes praktijkvoorbeelden.



    Thuiszorg Verpleeghuis Verzorgingshuis Ziekenhuis
    Helmond

    200.000 inw

    92 mln

    Kruisw Peelland

    17 mln

    5 Verpleeghuizen

     54 mln

    7 Verzorgingshuizen + woningen  21 mln
    -
    Gorinchem

    180.000 inw

    210 mln

    Waardse Rading

    40 mln

    2 verpleeghuizen (SZG) 35 mln Vereniging van 17 verzorgingshuizen

    50 mln

    Beatrix Ziekenhuis (SZG) 85 mln
    Apeldoorn

    100.000 inw

    140 mln

    Samenwerkingscontract met NTN 2 verpleeghuizen

    45 mln

    1 Verzorgingshuis

    en Woningcorporatie met 3 verzorgingshuizen 95 mln

    -
    Groningen

    560.000 inw

    180 mln

    Thuiszorg STAD

     40 mln

    Kruisvereniging Oost-Groningen  15 mln

    Thuiszorg Ommelanden  45 mln

    3 verpleeghuizen

     55 mln

    5 verzorgingshuizen  25 mln
    -
    Zwolle

    1,2 mln inw

    260 mln

    Pantheon Zorggroep

    260 mln

    -
    -
    -
    Den Bosch

    650.000 inw

    140 mln

    Carabine

    140 mln

    -
    -
    -


    Tabel 5: Gezamenlijke omzet in de casussituaties

    Carabine heeft voor de verschillende product/marktcombinaties van een thuiszorginstelling een optimale ideaaltypische schaalgrootte vastgesteld, uitgedrukt in het aantal inwoners van het werkgebied en uitgaande van een monopoliepositie in het eerste compartiment (een nadere onderbouwing van deze cijfers is niet bekend bij de studenten):

  • Kraamzorg: 1 à 1,5 miljoen inwoners

  • Uitleen verpleegartikelen en hulpmiddelen: 2,5 à 3 miljoen inwoners

  • Verpleging en ADL: 75.000 inwoners

  • HDL en bemiddeling alphahulp: aansluitend op de schaal van Verpleging/ADL of groter

  • Ouder- en kindzorg: schaal van de desbetreffende regio in verband met aansluiting bij de GGD

  • Zorgcentrale:

    A. voor avond-/nacht/weekendbereikbaarheid en aanmeldingen kraamzorg: 3 à 4 miljoen inwoners;

    B. voor planning en inzet kraamzorg: 1 à 1,5 miljoen inwoners (thuiszorg Midden-Brabant en Thuiszorg regio 's-Hertogenbosch, 1997).

    4.3.4 Strategisch stakeholdersmanagement bij de integratieprocessen

    In paragraaf 4.2.7 is geconstateerd dat actief stakeholdersmanagement in de thuiszorgbranche van grote waarde blijkt te zijn. Het "openhouden van deuren" wordt vrij bepalend gevonden door het succes van samenwerking.

    In hoeverre werken de initiatiefnemers in de zes praktijkvoorbeelden actief en systematisch aan het onderhouden van hun relaties, die belang hebben bij het functioneren van de organisatie en het integratieproces?

    Belangrijkste stakeholders zijn: cliënten(-groeperingen), medewerkers, zorgverzekeraars, overheden, andere maar niet concurrerende zorgaanbieders (alle mixed- blessing stakeholders, zie paragraaf 3.5.3) en concurrerende zorgaanbieders (niet-ondersteunende stakeholders).

    In de zes praktijkvoorbeelden is bij de initiatiefnemers van het integratieproces navraag gedaan naar het strategisch stakeholdersmanagement en zijn verschillende stakeholders geïnterviewd. De belangrijkste indrukken hieruit zijn hieronder per 'soort' stakeholder weergegeven.

    Cliënten(-groeperingen)

    De wensen van de gebruikers komen weinig expliciet tot uitdrukking in de motivaties van de geïnterviewden. De tucht van de financiering door zorgverzekeraars lijkt bepalender te zijn dan de wensen van de uiteindelijke gebruikers. Ook de toenemende schaarste in het eerste compartiment is vaak meer de bindende factor om gezamenlijk een "zorgcontinuüm" te vormen dan de concrete wensen van de zorggebruikers.

    Er zijn geen cliëntengroeperingen geïnterviewd, omdat per casus de initiatiefnemers inschatten dat de invloed van deze groeperingen gering is. In geen van de casussituaties hebben cliëntengroeperingen negatieve geluiden laten horen. Mogelijk staan deze discussies over horizontale en verticale integratie voor hen te ver af van de dagelijkse praktijk van de zorgverlening.

    Medewerkers

    Veel geïnterviewden geven aan dat de geluiden binnen de eigen organisaties wisselend zijn.

    Door de Pantheon Zorggroep wordt expliciet gemeld dat er geen draagvlak is voor de horizontale integratie, maar overigens wel voor de reductie van overheadkosten waarvan de opbrengsten moeten leiden tot meer uren zorgverlening.

    Daar waar de geluiden negatief zijn lijkt dit ingegeven te worden door:

  • Algemene weerstand tegen veranderingen

  • Weinig mogelijkheden tot identificatie met een (nog) groter wordende organisatie

  • Fusiemoeheid

    Wat betreft dit laatste bezwaar is het voordeel van een holding, in tegenstelling tot een fusie, dat de medewerkers geen nieuwe werkgever krijgen. In twee van de casussituaties is om deze reden ook geen sociaal plan opgesteld.

    Omdat er vrijwel geen integratie van de derde en vierde schil plaatsvindt, is er ook minder belasting van de medewerkers.

    Als positief effect van verticale integratie wordt door twee verpleeghuiswerkgevers de mogelijkheid van job-rotation genoemd. Een van hen zegt hierover: "Het is ook veel leuker om meer dan chronische zorg te bieden, dat maakt het ook voor het werken in de zorg aantrekkelijker. Ik zou het doodzonde vinden als we de thuiszorgdiensten zouden moeten missen. Dat zijn de poortwachters voor de zorg, die vormen de entree, daar geef je je visitekaartje, daar ligt een gouden markt."

    Zorgverzekeraars

    Alle geïnterviewden zijn in het bijzonder gericht op de regionaal dominante zorgverzekeraar. Deze vervult immers tevens de functie van verbindingskantoor voor de AWBZ, hoewel de overheid plannen heeft om dit in 1998 ingrijpend te wijzigen en deze functie onder te brengen bij onafhankelijke instituten.

    Kenmerkend voor de situatie van de meeste zorgverzekeraars is:

  • een toenemende convergentie tussen ziekenfonds- en particuliere verzekering;

  • een toenemend ondernemingsrisico door de verzekeraarsbudgettering;

  • positionering in alle drie de compartimenten;

  • ontwikkeling van "all-finance-, all-care- en all-service-"concepten;

  • steeds minder onderscheid tussen zuiver landelijk werkende en zuiver regionaal georiënteerde zorgverzekeraars;

  • de concentratie van zorgverzekeraars is nog niet ten einde.

    Van de regionale zorgverzekeraars als stakeholder zijn er twee geïnterviewd: TRIAS en RZG. Beide profileren zich sterk als regionale zorgverzekeraar.

    TRIAS is geen voorstander van marktwerking en concurrentie in de gezondheidszorg, omdat dit een kostenverhogend effect heeft. TRIAS heeft dan ook geen principieel bezwaar tegen een verticale integratie, ook niet als dit in Gorinchem een monopoliepositie van de SOM-partners tot gevolg heeft. Vanuit het perspectief van de inhoud van zorgverlening (cliënt centraal in het zorgcontinuüm) vindt TRIAS de nieuwe holding van de SOM-partners een goede zaak. TRIAS vindt wel dat de integratie zich zou moeten beperken tot de 'care' en heeft grote bezwaren tegen de betrokkenheid van het Beatrix Ziekenhuis. Dit ziekenhuis concurreert namelijk met het Merwede Ziekenhuis in Dordrecht, waarvan het adherentiegebied zich uitstrekt tot ver in het werkgebied van de thuiszorginstelling en verzorgingshuizen van de SOM-partners (West-Alblasserwaard). De holding van de thuiszorginstelling met een van de twee ziekenhuizen dwingt TRIAS mogelijk om een andere thuiszorgaanbieder toe te laten in de West-Alblasserwaard.

    Het beeld van RZG uit het interview met Thuiszorg STAD was dat RZG een compleet andere visie heeft dan TRIAS. Thuiszorg STAD geeft aan dat RZG onder het mom van 'een nieuw evangelie' met name vindt dat hun verzekerden keuzemogelijkheden moeten hebben door middel van nieuwe aanbieders op de markt. Tijdens het interview met RZG bleek echter dat de nadruk inderdaad ligt op de keuzevrijheid voor de verzekerden, maar dat Thuiszorg STAD de 'preferred provider' is. De voorgenomen horizontale en verticale verbindingen van Thuiszorg STAD worden gezien als een goede stap in de richting voor het aanbieden van zorgarrangementen waardoor keuzevrijheid voor cliënten kan worden bewerkstelligd. RZG is tevreden over de samenwerking met Thuiszorg STAD. Gegeven het feit dat er nog geen zorgarrangementen bestaan heeft RZG voor 1997 contracten voor zowel eerste als tweede compartimentszorg afgesloten met NTN en SamenZorg.

    De regionale zorgverzekeraar in het gebied van de Pantheon Zorggroep is Het Groene Land (HGL, onderdeel van de Achmeagroep). HGL is niet geïnterviewd, maar een van de woordvoerders van de Pantheon Zorggroep zegt het volgende over de relatie met HGL: "Het Groene Land stelt zich op àchter de Pantheon Zorggroep. Dit houdt in dat zij alleen contracten afsluit met de Pantheon Zorggroep en de twee overige traditionele thuiszorginstellingen in hun werkgebied. HGL ziet dit als een win-win-relatie en ontwikkelt samen met Pantheon servicepakketten, die zij in het aanvullende verzekeringspakket kunnen opnemen. Tevens geeft de Pantheon Zorggroep een zorggarantie af voor verzekerden van HGL, die daarvoor met de Pantheon Zorggroep financieringsafspraken heeft gemaakt."

    Overheden

    Bij het beleid van de landelijke overheid is eerder stilgestaan in hoofdstuk 3. Centraal hierin staan de toenemende marktwerking (in het bijzonder in de thuiszorg) en de indeling van de gezondheidszorgmarkt en -financiering in drie compartimenten.

    Over het vraagstuk van horizontale en verticale integratie zijn tot nu toe geen specifieke uitspraken gedaan. De afstemming en samenhang tussen de thuiszorg, verzorgingshuizen en verpleeghuizen wordt wel benadrukt, onder andere naar aanleiding van het rapport van de Commissie-Welschen (Ministerie WVC, 1994). Om deze reden is de financiering van de verzorgingshuizen gewijzigd en met ingang van 1997 ondergebracht in de AWBZ.

    De geïnterviewden in de zes praktijkvoorbeelden noemen geen van allen expliciet de invloed van de landelijke overheid op hun overwegingen tot horizontale respectievelijk verticale integratie.

    De rol van de provinciale overheid komt het sterkst tot uitdrukking bij SOM. De provincie Zuid-Holland is erg enthousiast over de initiatieven in Gorinchem e.o. aangezien deze passen in het provinciale beleid 'Modernisering van de Ouderenzorg'. De provincie beloont de initiatieven in Gorinchem e.o. met verschillende extra subsidies.

    Over de gemeentelijke overheden noemen enkele geïnterviewden dat deze geen voorstander zijn van de integratie. Dit komt overigens voor bij initiatieven van zowel horizontale als verticale integratie. Het belangrijkste bezwaar dat wordt genoemd is het "grote machtsblok" dat ontstaat, in het bijzonder ten opzichte van kleine gemeenten op het platteland.

    Belangrijkste andere zorgaanbieders

    In paragraaf 4.3.3 is er onder het kopje 'partnerkeuze' al aandacht besteed aan enkele voorbeelden van niet-participerende thuiszorginstellingen.

    Relevante andere zorgaanbieders zijn voorts:

  • Ziekenhuizen:

    In de meeste situaties lijken de ziekenhuizen op dit moment geen behoefte te hebben aan voorwaartse integratie en zijn het 'gewone' samenwerkingspartners voor thuiszorg, verpleeg- en verzorgingshuizen in het kader van de vele ontwikkelingen op het terrein van "transmurale zorg". De casus SOM is hierop uiteraard een uitzondering, maar ook in de regio van de Pantheon Zorggroep zijn andere geluiden te horen.

    In Emmen bestaat sinds 1995 een samenwerkingsverband voor transmurale zorg rondom het Scheeper Ziekenhuis. Dit ziekenhuis kiest voor diagnose en behandeling als core business en vindt dat de zorgverlening bij andere aanbieders hoort. Het Scheeper Ziekenhuis heeft zich ook bereid verklaard om de substitutie van zorg te financieren en is voorstander van een regionale budgetstructuur met een centrale logistieke aansturing in het veld: "Door een aparte rechtspersoon gezamenlijk op te richten kunnen de inkomens van de zorgaanbieders worden verdeeld en de zorg worden verbeterd door met name de logistieke aansturing van de processen te stroomlijnen."

    Een voorwaarde om deze andere vorm van besturing te realiseren in Drenthe is dat de thuiszorg zich "op moet knippen in drie regio's" (corresponderend met de adherentiegebieden van de drie Drentse ziekenhuizen).

    Het uitgangspunt van de Pantheon Zorggroep, dat men geen zeggenschap afstaat over de core business, wordt dan ook betwist door de door ons geïnterviewde directie van het Scheeper Ziekenhuis in Emmen: "Een partij moet nooit zeggen wat men in eigen beheer wil houden, zo kun je onvoldoende in samenwerking ontwikkelen."

    Zorgverzekeraar Het Groene Land is volgens het Scheeper Ziekenhuis een voorstander van de geschetste regionale beheersstructuur, die moet leiden tot "meer efficiency en kwalitatieve verbetering".

  • Huisartsen:

    De positionering van de huisartsen is het meest opvallend in de casus SOM, waar dan ook een vertegenwoordiger van de Regionale Huisartsen Vereniging (RHV) is geïnterviewd. Nadat de drie SOM-partners in het najaar van 1996 het voornemen van de holdingvorming in Gorinchem e.o. bekendmaakten, kwam de grootste oppositie van de medisch specialisten en de huisartsen. De mededeling over het voornemen tot fusie is door hen als een overval ervaren, in het bijzonder omdat men gezamenlijk de 'Deilgroep' vormt, een regionaal samenwerkingsverband van ziekenhuis, verpleeghuizen, verzorgingshuizen, thuiszorg, medisch specialisten en huisartsen. De medici zien nu een binnen- en buitencirkel binnen de 'Deilgroep' ontstaan.

    De huisartsen kunnen zich overigens vinden in de grote lijnen van SOM (zorgcontinuüm, meer samenhang in de zorgverlening, etc.), maar hebben als grootste bezwaar dat er "één grote monopolist" gaat ontstaan. Deze schaal past niet bij de kleinschalige concepten van de huisartsen, die aansluiten bij hun praktijkgrootte.

    Bovendien vrezen de huisartsen voor een prioriteitenstelling tussen ziekenhuis en thuiszorg, die in het nadeel van de cliënten in de thuissituatie uitvalt.

    Tot slot

    De verschillende stakeholders kunnen een belangrijke positieve bijdrage leveren aan het integratieproces, maar kunnen ook tegenmaatregelen nemen. Voorbeelden hiervan zijn:

  • Medewerkers: hindermacht uitoefenen;

  • Zorgverzekeraars: andere zorgaanbieders contracteren;

  • Andere zorgaanbieders:

    A) Instellingen: concurrentie aangaan;

    B) Professionals: hindermacht uitoefenen;

  • Overheden: andere zorgaanbieders contracteren of subsidiëren.

    Een voorbeeld van de hindermacht van de professionals wordt ondervonden door de SOM-partners in Gorinchem. Zij zijn in het najaar van 1996 volledig verrast door de reactie van deze stakeholders en hebben hun opstelling ten opzichte van de professionals inmiddels gewijzigd door vertegenwoordigers van deze stakeholders aan de gesprekstafel uit te nodigen.

    Ook in twee van de zes praktijkvoorbeelden lijken de initiatiefnemers van integratieprocessen zich sterk bewust te zijn van het belang van stakeholdersmanagement en besteden hieraan veel aandacht.

    Zo heeft Thuiszorg STAD Groningen in de afgelopen jaren bewust veel energie besteed aan het ontwikkelen en onderhouden van het netwerk: "We hebben onze toegangspoorten goed opengehouden. De invalshoek hierbij is: het zo goed mogelijk verdelen van de schaarste is voor iedere partner een legitiem uitgangspunt van gesprek en werkt samenwerkingsbevorderend".

    Ook in Den Bosch hechten de initiatiefnemers veel belang aan stakeholdersmanagement: "De buitenwereld bepaalt de binnenwereld. Daarom besteden we veel aandacht aan het integreren van krachten."

    De Pantheon Zorggroep, in casu Thuiszorg Drenthe, is zich ervan bewust dat zij tot voor kort een slecht imago had bij stakeholders, maar inmiddels investeert men veel meer in de relatie met stakeholders.



    4.4 Ronde Tafel Gesprek

    4.4.1 Inleiding

    Met als basis het hiervoor beschreven theoretisch kader, de resultaten van de inventarisatie (zie 4.2) en de praktijksituaties (zie 4.3) hebben de vijf TIAS-studenten op 26 maart 1997 een Ronde Tafel Gesprek gehouden. Onder de noemer "Verticaal of horizontaal, wat maakt het uit?" gingen 15 gasten met verschillende achtergronden (zie deelnemerslijst, bijlage 13) met elkaar in discussie naar aanleiding van de door de studenten gehouden inleidingen.



    4.4.2 Theorie en praktijk

    Het programma (zie bijlage 13) startte met een presentatie over aanleiding en theorie door Ton Swagerman. Hij schetste kort de actualiteit in de gezondheidszorg en met name de thuiszorg, de theoretische invalshoeken, de mogelijke keuzen rond schaalvergroting en de vraagstelling. Vervolgens lichtte Lidy Hartemink de inventarisatie van de praktijk in samenwerking toe (zie paragraaf 4.2). Zij gaf een overzicht van de reikwijdte, de gekozen vormen en de percentuele verdeling daarin en een overzicht van de genoemde strategische overwegingen.

    In de eerste discussieronde kwamen met name de behoeften en de belangen van de cliënt aan de orde. Door het ontstaan van monopolies in bepaalde regio's verliest de cliënt de keuzemogelijkheid om tussen verschillende aanbieders te kiezen. Het is echter de vraag of de cliënt die keuze zo wil maken. De cliënt kiest voor kwaliteit, voor verschillende zorgvormen (differentiatie), voor bepaalde hulpverleners (persoonsgebonden budget) en voor bepaalde service.

    De aanbieders (verticaal of horizontaal in de samenwerking) zouden zich hier ook meer op moeten profileren. De cliënt heeft baat bij de verticale samenwerking van zorgaanbieders, omdat op deze wijze een zorgcontinuüm mogelijk wordt. Daarnaast heeft de cliënt ook baat bij continuïteit van organisaties eerder dan bij een hevige concurrentie in de regio. Het bieden van een zorgcontinuüm en keuzemogelijkheden voor de cliënt lijken goed mogelijk door binnen een concern (één besturing) bij de verschillende werkmaatschappijen een gezonde competitie te stimuleren.

    Vanuit de cliëntenorganisaties werd vooral het belang benadrukt van het ene zorgloket voor alle vragen met betrekking tot zorgverlening, woningaanpassingen e.d. Voor vragen, bijvoorbeeld op het gebied van de WVG, het PGB en de thuiszorg zou één regionaal zorgloket moeten functioneren, waarbij indicatie zo breed mogelijk moet worden gesteld. Aansluitend hierop ontstond een geanimeerde discussie over de integrale indicatiestelling en de gemeentelijke verantwoordelijkheid daarin. Door de cliëntenorganisaties werd benadrukt dat het vanuit de cliënt gezien van belang is duidelijkheid te hebben over de omvang van de schaarste door de feitelijke zorgbehoefte van mensen in kaart te brengen. Vervolgens moet de schaarsteproblematiek door de politiek worden aangepakt door hetzij meer geld ter beschikking te stellen, hetzij door de indicatienormen bij te stellen. Door de afgevaardigden van de LVT werd dit bestreden. Zij benadrukten het risico van verregaande bureaucratie als gevolg van de integrale indicatiestelling en werden daarin bijgevallen door de zorgverzekeraars.

    4.4.3 Twee praktijkvoorbeelden

    Na de eerste ronde kwamen twee praktijkvoorbeelden aan de orde. Door Guus van Weelden werd de casus Gorinchem toegelicht (paragraaf 4.3). De drie participanten, de thuiszorg, de verzorgingshuizen, het ziekenhuis met verpleeghuizen, werden doorgelicht op doelstelling, de bepalende factoren, de ontwikkelingsfase en de reacties van de stakeholders. Hierbij was met name de reactie van de zorgverzekeraar interessant. Deze stelde zich op als mixed-blessing stakeholder. Samenwerking van de thuiszorg met verzorgingshuizen en verpleeghuizen vond de zorgverzekeraar prima, maar wel zonder ziekenhuis. Ten aanzien van het ziekenhuis werd door de zorgverzekeraar een ander standpunt ingenomen (zie casus 2).

    Wil Steenbergen presenteerde vervolgens de casus van horizontale samenwerking, de Pantheon Zorggroep (zie hoofdstuk 4.3). Zowel de grote omvang, de beperkte meerwaarde tot nu toe en de discussie over de toekomst waren hierbij interessant voor de tweede discussieronde.

    In deze discussieronde spitste de discussie zich toe op zowel de compartimentering en de gevolgen hiervan op keuzen voor verticale of horizontale samenwerking. Daarnaast waren de criteria die met name langdurige gebruikers van thuiszorg belangrijk vinden een discussiepunt.

    De financiering vanuit de drie compartimenten beïnvloedt de strategische keuzen. De compartimentering bepaalt nu mede de keuze voor verticale of horizontale samenwerking. Men kiest soms voor verticale samenwerking binnen het eerste compartiment (nadruk op regionale markt) en soms voor horizontale samenwerking in het tweede compartiment (nadruk op landelijke markt) en ook wel voor beide.

    De discussiepartners vonden het niet uitmaken of men eerst voor verticaal kiest en later voor horizontaal, of andersom. Als het uiteindelijk doel maar is het verbeteren van de positie van de cliënt.

    Vanuit de cliëntenorganisatie werd met name het belang van duidelijke leveringsvoorwaarden benoemd, naast de noodzaak om vanuit één loket de cliënt te bedienen. De keuze voor horizontale of verticale samenwerking is hieraan ondergeschikt. Deze leveringsvoorwaarden vanuit de thuiszorg dienen er als volgt uit te zien:

    - beschikbaarheid en bereikbaarheid;

    - de behoeften van de cliënt centraal stellen;

    - continuïteit van de hulpverlening (in proces en in persoon);

    - zelfstandigheid behouden;

    - kennis en vaardigheden bij hulpverleners;

    - de houding van de hulpverleners (respectvol, servicegericht, betrouwbaar);

    - realiseren cliëntenrechten (afschrift zorgplan voor cliënt);

    - gerichte en goede informatie naar cliënten.

    Het zijn alle zeer bekende en reële leveringsvoorwaarden, maar vooral de langdurige gebruikers van thuiszorg ervaren te vaak dat hieraan niet wordt voldaan (zie bijlage 12).

    4.4.4 Motieven, stakeholders en de mening van de cliënt

    Het middagprogramma bestond uit een drietal inleidingen en een afsluitende discussieronde.

    Door Ton Swagerman en Lidy Hartemink werd op ludieke wijze de behartigenswaardige uitspraken van de geïnterviewden over de diverse motieven tot samenwerking gepresenteerd. Hieronder worden enkele van deze uitspraken weergegeven:

    - "Vraag me niet waarom ik niet wil integreren met mijn buurinstelling, dat ligt heel gevoelig. Om eerlijk te zijn, die vent ligt me niet. Ik weet ook wel, als je er zakelijk naar kijkt is er alles voor te zeggen, maar ik voel er niets voor, als ik met hem integreer heb ik niets meer te zeggen."

    - "Dat was een vervelende tegenvaller. We hadden prima contacten, waren echt maatjes, we gingen ervoor. Ik had nooit verwacht dat het zo erg was, ja, er waren wel wat vraagtekens, maar dat er zoveel lijken in de kast zaten hadden we beslist niet voorzien. We zijn er aardig druk mee en het leidt ons behoorlijk af van onze core-business."

    - "Mijn droom is een vloeiend verloop in het zorgcontinuüm, voordelen voor de cliënten, er mag geen cliënt tussen de raderen van de systemen vastlopen, ik vind dat maatschappelijk not-done. Ik heb een heilig geloof in de verticale verbindingen. Al tientallen jaren erger ik me aan die afgebakende domeinen, die mannetjesmakerij."

    - "Het mooie van dit project is dat elementen als prijs, krenten en pap niet spelen. Zij wilden iets op de thuiszorgmarkt doen. Wij waren een aantrekkelijke partner ondanks het feit dat wij commercieel zijn."

    - "Ik ga beslist niet verticaal, stel je voor. In mijn werkgebied van 400.000 inwoners zijn maar liefst 30 verzorigngshuizen en 7 verpleeghuizen. Als ik daarmee te intensief in zee ga wordt mijn hele organisatie verknipt en doe ik alle integratievoorstellen van de afgelopen jaren te niet."

    - "Het duurt mijn tijd wel uit, ik ga binnenkort toch met de VUT, maar jij, jij bent nog jong, je moet nog even..... Ik wens je sterkte met je keuzen jong!"

    Vervolgens werden door Lita Berkhout de stakeholders belicht. Hierbij werd duidelijk gemaakt wat de relevante stakeholders willen met de thuiszorg. Met name interessant in deze inleiding waren de conflicterende belangen die onderkend waren in de uitgebreide inventarisatie en de praktijksituaties. De tegenmaatregelen door diverse stakeholders met betrekking tot ontwikkelingen in de thuiszorg maken de dynamiek in het veld duidelijk. Zo ontstond een duidelijk beeld van de vele kansen voor de thuiszorg met als doel meer en betere zorg voor de cliënt.

    De senior beleidsmedewerker van de Gehandicaptenraad, mevrouw Van Schelven, lichtte ten slotte het perspectief van de cliënt toe. Allereerst benadrukte zij dat de Gehandicaptenraad bij voorkeur spreekt over thuishulp in plaats van thuiszorg. De cliënt moet in deze visie uiteindelijk kunnen bepalen welke taken er door de professionele instelling worden verricht. Een instelling en haar medewerkers verlenen in deze visie dan ook "hulp" en geen "zorg". Dat laatste woord roept te veel associaties op met betutteling en ondermijning van de zelfstandigheid (in keuzen maken) van de cliënt.

    Verder kwam uit deze inleiding naar voren dat er nog zeer veel verbeterpunten zijn voor de thuiszorginstellingen. De grootste problemen die cliënten hebben met de thuiszorginstellingen zijn:

    - steeds minder hulp;

    - geen objectieve indicatiestelling;

    - slechte continuïteit bij vakantie/ziekte;

    - veel wisselende hulpverleners.

    De cliëntenorganisaties hebben dan ook criteria ontwikkeld voor langdurende thuishulp vanuit gebruikersperspectief (zie bijlage 12).



    4.4.5 Discussie en afronding

    Vanuit de afrondende discussie volgen onderstaand ten slotte een aantal uitspraken die van belang worden geacht in het kader van deze scriptie.

    Ten aanzien van horizontale samenwerking:

    - Een bepaalde schaalgrootte is noodzakelijk om zorg goed te organiseren. (het CDA).

    - Door horizontale samenwerking blijf je bij je core-business en mede hierdoor kan de gewenste prijs/kwaliteitverhouding gerealiseerd worden. (SOM, Gorinchem).

    - De doelgroepen in de thuiszorg zijn in toenemende mate ook de verstandelijk gehandicapten en de cliënten in de geestelijke gezondheidszorg. Bij verticale samenwerking wordt dit onvoldoende opgepakt (LVT).

    Ten aanzien van verticale samenwerking

    - Verticale samenwerking is een must voor kwalitatief goede zorg voor de cliënt (Gorinchem).

    - Verticale samenwerking is voor de zorgverzekeraar belangrijk om naast doelmatigheid ook kwaliteit te realiseren (Zorgverzekeraar).

    - Het leidt tot het kunnen samenstellen van een productencatalogus, wat voor de zorgverzekeraar aantrekkelijk is (Zorgverzekeraar).

    Ten aanzien van zowel horizontaal als verticaal

    - Marktwerking en substitutie van zorg zijn aanleiding tot schaalvergroting en dus ook voor samenwerking. De vraag is of door de substitutie (van intra- naar extramuraal) de zorg ook goedkoper wordt.

    - Naar de toekomst toe is er nog onvoldoende zicht op de omvang van "nieuwe" doelgroepen in de thuiszorg, zoals verstandelijk gehandicapten en cliënten in de geestelijke gezondheidszorg (LVT). Het is niet voldoende om je te beperken tot de doelgroep ouderen door integratie met verzorgingshuizen en verpleeghuizen. Nieuwe doelgroepen dreigen dan buiten schot te blijven. De keuze voor horizontale samenwerking (versterking core-business thuiszorg) en/of verticale samenwerking (zorgcontinuüm) wordt hierdoor nog complexer.

    - De spanning tussen beide richtingen bevindt zich met name tussen de continuïteit van de thuiszorgorganisatie en de wensen van de zorgverzekeraars en de gebruikers van zorg. Thuiszorg zal op horizontaal niveau voldoende massa dienen te creëren om te voorzien in een voor de cliënt en zorgverzekeraar aantrekkelijke productencatalogus. Om deze productencatalogus te kunnen bieden is verticale samenwerking noodzakelijk. Het zorgcontinuüm hangt samen met de doelgroep waar de gebruiker deel van uitmaakt (oudere of verstandelijk gehandicapte bijvoorbeeld) èn met de verschillende compartimenten waaruit de zorg in dat zorgcontinuüm wordt gefinancierd (Zorgverzekeraar).

    - De resultaten van de verticale en horizontale samenwerking zijn tot nu toe vaak in de voorwaardenscheppende sfeer bereikt. De integratie heeft nog tot weinig verbeteringen in het primair proces geleid. Veel organisatorische samenwerkingsverbanden hebben een beperkte organisatorische bindingsintensiteit en vaak blijft het primair proces buiten schot (Compliance Consult).

    - Marktwerking leidt tot risicomijdend gedrag en dus tot schaalvergrotingen. Er is geen toezicht vanuit de overheid op de naleving van de kartelwetgeving. Hierdoor ontstaan zowel bij zorgverzekeraars als bij aanbieders nieuwe monopolies (PvdA).



    4.4.6 Tot slot

    Ook in dit Ronde Tafel Gesprek wordt de discussie in belangrijke mate bepaald door de verscheidenheid in opvattingen over de gezondheidszorg. De gezondheidszorg zou hetzij grotendeels gefinancierd moeten worden uit de collectieve middelen (groot basispakket), hetzij grotendeels gefinancierd moeten worden uit de markt (klein basispakket). Parallel hieraan loopt de discussie over ondernemerschap versus maatschappelijk ondernemerschap. De binnenkort te verwachten beleidsnota van de minister over de thuiszorg dient ten aanzien hiervan keuzen aan te geven en dus duidelijkheid te bieden.





    5. Discussie en aanbevelingen



    5.1 Inleiding

    De studie naar horizontale en/of verticale integratieprocessen was voor de vijf TIAS-studenten een boeiende ontdekkingstocht. De drieledige vraagstelling vormde een goed kader om het nog weinig bekende 'integratieland' vanuit het perspectief van de thuiszorg in kaart te brengen:

    1. Wat kan schaalvergroting door middel van horizontale en/of verticale integratie bijdragen aan de continuïteit en marktpositie van de bestaande thuiszorginstellingen en aan de klantensatisfactie?

    2. Kan er onderscheid worden aangebracht voor de verschillende product/ marktcombinaties, zoals die op dit moment binnen de thuiszorg kunnen worden onderscheiden?

    3. Met welke factoren/omstandigheden moet rekening worden gehouden en wat zijn de voor- en nadelen als men kiest voor horizontale en/of verticale integratie?

    In paragraaf 5.2 worden de meest opvallende zaken van het veelkleurige landschap van onze ontdekkingstocht getoond. De in deze paragraaf gegeven indrukken en uitspraken zijn ontleend aan de uitkomsten van de voorgaande hoofdstukken. Tevens is de afrondende discussie van de vijf TIAS-studenten hierin verwerkt. In paragraaf 5.3 worden aanbevelingen gegeven voor ieders eigen tocht in integratieland.



    5.2 Discussie

    5.2.1 Continuïteit, marktpositie en klantensatisfactie

    Wat kan schaalvergroting door middel van horizontale en/of verticale integratie bijdragen aan de continuïteit en marktpositie van de bestaande thuiszorginstellingen en aan de klantensatisfactie?

    Bij de start van de studie naar horizontale en verticale integratieprocessen leefden er veel vragen (zie hoofdstuk 2 en bijlage 1 en 2). Dit waren vragen zoals: Op grond waarvan is de samenwerking of integratie gestart? Welke motieven spelen een rol? Wat zijn de dominante factoren in het proces geweest? Welke resultaten zijn er geboekt en wat is het toekomstperspectief?

    In deze paragraaf zijn de reacties op deze en andere vragen gebundeld.

    Motieven voor verticale en/of horizontale integratie

    Organisaties integreren verticaal en/of horizontaal op grond van verschillende motieven (zie paragraaf 4.2.4 en 4.3.3). Daarin zijn met name machtsmotieven, inhoudelijke/kwaliteitsmotieven en efficiencymotieven te onderscheiden. Uit de landelijke inventarisatie en de praktijkvoorbeelden blijkt dat twee groepen motieven een hoofdrol spelen: de macht en inhoud/kwaliteit.

    De machtsmotieven betreffen vooral de positionering ten opzichte van de zorgverzekeraars en andere zorgaanbieders. Het gaat dan om versterking van de onderhandelings- en concurrentiepositie bij het contracteren, vermindering van de mogelijkheden van toetreding door nieuwe zorgaanbieders en vergroting van eigen invloed. De inhoudelijke/kwaliteitsmotieven komen tot uitdrukking in het willen realiseren van een zorgcontinuüm, het streven naar zorg op maat en gezamenlijk arbeidsmarkt- en personeelsbeleid.

    In de praktijk blijkt dat de machtsmotieven relatief vaak een rol spelen bij horizontale samenwerkingsvormen; de inhoudelijke/kwaliteitsmotieven komen relatief vaak voor bij verticale samenwerkingsvormen. Efficiency en in mindere mate identiteitsbehoud zijn motieven bij zowel horizontale als verticale samenwerkingsvormen.

    De ervaring van de vijf TIAS-studenten is dat persoonlijke belangen van de managers/bestuurders tevens een rol kunnen spelen. Opvallend echter is dat de geïnterviewden van de zes praktijkvoorbeelden deze motieven niet noemen, ook niet als hiernaar wordt gevraagd (zie paragraaf 4.3.3). Het is niet duidelijk of de geïnterviewden niet willen uitkomen voor hun persoonlijke belangen, zij zich er niet van bewust zijn of dat persoonlijke belangen inderdaad geen rol spelen in deze praktijkvoorbeelden.

    Efficiency / marges

    Met de introductie van marktwerking en concurrentie in de gezondheidszorg, mag verwacht worden dat "efficiency" als belangrijk motief wordt genoemd voor horizontale en/of verticale integratie. In paragraaf 3.2.4 wordt dit aangeduid met het bedrijfseconomische begrip marges: de ruimte tussen kosten en opbrengsten die nodig is om bedrijfsrisico's te kunnen opvangen. In de praktijk wordt het realiseren van marges echter slechts als secundair motief genoemd.

    Er kunnen twee verklaringen zijn voor dit verschil tussen theorie en praktijk. In de eerste plaats nodigen de financieringsregels in het eerste compartiment (AWBZ) niet uit tot het realiseren van marges in de vorm van reserves. Omdat de reserves naar de mening van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) te hoog waren, is in 1997 op de bestaande reserves een budgetkorting toegepast (JOZ, 1996).

    Een tweede verklaring kan zijn, dat het tot op heden onduidelijk is of het streven van de overheid naar marktwerking is gericht op prijs- of kwaliteitsconcurrentie. Het heeft er volgens Van der Grinten (1997) "alle schijn van dat de oorspronkelijke motieven van de overheid sterk gekleurd waren door het streven naar kwaliteitsconcurrentie (vraagsturing), terwijl de praktijk zich ontwikkelde in de richting van prijsconcurrentie". Naast de nadruk op prijsefficiency zijn de meeste traditionele thuiszorgaanbieders veelal gericht op het behoud van kwaliteit. Zij schatten in dat de zorgverzekeraars een iets hoger tarief ("marges" dus) acceptabel vinden voor zover dit veroorzaakt wordt door investeringen in kwaliteitsverbetering van de zorgverlening en productinnovatie.

    Continuïteit en marktpositie

    Door de schaalvergroting, hetgeen een duidelijke tendens is in grote delen van de thuiszorg, worden de nieuwe (samenwerkingsverbanden van) instellingen dominante gesprekspartners voor financiers en andere zorgaanbieders. Er ontstaan zelfs nieuwe monopolieposities.

    In paragraaf 3.6.2 wordt gewezen op de paradoxale tendensen die coördinatiemechanismen kennen. Gesteld wordt dat 'concurrentie kan leiden tot een monopoliepositie van één der partijen (concentratie). Dit paradoxale karakter van de coördinatiemechanismen concurrentie, collusie en concentratie leidt tot bewegingen van de markt. Deze bewegingen betreffen zowel de horizontale relaties tussen bedrijven in een markt als de verticale en diagonale relaties in en tussen bedrijfskolommen."

    Ook tijdens het Ronde Tafel Gesprek (zie paragraaf 4.4) is dit verschijnsel benoemd door een der aanwezigen (M. Vliegenthart, PvdA): "Marktwerking leidt tot risicomijdend gedrag van organisaties en vervolgens tot schaalvergroting. Marktwerking in de gezondheidszorg daagt derhalve uit tot monopolisering!" Overigens was de algemene mening tijdens het Ronde Tafel Gesprek dat marktwerking geen geëigend instrument is in de gezondheidszorg en macro-economisch niet leidt tot kostenverlaging.

    Monopolieposities worden doorgaans beperkt door de kartelwetgeving (Wet Economische Mededinging, WEM). In de gezondheidszorg kan de macht van monopolies desalniettemin welig tieren omdat een controle-mechanisme ter voorkoming van kartelvorming ontbreekt. Binnen deze omstandigheden kan schaalvergroting dus inderdaad leiden tot verbetering van de marktpositie en continuïteit van zorgaanbieders.

    Klantensatisfactie

    Bij de studie naar de integratieprocessen is ook de organisatorische bindingsintensiteit in kaart gebracht. Hierbij worden organisatorische niveaus onderscheiden volgens de onderstaande indeling (zie paragraaf 3.6.3, 4.3.3 en bijlage 10). Bij integratie kan onderscheid gemaakt worden naar vier 'schillen' die in organisaties zijn te onderkennen. In schema:

























    Schema 11: De vier organisatie-schillen

    De legitimatie van elke organisatorische keuze ligt primair in de toegevoegde waarde voor de klanten; het primaire proces. Tijdens het Ronde Tafel Gesprek bracht de vertegenwoordiger van de cliëntenorganisatie kwaliteitscriteria van langdurige gebruikers van thuiszorg naar voren (zie paragraaf 4.4 en bijlage 12). Enkele voorbeelden hiervan zijn:

    Beschikbaarheid en bereikbaarheid

    De behoeften van de cliënt centraal stellen

    Continuïteit van de hulpverlening (in proces en in persoon)

    De houding van de hulpverleners

    Gerichte en goede informatie naar cliënten.

    Dit zijn criteria die op de eerste en tweede schil betrekking hebben.

    Nagegaan is of samenwerking, schaalvergroting en integratie het antwoord vormen op verbetering van de zorg voor de klanten. Als een onderscheid wordt gemaakt in vier schillen, dan blijkt in vrijwel geen van de verticale praktijkvoorbeelden integratie plaats te vinden in de eerste en tweede schil. In geen van de organisaties zijn de primaire processen opnieuw gedefiniëerd vanuit de optiek van de klant. Bij integratieprocessen ligt vrijwel altijd de nadruk op de voorwaardenscheppende diensten en directie/bestuur (derde/vierde schil).

    De vraag of de verticale en/of horizontale integratieprocessen bevorderend zijn voor de klantensatisfactie is daarom (nu nog) niet bevredigend te beantwoorden. Het kan een kwestie zijn van tijd. Integratieprocessen met een hoge bindingsintensiteit zijn namelijk allemaal nog jong. Daarnaast zou het ook te maken kunnen hebben met de inschatting dat het echt centraal stellen van de klant leidt tot té complexe sturingsprocessen. Het is interessant daar in de toekomst onderzoek naar te verrichten.



    5.2.2 Product/marktcombinaties

    Kan er onderscheid worden aangebracht voor de verschillende product/ marktcombinaties, zoals die op dit moment binnen de thuiszorg kunnen worden onderscheiden?

    Het vraagstuk van horizontale en verticale integratie wordt beschouwd vanuit het perspectief van de organisaties als geheel. Bij verschillende integratieprocessen wordt echter ook een onderscheid gemaakt naar de verschillende product/marktcombinaties (zie bijlage 5). Voor de belangrijkste product/marktcombinaties kan de volgende differentiatie worden aangebracht:

    Nadruk op verticaal Huishoudelijke Dagelijkse Levensverrichtingen (HDL)

    Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL)

    Verpleging

    Nadruk op horizontaal Kraamzorg

    Hulpmiddelen en verpleegartikelen

    Verticaal en horizontaal beide mogelijk Specialistische verpleging

    Jeugdgezondheidszorg

    Extra services en (woon/)zorgarrangementen



    Schema 12: Product/marktcombinaties bij verticale en/of horizontale integratie

    Per categorie volgt hieronder een toelichting.

    Product/marktcombinaties met een nadruk op verticale integratie

    Lokaal en regionaal hebben de HDL, ADL en verpleging veel overeenkomsten en raakvlakken met de zorgverlening in verzorgings- en verpleeghuizen. Verticale integratie kan in (de ondersteuning van) het primair proces voordelen hebben in de vorm van de realisatie van een zorgcontinuüm, lokale herkenbaarheid en de mogelijkheden tot substitutie van zorg.

    Op grotere schaal kunnen voordelen ontstaan door hoogwaardigere ondersteuning en systeembenutting. Hierbij kan gedacht worden aan voorwaardenscheppende diensten zoals de zorgcentrale, inhoudelijke ontwikkeling en scholing, e.d. Ook vanuit het oogpunt van flexibilisering van de arbeidsmarkt en jobrotation kunnen voordelen worden gerealiseerd.

    De HDL, ADL en met name verpleging behoeven naast een relatie met verzorgings- en verpleeghuizen (care) ook een relatie met het ziekenhuis en de huisartsen (cure).



    Product/marktcombinaties met een nadruk op horizontale integratie

    Kraamzorg behoeft vanuit de verwijzerskanalen een sterke relatie met verloskundigen, huisartsen en het ziekenhuis. Er is geen specifieke relatie met bijvoorbeeld verzorgings- of verpleeghuizen. De gebouw-gebondenheid is beperkt en in beginsel a-specifiek. Het betreft de huisvesting van het qua omvang beperkte management, de planningsfuncties en de ondersteunende staf. Vanuit bedrijfseconomische en -organisatorische motieven (adequate planning, promotie, centrale functies, etc.) werkt schaalvergroting kostenverlagend. Gezien de specifieke integratiemogelijkheden op horizontaal niveau ligt integratie aldaar voor de hand.

    Hulpmiddelen, verpleeg- en gemaksartikelen kunnen op grotere schaal bedrijfsmatig (o.a. logistiek) beter worden georganiseerd. Er zijn verschillende voorbeelden in Nederland van thuiszorginstellingen die deze product/marktcombinatie gezamenlijk exploiteren.

    Product/marktcombinaties die zich lenen voor verticale en horizontale integratie

    Specialistische verpleging wordt steeds meer in een transmurale omgeving tussen ziekenhuis en thuiszorg en in samenspel met huisartsen gerealiseerd. Dit is aanleiding voor verticale integratie. Tegelijkertijd is het een overweging om hierin, vanwege het optimaliseren van de schaalgrootte, samen te werken met verschillende thuiszorginstellingen.

    Jeugdgezondheidszorg (o.a. consultatiebureaus) is een product/marktcombinatie die kleinschalig wordt uitgevoerd in de diverse gemeenten en regio's. Vanwege de doelmatige aansturing en ondersteuning leent de jeugdgezondheidszorg zich tegelijkertijd voor schaalvergroting. Het is belangrijk dat de relaties met relevante stakeholders, waaronder de GGD en de verloskundigen, goed onderhouden blijven worden.

    Extra services en zorgarrangementen zijn een nieuw ontwikkelingsterrein. Zowel verticaal als horizontaal doen zich samenwerkings- en integratiemogelijkheden voor. Personenalarmering bijvoorbeeld, kan zeer doelmatig op grote schaal worden georganiseerd. Woon/zorgarrangementen worden daarentegen veel meer plaatselijk bepaald.



    Tot slot

    Bij keuzes voor horizontale en/of verticale integratieprocessen dient een onderscheid gemaakt te worden in de verschillende product/marktcombinaties (zie bijlage 5). Deze veronderstelling vanuit de theorie wordt bevestigd door de inventarisatie van initiatieven in Nederland en de diepte-interviews.

    Onafhankelijk van waar de nadruk ligt (op horizontale of verticale integratie), kan voor één of meer product/marktcombinaties een uitzondering worden gemaakt. Dit kan door voor de betreffende product/marktcombinatie(s) samen te werken met instellingen die niet participeren in het gekozen integratieproces.

    5.2.3 Factoren en omstandigheden

    Met welke factoren/omstandigheden moet rekening worden gehouden en wat zijn de voor- en nadelen als men kiest voor horizontale en/of verticale integratie?

    De meest belangrijke factoren en omstandigheden die in de praktijk tot uitdrukking komen, zijn hieronder weergegeven volgens de indeling van het theoretisch kader, te weten: de omgevingsanalyse en de stakeholdersanalyse (zie respectievelijk paragraaf 3.2 en 3.5).

    Politieke ontwikkelingen: de financiering

    In het eerste compartiment zijn organisaties, vanuit het oogpunt van financiering, met name georiënteerd op de regio en de regionale zorgverzekeraar (het verbindingskantoor voor de AWBZ). Dit geldt voor de thuiszorginstelling, voor zover deze wordt gefinancierd uit de AWBZ, maar ook voor de verzorgings- en verpleeghuizen die vrijwel geheel afhankelijk zijn van AWBZ-financiering. Omdat de regionale zorgverzekeraar vaak stuurt op afstemming tussen de zorgaanbieders in de regio, ligt verticale integratie vanuit dit perspectief meer voor de hand.

    In het tweede compartiment is vanuit het oogpunt van financiering een oriëntatie op zowel de regionale zorgverzekeraar (het voormalige regionale ziekenfonds) als de landelijk werkende zorgverzekeraars. Voor het afsluiten van contracten met de landelijke zorgverzekeraars trekken de thuiszorginstellingen veelal gezamenlijk op ("eenheid maakt macht"). Ook hebben steeds meer regionale zorgverzekeraars een schaal die groter is dan het werkgebied van een thuiszorginstelling. Hierdoor wordt het gezamenlijk optrekken van thuiszorginstellingen, horizontale integratie dus, bevorderd.

    De zorgverzekeraars worden steeds meer onderdeel van grote conglomeraten. De verwachting is dat op termijn er naar schatting vijf tot acht van deze conglomeraten van zorgverzekeraars zullen overblijven. Deze zorgverzekeraars zullen landelijk opereren en onderling concurreren op de verzekerdenmarkt. De inschatting is dat zij op de markt van zorgaanbieders uiteindelijk veelal zullen kiezen voor regionale contractering. Alleen op die manier kan sturing worden gegeven aan de onderlinge afstemming tussen zorgaanbieders en kan de efficiency tussen de zorgaanbieders bevorderd worden. In het praktijkvoorbeeld in Gorinchem noemt men dit "doorstroommanagement".

    Als bovenstaande inschatting juist is, zal de financieringsstructuur uiteindelijk vooral uitnodigen tot verticale integratie.



    Sociaal/maatschappelijke ontwikkelingen: de arbeidsmarkt

    De arbeidsmarkt is, in het kader van marktpositie en continuïteit, een zeer belangrijke factor. De stelling "Wie de medewerkers heeft, heeft de zorgmarkt" zal zich steeds sterker doen gelden. Van verschillende kanten wordt namelijk voorspeld dat krapte zal optreden op de arbeidsmarkt. In enkele regio's is dit reeds zichtbaar.

    Bovendien begint de sterke nadruk op doelmatigheid zijn tol te eisen. Volgens Van der Grinten (1997) ervaren veel beroepsbeoefenaren deze ontwikkeling als "een taylorisatie (ver doorgevoerde arbeidsdeling) die hun alle eigen verantwoordelijkheid en inbreng ontneemt en hen slechts vastpint op het verrichten van enkele met naam en toenaam genoemde taken. De beroepstrots en het plezier in het werk zijn op veel plaatsen gedaald tot bedenkelijke niveaus".

    De ontwikkeling op de arbeidsmarkt is aanleiding tot zowel horizontale als verticale integratie. Thuiszorginstellingen kunnen de krachten bundelen om het imago en de aantrekkelijkheid van het werken in de thuiszorgbranche beter te profileren. Het biedt ook voordelen om gezamenlijk contacten te onderhouden met opleidingsinstituten. Hiervoor is overigens geen sterke juridische binding noodzakelijk.

    Voor benadering van de regionale arbeidsmarkt ligt verticale samenwerking voor de hand. Omdat de zorgaanbieders hier elkaars potentiële concurrenten zijn, is een sterkere juridische binding nodig. Op die manier hebben gezamenlijke scholing/opleiding en jobrotation ook meer kans van slagen.

    Stakeholders

    Het algemene beeld uit de praktijk is dat stakeholders wel worden bediend, maar weinig of niet worden gemanaged. Het systematisch identificeren van de stakeholders en sleutelstakeholders als (potentiële) (machts)bronnen van samenwerking of van bedreiging en het systematisch bevorderen van een machtsbalans (zie paragraaf 3.5) lijken niet de grootste prioriteit te krijgen. Opvallend is dat nog weinig wordt gewerkt vanuit de referentie: "wat wil ik zelf, waar wil ik naar toe, wie zijn mijn partners en wie niet?" In het algemeen is het belangrijk in beeld te hebben wat stakeholders willen en te bepalen wat de impact is op het (gekozen en te kiezen) beleid. Bovendien is stakeholdersmanagement specifiek voor de thuiszorginstellingen van belang omdat binnen deze branche veel producten/

    diensten (steeds meer) in netwerkverband geleverd worden.

    Overige factoren

    Naast de factoren die met name in de theorie tot uitdrukking komen, spelen in de praktijk vaak niet-rationele en toevalsfactoren een belangrijk rol bij verticale en/of horizontale integratie. Deze zijn als volgt te ordenen:

    Persoonlijk fit

    De (inter)persoonlijke fit van spelbepalers, of mensen elkaar mogen of niet, speelt een hoofdrol. Hun visie, geloof, overtuiging en opvattingen en hun persoonlijke of zakelijke belangen zijn bepalend voor de voortgang en snelheid van de integratie.

    Regionale kenmerken

    De historisch ontstane marktverdeling tussen instellingen, de posities van sleutelpersonen daarin en de ontwikkelingsstadia van organisaties verschillen sterk per regio. Dit zijn omstandigheden in een geografisch gebied die een sterke rol kunnen spelen in het bevorderen of afremmen van integratie. Bovendien bestaat er vaak een grote onderlinge afhankelijkheid tussen zorgaanbieders, de dominante zorgverzekeraar, de belangenorganisatie en andere stakeholders.

    Gelijkwaardigheid van integratiepartners

    Als partners in het integratieproces een vergelijkbare (financiële) omvang en regionale positie hebben, beschouwen deze elkaar eerder als gelijkwaardig dan wanneer hierin grote verschillen bestaan. Uit de praktijkvoorbeelden blijkt onder meer dat grote tot zeer grote thuiszorginstellingen bij verticale integratieprocessen als te bedreigend worden ervaren voor andere potientiële partners. Een conclusie is dat gelijkwaardigheid veelal een bevorderende factor bij integratieprocessen is.

    Voor- en nadelen

    In de theorie worden voor- en nadelen vermeld inzake verticale en/of horizontale integratie (paragraaf 3.6.6). Tevens zijn uit de landelijke inventarisatie (paragraaf 4.2.6), de zes praktijkvoorbeelden en het Ronde Tafel Gesprek voor- en nadelen te destilleren. De voor- en nadelen zijn niet altijd eenduidig gerelateerd aan verticale of horizontale integratie. In het onderstaande schema is aangegeven of de voordelen respectievelijk nadelen tot uitdrukking komen in de theorie (T) en/of de praktijkbevindingen (P).

    Integratie Voordelen T P Nadelen T P
    Verticaal Sterkere positie t.o.v. zorgverzekeraars en andere financiers

    Beperking concurrentie

    Vergroting invloedssfeer in care-markt

    Eenduidig strategisch beleid

    Beheersing van kwaliteit (verhoging niveau, besparing)

    Verbetering van de dienstverlening/verbinding diverse kerncompetenties

    Creëren van zorgcontinuüm

    Gezamenlijke positionering op schaarser wordende arbeids-

    markt (jobrotation, carrière-perspectief)

    Mogelijke kostenbesparing (o.a. in transactiekosten)

    Verzekerde bevoorrading en afzet

    x









    x

    x













    x

    x

    x

    x

    x

    x

    x

    x



    x

    x





    x

    x

    Hinder buitengesloten partners

    Cultuurverschillen (overbrugging kost veel tijd)

    Bestuurlijke drukte

    Kostennadelen door ongelijke schaalgroottes; kostprijsstijging

    Hogere beheerskosten door coördinatiekosten en inefficiënter werken

    (wegvallen concurrentieprikkel)









    x

    x

    x

    x

    x

    x

    x

    Horizontaal Eenduidig strategisch beleid

    Sterkere positië t.o.v. financier en andere zorgaanbieders

    Beperking concurrentie

    Concentratie van middelen op behalen succes in één bedrijfstak

    Schaalgrootteoptimalisatie

    Overheadreductie / besparing ontwikkelingskosten







    x

    x





    x

    x

    x

    x

    x



    x

    x

    Succes in de ene bedrijfstak vereist vaak ook aanwezigheid in andere gerelateerde bedrijfstak

    Scheve verhouding aanwezige middelen en aanwendingsmogelijkheden

    Meer van hetzelfde

    Bestuurlijke drukte

    Hinder buitengesloten partners

    x



    x







    x

    x

    x

    x



    Schema 13: Voor- en nadelen van horizontale en verticale integratie

    De mengvorm verticale èn horizontale integratie is in het bovenstaande overzicht buiten beschouwing gelaten omdat de voor- en nadelen van beide vormen daarin kunnen optreden.

    Tot slot

    Er is niet één hoofdfactor aan te wijzen waardoor het strategisch keuzeproces voor integratie wordt bepaald. Steeds is het een combinatie van factoren die in onderlinge samenhang bepalen of een weg begaanbaar is of niet. Er is geen standaard aanpak!

    5.2.4 Een vierde vraag dringt zich op

    Na de beantwoording van de drieledige vraagstelling dringt zich een essentiële vierde vraag op:

    Wat wordt verstaan onder het begrip thuiszorg en wat is de toekomstige positie van de thuiszorg?



    Thuiszorg?

    Van der Grinten (1997) maakt een onderscheid in vier betekenissen van het begrip thuiszorg:

    1. Het instituut: de thuiszorginstelling in een regio

    2. De doelstelling: zorg gericht op het zo lang mogelijk thuis kunnen blijven

    3. Een aanduiding van de lokatie: zorg in woningen van particulieren, zorg aan huis

    4. Een conglomeraat van activiteiten: een functioneel omschreven

    verstrekking.

    In de praktijk blijkt dat al deze betekenissen door elkaar worden gebruikt.

    Toekomstige positie

    Duidelijk is dat thuiszorg geen zaak is van thuiszorginstellingen alleen. Ook andere partijen oriënteren zich op thuiszorg of profileren zich met een eigen aanbod. Deze beweging wordt enerzijds versterkt door mondige klanten die meer keuzevrijheid hebben en anderzijds door de aanwezigheid van substitutiemogelijkheden. De thuiszorginstellingen zijn in toenemende mate bereid om samen te werken, waardoor nieuwe gecombineerde zorgaanbieders ontstaan.

    De kerncompetentie van de huidige thuiszorginstellingen is de kennis en het vermogen zorgdiensten en -producten achter de voordeur van mensen thuis te leveren; toegespitst op verpleging, verzorging (incl. kraamzorg) en huishoudelijk werk. Op grond daarvan heeft de thuiszorg een breed vertakt netwerk van distributiekanalen. De attitude van de medewerkers, de structuur en logistiek zijn daarop ingericht.

    Wanneer de thuiszorg als instelling op termijn zou verdwijnen, is het van belang dat deze kerncompetentie in de nieuwe organisatievorm wordt behouden.

    5.3 Aanbevelingen

    In onderstaande aanbevelingen is wederom de drieledige vraagstelling van de scriptie gehanteerd. Dat wil zeggen dat een ordening is aangebracht in aanbevelingen die:

    bijdragen aan de continuïteit en marktpositie van de bestaande thuiszorginstellingen en aan de klantensatisfactie;

    betrekking hebben op het onderscheid naar de verschillende product/marktcombinaties zoals die op dit moment binnen de thuiszorg kunnen worden onderscheiden;

    aangeven met welke factoren en omstandigheden rekening moet worden gehouden en aanbevelingen die aangeven wat de voor- en nadelen zijn als men kiest voor horizontale en/of verticale integratie.

    Naar aanleiding van de later geformuleerde "vierde vraag" zijn eveneens aanbevelingen geformuleerd.



    5.3.1 Aanbevelingen inzake continuïteit, marktpositie en klantensatisfactie

    De continuïteit en marktpositie van (thuis)zorginstellingen wordt met name bepaald door een balans in het effectief inspelen op de vraag (klanten-

    satisfactie) en het daaraan gerelateerde aanbod door de inzet van bekwame medewerkers (medewerkerssatisfactie). Alleen als daaraan wordt voldaan, zal de toestroom van diensten en middelen op de langere termijn worden veilig gesteld. Dit betekent bij verticale en/of horizontale integratie primair een oriëntatie op de inhoud van de zorg en het bieden van identificatiemogelijkheden voor cliënten en medewerkers.

    De beste waarborg voor toegankelijkheid, kwaliteit en doelmatigheid, met andere woorden "het centraal stellen van het primair proces", kan worden gerealiseerd door kwaliteitscompetitie, waarbij vraagsturing voorop staat. Bij vraagsturing van de middelen c.q. financiering dient de sturing bij voorkeur te geschieden door een systeem van toetsing op parameters (bedrijfsvergelijking).

    Het echt centraal stellen van de klant leidt wellicht tot meer complexe sturingsprocessen. Horizontale en/of verticale integratie zal naar verwachting een bijdrage leveren aan de herinrichting van de "zorglogistieke" processen. Dit impliceert dat er concretere verbindingen gelegd kunnen worden in regionale ordening en financiering. Om dit met meer zekerheid te kunnen bevestigen is echter, zoals eerder vermeld, nader onderzoek noodzakelijk.



    5.3.2 Aanbevelingen inzake product/marktcombinaties

    Bij overwegingen tot verticale en/of horizontale integratie is het van belang om differentiatie aan te brengen in de verschillende product/marktcombinaties. Sommige lenen zich uitgesproken voor verticale integratie, andere meer voor horizontale integratie. Voorbeelden van product/marktcombinaties bij verticale integratie zijn HDL, ADL en verpleging. Bij horizontale integratie gelden de product/marktcombinaties kraamzorg en hulpmiddelen. Als voorbeelden van zowel horizontale als verticale integratie zijn de product/marktcombinaties ouder- en kindzorg en zorgarrangementen te noemen.

    Indien gekozen wordt voor verticale integratie, hebben verpleeg- en verzorgingshuizen als integratiepartners de voorkeur. Zij hebben dezelfde kernproducten als de thuiszorginstellingen, te weten HDL, ADL en verpleging. Essentieel hierbij is dat het zorgaanbod wordt gericht op alle leeftijdscategoriën en niet beperkt wordt tot de groep ouderen.

    Bij verticale integratie met verpleeg- en verzorgingshuizen wordt een hoge mate van organisatoriche en juridische binding aanbevolen. De belangrijkste reden hiervoor is de overeenkomst in kerncompetenties en vervolgens de mogelijkheden van substitutie. Een hoge mate van binding wordt daarom aanbevolen, zelfs als dit betekent dat de thuiszorginstellingen daardoor als "thuiszorginstelling sec" op termijn niet voortbestaan, maar opgaan in verbrede organisaties voor verpleging en verzorging.

    De geestelijke gezondheidszorg en de verstandelijke gehandicaptenzorg zijn eveneens belangrijke samenwerkingspartners voor de thuiszorg. Vergaande integratie met hen ligt gezien het verschil in kerncompetentie echter minder voor de hand. In de geestelijke gezondheidszorg staat behandeling (cure) en begeleiding namelijk centraal. Bij de verstandelijke gehandicaptenzorg ligt het primaat op wonen en welzijn. Meer voor de hand ligt dat de thuiszorg, al dan niet gecombineerd met verpleeg- en/of verzorgingshuizen, op basis van contracten zorg levert in deze sectoren.

    Ondanks het feit dat de kerncompetentie van de ziekenhuizen eveneens in de cure ligt, wordt op grond van de gevolgen van ziekenhuisbehandeling (noodzakelijke care) nauwe integratie aanbevolen. Met name organisatorische integratie op het uitvoerende vlak van verpleging en verzorging. Juridische integratie kan worden beperkt tot lichtere bindingen (samenwerkingsovereenkomsten, allianties, joint-ventures).

    Samenwerking met huisartsen als partner op het vlak van verpleging en verzorging en in het samenspel tussen thuiszorg en ziekenhuis is onontbeerlijk. Samenwerking is een voorwaarde voor het kunnen waarborgen van goede kwaliteit en continuïteit van zorg, ondanks dat dit (wellicht) complicaties in organisatorische zin zal geven, gezien de verschillen in organisatiegraad.

    Wanneer binnen een organisatie overwegend sprake is van vergaande verticale integratie, is het aan te bevelen om de product/marktcombinaties die zich lenen voor horizontale integratie te verbijzonderen. Verbijzondering heeft dan betrekking op zowel de organisatorische als de juridische binding met de organisatie.



    5.3.3 Aanbevelingen inzake factoren en omstandigheden en voor- en nadelen

    Stakeholdersmanagement is meer dan het openhouden van deuren en onderhouden van contacten. Aanbevolen wordt over te gaan tot proactief stakeholdersmanagement. Dit betekent werken vanuit de referentie: "Wat wil ik zelf, waar wil ik naar toe, wie zijn mijn partners en wie niet?" Het is van belang wat stakeholders willen en te bepalen wat de impact is op het (gekozen of te kiezen) beleid. De duurzaamheid van de relaties met relevante stakeholders is daarbij van groot belang (zie paragraaf 3.5.3).

    Bij de partnerkeuze (voortvloeiende uit de integratiekeuze op basis van de diverse product/marktcombinaties) is het belangrijk dat het 'klikt' tussen de sleutelpersonen. Is dat niet het geval dan is het aan te bevelen hier aandacht aan te besteden, alvorens overgegaan wordt tot discussie over inhoud en vormgeving (Willems, 1997).

    De voor- en nadelen van verticale en/of horizontale integratie (zie paragraaf 5.2.3) kunnen verminderd of voorkomen worden door navolging van bovenstaande aanbevelingen. Daarnaast is toepassing van de overige bevorderende factoren (zie paragraaf 5.2.3) aan te bevelen, zoals: duidelijkheid over het doel en het betrekken van medewerkers.

    5.3.4. Aanbevelingen inzake toekomstige positionering van de thuiszorg

    Rekening houdend met de basale vereisten van toegankelijkheid, kwaliteit en doelmatigheid, is het aan te bevelen de regionale ordening voor de gezondheidszorg als basisprincipe te hanteren bij het vormgeven van de zorgverlening. Uitgangspunt daarbij is het creëren van toegevoegde waarde in of voor de primaire procesen van de te onderscheiden product/marktcombinaties. Op basis van dit uitgangspunt kunnen organisatorische en/of juridische integraties vorm krijgen. De kerncompetentie van de thuiszorginstellingen is 'de kennis en het vermogen om (zorg)diensten achter de voordeur van mensen thuis te leveren'. Zoals eerder gesteld zijn de (attitude van) de medewerkers, de distributiekanalen, de structuur en de logistiek daarop ingericht (zie hoofdstuk 3.3.3). Daar ligt de complementariteit met andere zorgaanbieders. Zowel op het horizontale als het verticale grensvlak.

    5.4 Tot slot

    "Verticaal of horizontaal, wat maakt het uit?" Deze openingsvraag vormde de start van de scriptie. Het antwoord heeft zich in de loop van de tijd ontvouwd: veel rationele en irrationele processen bepalen de (overwegingen tot) samenwerking en integratie.

    Het meest typerend in de bevindingen is de dominantie van de persoonlijke "fit" tussen de spelbepalers. Deze is in sterke mate bepalend voor de voortgang en slaagkans van een integratieproces. Alles kan nog zo mooi beredeneerd en afgewogen zijn, wanneer betrokkenen elkaar niet "liggen", dan blijken er voortdurend allerlei onverwachte hobbels en stremmingen op het integratiepad op te doemen.

    Klantoriëntatie en -satisfactie blijken wezenlijke motieven te zijn voor de legitimatie van de integratieprocessen. Ondanks het feit dat het inhoudelijke motief vaak genoemd wordt, blijkt in de praktijk echter dat integratie nog nauwelijks tot resultaat heeft geleid op het gebied van vraaggestuurde zorg en zorgvernieuwing. De praktijk leert dat het een grote opgave is om het primair proces zodanig in te richten dat deze resultaten ook daadwerkelijk worden behaald.

    Met wie op welke wijze het beste kan worden samengewerkt of worden geïntegreerd is te herleiden uit een zorgvuldige analyse van de omgeving, de eigen krachten en zwakten en de stakeholders. Veelal is het geen kwestie van verticaal of horizontaal als geheel. Zoeken naar een optimum per product-marktcombinatie leidt tot een verscheidenheid in strategieën op het gebied van stakeholders en samenwerkingsvormen.

    Beschikbaarheid, deskundigheid en motivatie van de uitvoerende medewerkers verdient speciale aandacht tijdens de integratieprocessen. In veel situaties wordt tijdens het contact met de cliënt het product/de dienst vorm gegeven en dus de kwaliteit bepaalt. De (toenemende) schaarste op de arbeidsmarkt maakt het van belang om in de strategische afwegingen van verticale of horizontale integratie personeels- en arbeidsmarktbeleid tot een apart onderwerp van gesprek te maken.

    Op welke verbinding(en) de keuze uiteindelijk ook zal vallen: "verticaal en/of horizontaal", de theorie en de praktijk leren:" niet de aard van de verbinding, maar de klant staat centraal".

    Geraadpleegde literatuur

    Ansoff, H.I., Ondernemingsstrategie, McGraw - Hill, New York, 1973

    Blair, J.D. en Fottler, M.D., Challenges in Health Care Management; Strategic Perspectives for Managing Key Stakeholders, San Francisco / Oxford, 1990

    Blair, J.D. e.a., The problematic fit of diagnosis and strategy for medical group stakeholders, in: Health Care Management Review, Aspen Publishers Inc., 1996

    Boonekamp, L.C.M., Inleiding TIAS voor SMOG4; ruil en evenwicht, september 1996

    Boonekamp, L.C.M., Naar nieuwe relaties in de Nederlandse gezondheidszorg; een strategische marktvisie, in: Acta Hopitalia, blz. 45 ev., 1993/1994

    Boonekamp, L.C.M., Hoe marktgericht is uw organisatie, in: Gezondheidszorg en Management, nr. 7/8, 1993

    Boot, J.M. en Knapen, M.H.J.M., De Nederlandse Gezondheidszorg, Het Spectrum BV, Utrecht, 1993

    Boudewijn, J., Thuiszorg in (bedrijfs)economisch perspectief, Thesis Publishers, Amsterdam, 1994

    Coolen, J., Grinten, T., van der, Huijsman, R., Lieshout, P. van, Strategische noties voor de thuiszorg, NIZW / Erasmus Universiteit, Utrecht / Rotterdam, 1997

    Davis, F.R., Concepts of strategy, Ma Millon Publ., New York, 1993

    Douma, S.W., Omgevingsanalyse, Verticale samenwerking in de ouderenzorg, GBO, 1996

    Douma, S.W., Ondernemingsstrategie, Kluwer, Deventer, 1993

    Elsinga, E., en Kemenade, Y.W., van, Van revolutie naar evolutie, tien jaar stelselwijziging in de Nederlandse gezondheidszorg, De Tijstroom, 1997

    Hamel, G. en Prahalad, C.K., De strijd om de toekomst, Scriptum books, Schiedam, 1995

    Hartemink, L., Omgevingsanalyse Thuiszorg, 1993

    Hartemink, L., Marketingaudit, Stichting Amsterdams Kruiswerk, 1996

    Hoek, H., Concerns in de gezondheidszorg, in: ZM Magazine, nr. 1, 1996

    Johnson, G. en Scholes, K., Exploring corporate strategy, 3rd edition, Prentice Hall International, United Kingdom Ltd., 1993

    Jong, H.W. de, Dynamische markttheorie, Steinfort Kase, Leiden, 1985

    Myers, M.S., Every employee a manager, McGraw - Hill, London, 1970

    Ministerie VWS, Jaaroverzicht Zorg 1997, 1996

    Ministerie WVC, Ouderenzorg met toekomst, advies van de commissie modernisering ouderenzorg, 1994

    Porter, M.E., Concurrentiestrategieën, Sijthoff, Amsterdam, 1987

    Porter, M.E., Concurrentievoordeel, Veen, Utrecht / Antwerpen, 1989

    Rogier, J. en Huijsman, R., Marktwerking in de thuiszorg, in: Gezondheidszorg en Management, nr. 11, november 1996

    Roo, A. de, De zorgsector op weg naar maatschappelijk ondernemerschap, in: J.J.J. van Dijck (red.), Leiderschap bij grote veranderingen, Tilburg University Press, Tilburg, 1996

    Schenk, H., Fuseren of innoveren, artikel in het kader van het 25-jarig bestaan van de faculteit Bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, 1995

    Sloot, E., lezing: De organisatie van intensieve samenwerking, 1995

    Thuiszorg Midden-Brabant en Thuiszorg regio's 's-Hertogenbosch, De juiste maat in gezondheidszorg, 1997

    Verbeek, D.J., Pelle, R.J. en Sande, R. van de, Perspectieven voor thuiszorg tot 2000, TIAS, 1996

    Waal, de S.P.M., Besturen van concerns in de gezondheidszorg, in: ZM Magazine, no. 10 oktober 1996

    Willems, C. e.a., Notitie verticalisering, Compliance Consult, Gouda, 1997

  • 1. Het verschil tussen budget- en inwonerspercentages is te verklaren doordat sommige organisaties alleen kruiswerk of alleen gezinsverzorging leveren. Hierdoor worden door deze organisaties wel alle inwoners van een gebied ingebracht maar relatief minder budget dan door de geïntegreerde organisaties.

    2. Opgave door directies thuiszorg, januari 1997

    3. Overzicht erkende en in 1996 bestaande instellingen voor gezinszorg en kruiswerk, COTG, november 1996


    Zend ons uw e-mail. voor commentaar, opmerkingen en suggesties of schrijft eens in ons gastenboek.


    Hier kunt u teruggaan naar de pagina met nota's en scripties on-line

    Hier kunt u teruggaan naar de huispagina van de Mediatheek Thuiszorg